interview

‘We geraken het vermogen om te fantaseren kwijt'

P.F. Thomése ©Frank Ruiter

Hoe reconstrueer je het leven van je ouders als je hun niets meer kan vragen? De Nederlandse schrijver P.F. Thomése deed het in ‘Vaderliefde’, zijn nieuwe boek. ‘Ik kan nog altijd in tranen uitbarsten als ik aan het leven van mijn vader denk.’

Een boek wordt geboren in een schrijfkamer. We mogen ze even zien, maar zitten kunnen we er niet. ‘Ze is helemaal ontploft’, glimlacht P.F. Thomése. En jawel. Op een stoel ligt de vilten hoge hoed van Willem Elsschot. Die kreeg Thomése van een vriend. Aan de binnenzijde staan de vergulde initialen ADR, van Alfons de Ridder.

Beneden in zijn mooie huis in Haarlem vertellen de muren verhalen. De schrijver houdt van schilderkunst. Over het koloniaal Indische landschap met een rijst-veld, een berg en een rivier vertelt hij dat het een werk is van Johannes Larij. Maar het is een ander werkje dat opvalt en dat een brugje metselt met ‘Vaderliefde’, het adembenemende nieuwe boek van Thomése (de P.F. in zijn schrijversnaam staat voor Pieter Frans, zijn mail ondertekent hij gewoon met Frans). Op dat schilderijtje zie je hemzelf, hoe oud was hij, acht misschien, hij woonde in Zaltbommel en hij herinnert zich nog precies hoe iemand hem portretteerde. ‘Jarenlang hing het in het huis van mijn moeder’, zegt hij. ‘Toen zij overleed, kwam het naar hier. Zo gaat dat.’’

‘Vaderliefde’ begint met een motto uit ‘Herkomst’ van Botho Strauß: ‘Morgen wordt het huis van mijn ouders leeggehaald. Morgen worden mijn kinderjaren opgeruimd.’

Exact dat gebeurde toen Thoméses moeder Betty in 2018 overleed. Er kwamen enkele dozen met spullen naar Haarlem, en die openmaken leidde tot dit boek. Vader Frits was al in 1979 gestorven, maar schrijven kon dus pas toen moeder ging. ‘Als iemand nog leeft, ben je niet vrij. Er bestaat altijd een bilaterale band. Pas na haar dood werd die unilateraal. Als je ouders begraven zijn in je herinneringen, is je geest vrij. En ze kwetsen kan niet meer.’

‘Wie dood is, is bovendien bevrijd van de toevallige gedaante die hij in de tijd inneemt. Mijn moeder was 92 toen ze stierf, maar toen ik ging schrijven kon ik haar op elk moment in de tijd oproepen. Het was zelfs gemakkelijker haar te zien zoals ze was toen ik nog een kind was dan als haar hoogbejaarde gestalte. Die kende ik toch ook minder goed.’

BIO

P.F. Thomése (61) begon alsjournalist bij Eindhovens Dagblad te werken. Later schreef hij onder meer voor NRC Handelsblad, Vrij Nederland en De Revisor. In 1990 debuteerde hij als schrijver met ‘Zuidland’. Intussen telt zijn bibliografie ruim twintig boeken. Voor zijn debuut kreeg hij de AKO Literatuurprijs, voor ‘De onderwaterzwemmer’ dePrijs van de Lezersjury van deFintro Literatuurprijs. Thomése woont met zijn vrouw en tweezonen in Haarlem.

Zijn moeder, denkt hij, had het verschrikkelijk gevonden om ‘Vaderliefde’ te lezen. ‘Maar ze had het altijd verschrikkelijk gevonden, ook als het heel positief was. Niet uit ijdelheid, wel uit onver-mogen zichzelf te zien en te accepteren. Dat was een intrinsieke weeffout en een taboe. Moeder- en vaderliefde zijn ook niet toevallig opgenomen in de Tien Geboden. De vadermoord is welbekend via Oedipus, maar de matricide bestaat zeker ook. Alleen snijdt het blijkbaar door de ziel afstandelijke zinnen te lezen over een moeder.’

‘De tragiek van de generaties is dat we elkaar mislopen’, zegt Thomése, zelf 61 en vader van twee zonen van 15 en 13. Veel van het leven van zijn eigen ouders wist hij niet. Op bladzijde 47: ‘Mijn moeder vertelde nooit iets. Lang heb ik gedacht dat ik haar haatte, totdat ik merkte dat ik niet wist wie ik zou moeten haten.’ Dieper, pagina 97: ‘Als kind had ik soms de angst dat mijn ouders niet waren wie ik dacht dat ze waren.’

