Voorbij de stilte

©BELGAIMAGE

Exact honderd jaar geleden werd hij geboren en ondertussen is hij al vijftig jaar dood. 2020 is het jaar bij uitstek om Paul Celan (1920-1970) te gedenken. Het verschijnen van zijn ‘Verzameld werk’ is een royaal eerbetoon aan een van de grootste Europese dichters van de 20ste eeuw.

Toen Paul Celan in 1970 van de Pont Mirabeau sprong en verdronk, liet hij een spoor van raadsels achter. Dat Celan een heimelijk man was, is een understatement. Naar eigen zeggen voelde hij niet de behoefte om over zijn leven te spreken. Wie hem kende, typeerde hem als discreet en teruggetrokken. Ook over zijn poëzie, die steevast wordt omschreven als hermetisch, sprak hij zich zo goed als nooit uit. Tot op de dag van vandaag houden zijn gedichten veel van hun geheimen voor zich.

Leven en werk blijken gehuld in mysterie, en misschien is dat wel een van de redenen waarom zijn poëzie zo’n grote aantrekkingskracht blijft uitoefenen. Het is grond waarin veel te ontginnen valt. Want wie de gedichten hermetisch noemt, doet ze oneer aan. Wat in eerste instantie lijkt op een ontoegankelijk gebied, blijkt bij nader inzien een oord waarin ontelbare betekenissen huizen.

‘Lees en herlees, het begrip zal wel volgen’, vond hij zelf. Het optimisme van die uitspraak staat in schril contrast met de lichte paniek die je bevangt bij een eerste lezing. De poëzie wemelt van de neologismen en put uit verschillende talen en gespecialiseerde vakgebieden. Celan knutselt nieuwe, soms elegante, soms monstrueuze woorden in elkaar als ‘boetelingensneeuw’, ‘grandelkrans’, ‘zoemgrind’, ‘netnervig hemelblad’ en ‘bloedproppen-bode’.

Het grote drama van Celans dichterschap was zijn worsteling met het Duits. Zijn moedertaal was immers ook de taal van degenen die zijn moeder hadden vermoord.

Maar hij heeft gelijk: wie doorzet, ontdekt de samenhang, de textuur, de stille wenken van de dichter. Het is een literaire erfenis die tot op de dag van vandaag blijft verbazen, bevreemden en intrigeren.

Paul Antschel werd in 1920 geboren in de Roemeense stad Tsjernivtsi (Celan is een anagram van Ancel, de Roemeense spelling van zijn naam). Het stadje werd het geheime hart van Oost-Europa genoemd, omdat het mooi in het midden ligt tussen Kiev en Boekarest, Odessa en Krakau. Er werd een beetje lyrisch over beweerd dat iedereen die er woonde altijd en overal een roos bij zich droeg en dat er meer boekhandels waren dan bakkers.

Er heerste een rijk cultureel leven dat vooral werd beïnvloed door de Duitse cultuur. Celan had er een comfortabele jeugd als enig kind in een Joods gezin. Duits was de voertaal, maar hij kreeg ook Roemeens en Jiddisch mee. Zijn moeder bracht hem de liefde bij voor de Duitse muziek en literatuur, en de jonge Paul voelde zich vooral aangetrokken tot de poëzie van Rainer Maria Rilke. Cynisch genoeg zou het noodlot in 1941 op Duitse laarzen de stad binnenmarcheren.

Schaufeln

Zijn leven lang zou de dichter zich schuldig blijven voelen over de dood van zijn ouders. Op de vooravond van een razzia had hij geprobeerd hen te overhalen om samen onder te duiken. ‘We kunnen ons lot niet ontlopen’, vond zijn moeder. Na een woordenwisseling liep Paul kwaad weg. Toen hij na de razzia terugkeerde, bleek het huis verzegeld. Zijn ouders waren gedeporteerd naar een vernietigingskamp, waar ze allebei om het leven kwamen. Het zou hem blijven kwellen dat hij hen niet had gered en zelfs geen afscheid had genomen.

Zelf belandde hij ook anderhalf jaar in een werkkamp, tot het door de Russen werd bevrijd. Als hem later werd gevraagd wat hij daar moest doen, antwoordde hij kortaf: ‘schaufeln’. Graven. Meer wilde hij er niet over kwijt, maar het trauma dat de Holocaust achterliet, zou tot zijn dood in hem blijven woekeren en inwerken op alle facetten van zijn poëzie.

Zijn ‘Todesfuge’ is een van de meest hartverscheurende gedichten die ooit over de Holocaust zijn geschreven. De dood treedt erin naar voren als ‘een meester uit Duitsland’ en hij schenkt ‘een graf in de lucht’. Het is een gedicht dat zich onttrekt aan de regels van de taal en zich verdiept in de herhaling van een handvol elementen.

De syntaxis valt in brokstukken uit elkaar, creëert een sfeer van chaotische angst en willekeurig lijden, maar ook van verslagenheid en berusting in de dood. De voortdurend echoënde frasen roepen het idee op van een cyclisch, onontkoombaar lijden. Het laat je achter met een gevoel van onbehaaglijke stilte en ontroostbaarheid. ‘Ik draag dit gedicht in mij als een virus’, vertelde Primo Levi.

De verzen van Celan doen een poging het onuitsprekelijke karakter van de horror van de Holocaust weer te geven.

In tegenstelling tot andere Joodse auteurs als Levi voelde Celan niet de neiging om in zijn werk een zo accuraat mogelijke getuigenis van de gruwel af te leggen. Zijn poëzie onttrekt zich aan het feitelijke en het autobiografische, ze streeft geen helderheid na, maar net het omgekeerde: tegendraadsheid. Celan was doordrongen van het besef dat getuigen in wezen onmogelijk was. Zijn taal is daarom duister en neigt naar verstommen. Ze beweegt zich naar de rand van de stilte en probeert daar alsnog een gesprek aan te knopen.

Levensgrond

Op de vlucht voor de Sovjets was Celan in 1947 in Wenen beland, waar hij de jonge Ingeborg Bachmann leerde kennen. Ze was 22 en nog niet de wereldberoemde schrijfster die ze later zou worden. ‘De surrealistische dichter Paul Celan is stapelverliefd op me geworden’, schreef ze kort na hun eerste ontmoeting in een brief. Ze begonnen een even gepassioneerde als getroebleerde verhouding die tien jaar lang zou blijven knipperen, ook nadat hij in 1952 met de grafisch kunstenares Gisèle Lestrange was gehuwd.

Bachmann was zijn ‘levensgrond’. Ze konden niet zonder, maar ook niet met elkaar leven. Hun liefde zou zich grotendeels aftekenen op papier in de brieven die ze elkaar schreven. Celan treedt erin naar voren als een gevoelige, zorgelijke man die door zijn twijfels op sleeptouw wordt genomen.

Vanaf 1960 leed hij ook onder een aanslepende plagiaataffaire. Zijn onschuld was zonneklaar, maar de zaak, en vooral het antisemitisme dat in de reacties oplaaide, zou een zware stempel drukken op de dichter. Naarmate de jaren 60 vorderden, vervreemdde Celan steeds meer van zijn omgeving. Het opgestapelde gewicht van chronische depressies leidde tot paranoia, waardoor hij meermaals werd opgenomen in psychiatrische klinieken. Tot hij op een nacht in april 1970 ‘départ Paul’ in zijn agenda noteerde, om zich daarna in de Seine te werpen.

Vergiftigd

Het grote drama van Celans dichterschap was zijn worsteling met het Duits. Zijn moedertaal was immers ook de taal van degenen die zijn moeder hadden vermoord. Het was de enige taal waarin hij kon dichten, maar ze was vergiftigd. Ze droeg schuld in zich. ‘Nabijheid der graven’ is een van de vele gedichten waarin hij zijn moeder gedenkt. ‘En duld je dan, moeder, als toen, ach, als thuis, / dat stille, dat pijnlijke rijm van het Duits?’

Sommigen lezen zijn poëzie als een daad van ontmanteling en zelfs vernietiging van de taal. Alsof hij het Duits tot in de wortel kapot wilde maken. Anderen zien er net een poging in om de taal te redden, haar open te breken en te vernieuwen, borend naar onontdekte aders om nieuwe manieren van expressie bloot te leggen.

De Duitse filosoof Theodor Adorno vond dat het na Auschwitz onmogelijk was geworden om poëzie te schrijven. Het esthetiseren van de onvoorstelbare horror was een barbaarse daad.

Dat was echter buiten het werk van Celan gerekend, die een weg opende die Adorno niet had voorzien. Zijn verzen proberen de horror niet weer te geven of te begrijpen. Ze doen een poging het onuitsprekelijke karakter ervan weer te geven. Zeker in zijn latere werk, in bundels als ‘Draadzonnen’ (1967), ‘Lichtdwang’ (1970) en ‘Sneeuwpartij’ (postuum, 1971) levert dat een poëzie op die steeds dichter bij de stilte aanleunt.

Monosyllabisch, afgesneden en gekortwiekt. Angstvallig tegen de linkerzijde van de pagina gedrukt, alsof de gedichten hun adem inhouden. Het is een spreken vanuit de eigen dood: ‘De na te stotteren wereld, / waar ik te gast / geweest zal zijn, een naam / die van de muur af zweet’.

Vertaler Ton Naaijkens levert een zeer precieze, weloverwogen vertaling die getuigt van een groot respect voor zowel de inhoudelijke als de vormelijke aspecten. Celan liet zijn gedichten inspringen, brak woorden af en bracht de zinnen aan het stotteren. Naaijkens laat die ritmes doorklinken in het Nederlands en vindt ingenieuze alternatieven om dicht bij het Duits te blijven.

In een zeldzaam commentaar schreef Celan: ‘Het gedicht kan flessenpost zijn en aan de golven worden meegegeven, met de - beslist niet altijd hoopvolle - overtuiging dat ze ergens en ooit aan land zal spoelen.’ Hoe weerbarstig ze ook mogen zijn, ieder gedicht in dit verzamelwerk is een uitnodiging tot ontmoeting, tot een gesprek voorbij de taal en voorbij de stilte.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud