Het ultieme verleidingsspel van B.B. King

B.B. King in 1974. ©BELGAIMAGE

Voor B.B. King was 21 november 1964 een werkdag als een andere. Toevallig werd zijn optreden in Chicago opgenomen. ‘Live at the Regal’ groeide uit tot een van de beste bluesalbums aller tijden.

Tot in zijn laatste levensjaar bleef de blueslegende B.B. King (1925-2015) optreden. Hij hield van het ritme en de routine van het leven on the road. Het bracht brood op de plank, niet onbelangrijk voor iemand die ooit minder dan een dollar per dag verdiende op een katoenplantage. B.B. King moest niet alleen zijn 15 kinderen onderhouden, maar ook het uitgebreide gezelschap waarmee hij de wereld rondtoerde. Met gemiddeld 330 optredens per jaar legde niemand meer kilometers af dan de Blues Boy van Beale Street.

Die waanzinnige aantallen haalde hij op het einde van zijn carrière niet meer. Tijdens zijn laatste passage in België, in 2012 op Gent Jazz en Blues Peer, liet hij grote delen van het concert aan zijn band over. Maar enkele momenten volstonden om een glimp op te vangen van hoe het ooit moet zijn geweest.

Bijvoorbeeld op die 21ste november 1964 in het Regal Theater in Chicago. Dat was toen naast het Apollo Theater in New York, het Howard Theater in Washington DC en de Royal in Baltimore de meest prestigieuze concertzaal voor de Afro-Amerikaanse gemeenschap. Het concert werd opgenomen. De opnames werden de maatstaf voor elke latere bluesperformance. Show- en vakmanschap waren die avond in perfecte symbiose.

King bouwt met zijn onafscheidelijke gitaar Lucille het drama steevast op om het daarna weer in te tomen, een opwindend verleidingsspel van aantrekken en afstoten.

Ontzag

Op zijn 39ste bevond B.B. King zich op het toppunt van zijn kunnen. De grote massa kende hem in 1964 nog niet. Pas later, toen John Lennon en Eric Clapton hun ontzag voor hem uitspraken en The Rolling Stones (en, nog later, U2) hem meenamen op tournee, zou hij een mainstreampubliek aanspreken. Maar in de blueswereld werd hij al langer geroemd om zijn enorme stembereik en inventieve, karakteristieke gitaartechniek. In combinatie met de gave om een publiek op te zwepen en een solide band, die hem aanvuurt maar tegelijk maat en controle houdt, gaf dat vuurwerk.

Die avond in de Regal werd King bijgestaan door een driekoppige blazerssectie met trompet en twee tenorsaxen, bassist Leo Lauchie, drummer Sonny Freeman en 'pianist' Duke Jethro. Die laatste was de vaste organist van de band, maar omdat het orgel stuk was, had King hem opgedragen dan maar piano te spelen. Toen hij hem vertelde dat hij geen piano kon spelen, klonk het: 'Doe maar alsof. Dat doe je anders toch ook.'

Jethro was die avond fenomenaal, al bleef hij erg bescheiden. 'Iedereen deed alsof we iets speciaals verwezenlijkt hadden, maar voor ons was het een avond als een andere', blikte hij ooit terug op het concert. King schreef in zijn memoires ‘Blues All Around Me’: 'Ook al vond ik het een cool optreden, ik heb er waarschijnlijk honderden betere gespeeld. Ik verwelkom alle lof, maar het klonk alsof men me herontdekte, terwijl ik nooit verdwenen was. Ik stond er elke avond, jaar na jaar.'

Give ’em back!

Het was de door de platenmaatschappij ABC-Paramount ingehuurde arrangeur en producer Johnny Pate die King gevraagd had of hij het concert in de Regal wilde opnemen. Die gaf meteen zijn zegen, omdat hij wist dat zijn set erg strak zou zitten. De zanger beschouwde de zaal zowat als zijn repetitiehok. Hij had er al zo vaak gespeeld, telkens voor een ander publiek, dat hij er zijn show had kunnen bijschaven. Geopend werd toen steevast met ‘Every Day I Have the Blues’, een klassieker van Memphis Slim, waarna het volgens de bandleden alle kanten uit kon.

Tiny Legs Tim: 'Alles zat goed die avond'

'Toen ik B.B. King die laatste keer op Gent Jazz zag, was ik vooral in de ban van de vroege akoestische blues', zegt de Belgische bluesmuzikant Tim de Graeve, alias Tiny Legs Tim. 'Kings meer virtuoze, professionele blues met blazers ben ik pas later beginnen te appreciëren, onder meer dankzij ‘Live at the Regal’.