Ja, vader Frits vertelde de jongen veel verhalen. Ze gingen over andere levens, maar zo geloofwaardig verteld dat hij nu schrijft: ‘Ik heb als kind lange tijd gedacht dat ‘De kleine Johannes’, Frederik van Eedens dromerige kinderboek, dat ik van hem had overgenomen, over hém ging.’

Ik ben door mijn ouders opgevoed, maar soms denk ik dat ik nog meer door boeken, muziek en films ben opgevoed.

Wat was het dan? Waarom al dat verstoppen, zelfs het huis in Haarlem achter struiken en bomen? Waarom trok vader Thomése zich zo terug in zijn schuiloord en zijn hoofd? De oorlog is een antwoord. In een van de dozen vond de schrijver de loyaliteitsverklaring aan de Duitse bezetter die studenten vanaf 1943 moesten ondertekenen. Alleen wie tekende, mocht blijven studeren. Frits Thomése deed dat.

‘Ik was altijd bang dat hij, zoals de meeste mensen, laf was geweest in de oorlog. Misschien niet fout, maar toch niet goed. Mijn vader had die verklaring ondertekend, zoals 20 procent van de studenten. Dat wist ik. Was dat collaboratie? Hij zei van niet: ‘Die bezetter heeft wetten die ik niet erken, dus wat ik onderteken, heeft geen rechtsgeldigheid.’ En ik ga geen verdenking richten op mijn vader. Die was hoofdingenieur-directeur van de Provinciale Waterstaat in Noord-Holland, hij zou zomaar worden afgevoerd naar een concentratiekamp. Dat was mijn vaders verhaal, maar ik vond het niet helemaal overtuigend. Dus ik aarzelde toch toen ik die doos opende.’

Maar er zat opluchting in. Stukken die toonden dat Frits Thomése in het verzet had gezeten en zelfs in een werkkamp in Duitsland.

Je zou denken: daar pakt hij mee uit. Een held!

P.F. Thomése: ‘Dat deed hij niet, en daar ben ik over gaan nadenken. Hij smokkelde veel wapens naar verzetsgroepen en gaf wapeninstructies. Wapens waarmee werd gedood. Misschien vond hij het niet zo prettig zich als mensendoder aan zijn zoon kenbaar te maken. Ik herinner me een scène uit ‘Saving Private Ryan’ waarin een Duitse soldaat een geallieerde doodt, langzaam met het mes in de borst. Dat aankijken is ijzingwekkend. Stél dat je vader zoiets heeft gedaan, zelfs tijdens de oorlog, dat vertel je niet. En hij liet zich moeilijk meedelen.’

Maar dan is het ook vreemd dat hij, die later zijn verleden verstopte, die papieren bijhield.

Thomése: ‘Hij bewaarde alles: schoolschriften, kattebelletjes, bonnetjes. Hij had een pathologische bewaarzucht. Mijn moeder gooide later driekwart weg, maar dit mapje kennelijk niet. ‘B.S. etc.’, had hij erop gezet. Binnenlandse Strijdkrachten. In mijn moeders handschrift stond erbij: ‘Frits 40-45.’ Er zat een getikt briefje bij van een vriend die mijn vaders oorlogsverleden vrijpleitte. Na de dood van mijn vader heb ik met die man gesproken, maar hij zei daar nooit iets over. Zoals niemand van de familie.’

De oorlog was een taboe en een trauma.

Thomése: ‘Ik denk het wel. Verzetsleden hadden ook veel vrijheden en waren zelfs seksueel ontworteld geraakt. Misschien was het iets wat ze later op slot deden en hernam na de oorlog de plicht, alsof er niets was gebeurd.’

En uw vader wilde maar terug naar de jaren voor de oorlog.

Thomése: ‘Zo ben ik opgevoed. Ik kende zijn jeugd beter dan de mijne. Obsessief beschreef hij zijn jeugd en ik groeide met zijn heel oude jeugdboeken op: Robinson Crusoë en ‘De Katjangs’ van J.B. Schuil. Ik vind mijn vader heel tragisch en kan nog altijd in tranen uitbarsten als ik aan zijn leven en zijn lot denk. Vooral vanwege het gemiste. Hij nam de kans niet om te zijn wie hij kon zijn. Bij mijn moeder heb ik dat niet. Ze was een vrouw met een beperkte emotionaliteit en een beperkte uiting ervan, maar ze leefde wel een leven waarmee ze in het reine was.’

‘Tijd begint pas te tellen als hij achter je ligt’, schrijft hij en Thomése bedenkt hoe het leven kon zijn geweest. Op zoek naar flinterdunne schijfjes geluk. ‘Geluk is vluchtig, een moment, een geur. Je vergeet het snel’, zegt hij. ‘Verdriet is iets dat zich veel meer vasthecht. Het is zwaarder en blijft liggen. Geluk is lichter en vliegt zo weg.’ Na het échte afscheid van zijn vader, ontroerend beschreven, bleef spijt. De schrijver had zijn ouders een ander leven gegund. Zelfs zonder hem en zijn drie zussen. Hij vertelt wat hij schrijft: ‘Doe het niet. Verwek ons niet. Behoud de vrijheid.’

In 2002 verscheen ‘Schaduwkind’, Thoméses best verkochte boek, beklemmende gedachten over de dood van zijn zes weken oude dochtertje Isa. In ‘Vaderliefde’ kijkt hij de andere kant van de generaties op. ‘Allebei voelden ze aan als een plicht. Toevallig is uitgerekend op de dag waarop ‘Vaderliefde’ wordt voorgesteld de grafsteen van mijn ouders klaar. Dat is haast symbolisch. ‘Schaduwkind’ was mijn plicht als vader, ‘Vaderliefde’ mijn plicht als zoon. De lezersprijs van de Fintro Literatuurprijs winnen (met zijn roman ‘De onderwaterzwemmer’, red.) geeft toch een andere trots. Dat is eerder het ‘Doelpunt van de Maand’ scoren. Deze twee boeken zijn veel wezenlijker voor mijn bestaan.’

Maar anders dan ‘Schaduwkind’ is dit een verhaal, een levensverhaal dat je meezuigt en waar de schrijver soms zelf mocht invullen. In 2019 zijn verhalen noodzakelijk. ‘Zeker in een wereld vol voldongen feiten, die niet eens zo feitelijk blijken te zijn. Ik denk weleens aan onze kinderen die opgroeien in een apocalyptische samenleving. Door gebrek aan verbeeldingskracht geloven mensen precies dat het al voorbij is. We geraken het vermogen om te speculeren en te fantaseren kwijt.’

‘De milieuvraagstukken worden voorgesteld alsof de wereld één grote gifbelt is. Het zal zeker zorgwekkend zijn, maar ik kan nog altijd gewoon ademen en in het bos wandelen. Sommige dingen zijn erg en niet erg tegelijk. We weten ook dat we doodgaan, maar als je daar elke dag aan denkt, word je depressief. Daarom vind ik het belangrijk dat kunst onze ervaringsvermogens verfijnt.’

Wat bedoelt u daarmee?

Thomése: ‘Ik ben door mijn ouders opgevoed, maar soms denk ik dat ik nog meer door boeken, muziek en films ben opgevoed. Met ouder worden krijg je meer aandacht voor het detail. In een schilderij zie je eerst het werk, later word je geraakt door een verfstreek of een kleurschakering. Met muziek is het net zo. Vijftig jaar ken ik de muziek van Bob Dylan, maar dan blijf ik plots hangen op ‘There’s a woman on my lap and she’s drinking champagne’, een zinnetje uit ‘Things Have Changed’. Zijn teksten zitten er vol mee en voor mij mocht hij dus zeker de Nobelprijs Literatuur winnen.’ (glimlacht) Ik zou willen dat Quentin Tarantino hem ook won.’

‘De eerste keer dat ik iets las wat ik echt schrijven vond, was ‘Nescio’. De eerste film die voor mij geen prentenboek was, maar waarvan ik het gevoel had dat ik naar de binnenkamer van een verrotte geest zat te kijken, was ‘Porcile’ van Pier Paolo Pasolini. En toen ik ‘Blonde on Blonde’ van Bob Dylan hoorde, had ik het gevoel dat ik mezelf zag. Dat bedoel ik met die opvoeding.’

Zijn telefoon gaat. Het is een oude Nokia, jazeker, het zou vandaag moeilijker worden jezelf te verbergen zoals zijn vader deed. Al probeert de schrijver de wereld niet al te dicht te laten komen, eerder uit zelfbescherming (‘de hele dag communiceren en swipen’), al is hij eerlijk en ‘gebruikt’ hij de sociale media van zijn vrouw weleens. En natuurlijk komen Greta Thunberg, Donald Trump en de brexit in deze huiskamer in Haarlem binnen.

Maar we kijken rond, zien op de schouw zijn eigen boekje, een essay met ‘In het echt ben ik een personage’. En dan zien we toch weer dat schilderij van die jongen in Zaltbommel die een vader en een moeder had en die hun levens reconstrueerde in een boek. Met deze zin in gedachten: ‘Mijn verhalen zijn machines die net niet werken. Je kunt je alleen voorstellen hoe ze werken.’

‘Vaderliefde’ van P.F. Thomése is uitgegeven bij Prometheus, telt 256 pagina’s en kost 19,99 euro.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect

Gesponsorde berichten

n