Volgens de huisgitarist van de Gentse bluesclub Missy Sippy is ‘Live at the Regal’ het organisch gedistilleerde resultaat van avond na avond je show perfectioneren. 'En toch gaf King je als toeschouwer het gevoel dat hij dit voor het eerst deed. De dynamiek van de band, de bindteksten, de volgorde van de nummers: alles zat die avond goed. Briljant hoe hij op de A-kant met één slag van de ene slow blues overspringt naar de andere en direct een andere sfeer neerzet, of op de B-kant in ‘Worry, Worry’ maar een paar noten nodig heeft om het publiek te doen krijsen. Hij is zo'n zeldzame artiest die je ook tussen 2.000 man het gevoel kon geven dat hij alleen voor jou aan het zingen was. En dan te bedenken dat je zijn show niet eens kan zien. In 1964, toen er amper tv-shows waren, moet het een ongelooflijke ervaring geweest zijn.'

The sound of 1964

'We hadden geen idee welk nummer B.B. daarna zou inzetten, noch van de toonaard waarin hij dat zou doen, maar het geheim van de band was dat we er altijd in slaagden hem te volgen', lichtte Jethro het verloop van de avond toe. Met ‘Sweet Little Angel’ en ‘My Own Fault’ werd het tempo wat vertraagd, om in ‘How Blue Can You Get?’ naar een eerste climax te groeien. 'Er kwam altijd veel respons op dat nummer, maar die avond was het publiek echt hot', zei hij later.

Plaagstoten

De tweede vinylkant bouwt voort op de klik die de frontman heeft met zijn publiek. Er volgen solo’s en meer plaagstoten richting fans. King bouwt met zijn onafscheidelijke gitaar Lucille het drama steevast op om het daarna weer in te tomen, een opwindend verleidingsspel van aantrekken en afstoten. Omdat er geen beelden bewaard zijn gebleven, moet je er de mimiek en de gebaren wel zelf bij verzinnen.

De originele liveplaat klokt af onder 35 minuten, maar intussen zijn wel alle emoties de revue gepasseerd. De sporadische kritiek als zou King het allemaal iets te glad spelen en daarmee de rauwe, ongepolijste blues oneer aandoen, is irrelevant. Want waarom zou een artiest die zo meesterlijk focust en doseert geen authentieke bluesman kunnen zijn? Het publiek smult er alleszins van tot op het einde.

Overtuigd door ‘Live at the Regal’? Probeer dan ook deze liveklassiekers.

Muddy Waters, ‘At Newport 1960’

Deze invloedrijke festivalpassage van de vader van de moderne Chicagoblues wordt vaak beschouwd als het eerste echte live bluesalbum. Opmerkelijk: de elektrische band van Waters had diezelfde dag ook al de concerten van zijn pianist Otis Spann en John Lee Hooker begeleid.

Buddy Guy, ‘This is Buddy Guy!’ (1968)

Voor wie zijn blues wat hoekiger lust dan B.B. King, is deze guy de man. Vergezeld van een liefst zevenkoppige blazerssectie toont hij zich in de New Orleans House in Berkeley, Californië ook een geweldige liveperformer. Met een fantastische bluesversie van de sixtieshit ‘Knock on Wood’.

B.B. King, ‘Live in Cook County Jail’ (1971)

Weinig artiesten hebben twee beroemde liveplaten op hun palmares, maar wat King in de nor van Chicago opnam, kan zo naast de legendarische concerten die Johnny Cash in Folsom Prison en San Quentin gaf. Inclusief ‘The Thrill Is Gone’, dat zijn internationale doorbraak zou betekenen.

Eric Clapton, ‘Just One Night’ (1979)

Slowhand speelde ‘Live at the Regal’ vaak voor hij het podium op moest. Deze dubbelaar, ingeblikt in het Budokan Theater in Tokio, telt maar vier originelen. Maar op uitgesponnen covers van bluesiconen Robert Johnson en Otis Rush strooit Clapton straffe solo’s en improvisaties in het rond.

Stevie Ray Vaughan & Double Trouble, ‘Live at Montreux 82/85’(2001)

De beste bluesgitarist van de jaren 1980 was gek op Lucille. Werd SRV met zijn onbekende band in 1982 op een Zwitsers jazzfest nog uitgejouwd wegens te luid, in 1985 was hij er de held. Dat was na zijn beroemde solo op ‘Let’s Dance’ van David Bowie… die hij in 1982 in Montreux ontmoet had.

.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud