interview

‘Ik was een adelaar in een parkietenkooitje’

©Brecht Van Maele

Dankzij het vioolconcerto van Ludwig von Beethoven werd Jaap van Zweden een topviolist. Intussen is de Nederlander een topdirigent en leidt hij het befaamde New York Philharmonic-orkest. Maar onlangs dirigeerde hij nog eens op een podium in Antwerpen. Een gesprek over applaus, autisme en Ajax.

Hoog op het eerste balkon in de Koningin Elisabethzaal in Antwerpen kunnen we welgeteld vier seconden genieten van het tweede pianoconcerto van Ludwig von Beethoven. Dan legt maestro Jaap van Zweden (60) de repetitie een eerste keer stil. Glimlachend maar gedecideerd legt hij de musici van het Antwerp Symphony Orchestra uit hoe mezzo pianissimo voor hem moet klinken. Bij de zoveelste onderbreking richt hij zich tot de violisten: ‘Ik zie jullie denken: waarom doet hij dit?’ Hij geeft zelf het antwoord. ‘Het gaat om de laatste 5 procent, beste mensen. Als die goed zit, gaan jullie veel meer genieten van het concert.’

Jaap van Zweden (60) werd in Amsterdam geboren. Op zijn vijfde begon hij viool te spelen. Op zijn zestiende won hij het prestigieuze Nationaal Vioolconcours Oscar Back. Daarna trok hij naar New York om te studeren aan de Juilliard School.

Van 1979 tot 1995 was Van Zweden concertmeester bij het Concertgebouworkest van Amsterdam. Daarna begon zijn dirigentencarrière. Die bracht hem in 2008 naar Antwerpen, waar hij vier jaar lang de toenmalige deFilharmonie leidde. Hij was tegelijk chef- dirigent bij het Dallas Philharmonic Orchestra, tot 2018.


Vandaag is Van Zweden chef- dirigent van de New York Philharmonic en het Hong Kong Philharmonic Orchestra. Samen met zijn vrouw richtte hij Papageno op, een stichting die muziektherapie voor autistische jongeren aanbiedt.

Niemand verliest er zijn humeur bij. Het is een blij weerzien tussen het orkest en zijn vroegere chef. Van Zweden leidde deFilharmonie, zoals de naam toen klonk, tussen 2008 en 2012. De nieuwe Koningin Elisabethzaal bestond toen nog niet. ‘We speelden vaak in verschillende steden in Vlaanderen. Dat was weleens frustrerend, omdat ik telkens op zoek moest naar een nieuwe klankbalans voor het orkest. Wat je had ingestudeerd, klopte vaak niet meer’, zegt hij na de repetitie in een salonnetje voor zijn loge.

Als we zeggen dat de muziek ons emotioneerde, zegt hij: ‘Daar ben ik blij om. Ik geniet ook van deze week, hoor. Ik merk dat het orkest snel weer de klanken oppikt die ik voor ogen heb. Die zijn voor elke dirigent anders. Philippe Herreweghe, die vaak voor dit orkest staat, heeft een wat zachte en transparante klank in het orkest geslepen die perfect past bij de muziek van Bach. Beethoven en Tsjaikovski, waarvan we op het concert de vijfde symfonie spelen, behoeven een andere klank.’

Van Zweden behoort tot kransje van absolute topdirigenten. Sinds 2018 leidt
hij de befaamde New York Philharmonic, waar hij zich een opvolger mag noemen van legendarische dirigenten als Gustav Mahler, Arturo Toscanini, Pierre Boulez en
Leonard Bernstein. En dan is hij tot 2022 ook nog eens de baas van het Hong Kong Philharmonic Orchestra.

De pandemie betekende een grotecesuur in het leven van Van Zweden. ‘In maart kwam ik terug naar Nederland. En ik ben er nog steeds. Voor iemand die het
gewend is van het ene vliegtuig in het andere te stappen, is dat wennen. Allicht vertrek ik over anderhalve maand weer naar New York. Ik heb covid gehad, hoor’, voegt hij er haast achteloos aan toe. ‘In november. De symptomen vielen mee. Ik was
verkouden en ’s avonds had ik last van rillerigheid. Dat was het.’

Mist u de muziek in uw leven?

Jaap van Zweden: ‘Kent u dat verhaal van de zenmeester? Die was altijd op reis. Op een dag belt zijn vrouw. Ze vraagt: ‘Mis je me?’ Hij antwoordt: ‘Als ik eraan denk.’ Zo is het met de muziek ook. Ze zal altijd in mij zitten, en ik pik ze zo weer op. Maar de voorbije maanden lag de muziek stil. In het begin dacht ik: ik ga opnieuw vioolspelen. Uiteindelijk toch niet. Daarna dacht ik: ik ga een stuk componeren. Ook niet.’

En toen?

Van Zweden: ‘Toen werd ik op een ochtend wakker en zag ik mezelf in de spiegel.
Wat ik zag, stond me niet aan. Mijn dikke buik. Ik heb daar en toen beslist aan mijn lichaam te werken. In zes maanden tijd verloor ik 30 kilogram. Ik heb als een bezetene getraind. Ik dacht: waarom kan ik de discipline die ik voor de muziek aan de dag leg niet voor mijn lichaam aanwenden? Ik volg zelfs bokstraining nu.’

Laat u zich op uw zestigste voor het plezier op uw gezicht slaan?

Van Zweden: ‘Het gaat om de training. Die is behoorlijk intensief. Het is wat anders dan een rondje lopen in het park. Ik let nu ook op wat ik eet. (wijst op een stapeltje witte boterhammen die voor hem staan) Ik eet nooit meer wit brood. Deugt niet. Het vult de maag maar heeft geen enkele voedingswaarde. Ik ben een gezonder mens geworden. Het was niet dat het helemaal slecht was. Ik heb nog nooit in mijn leven een sigaret gerookt of een glas alcohol gedronken.’

De AVRO draaide drie jaar geleden een zesdelige documentaire over u. U bezocht nogal wat recepties en netwerkfeestjes in de VS, toen u chef-dirigent was in Dallas. En nooit gedronken?

Van Zweden: ‘Toch geen alcohol. Het is geen verdienste, hoor. Ik lust het gewoon niet.’

In zijn jonge jaren was Van Zweden een topviolist. Maar het woord wonderkind wuift hij weg. ‘Al kan ik nu wel zeggen dat ik erg goed was, ja.’ Hij studeerde onder meer aan de befaamde Juilliard School in New York. Op zijn 19de werd hij de jongste eerste concertmeester, de kapitein van een orkest, bij het Koninklijk Concertgebouworkest in Amsterdam. En toen borg hij zijn viool op en werd hij dirigent. In 1997.

©Brecht Van Maele

Was dat een natuurlijke evolutie?

Van Zweden: ‘Eigenlijk niet. Ik was helemaal gefocust op mijn vioolcarrière. Niets wees erop dat ik dirigent zou worden. Van de ene op de andere dag heb ik dat beslist. Ik was er met mijn 37 al relatief oud voor. In Amerika zeggen ze dan: ‘You’ve got balls.’ Mijn vader was in alle staten. ‘Mijn God, Jaap, wat doe je? Wat met je pensioen?’ Ik zei: ‘Vader, ik leef niet voor mijn pensioen, ik leef voor de muziek.’ Ik zat al zo lang in het orkest. Ik moest uitbreken.
Ik voelde me als een adelaar in een parkietenkooitje.’

Via enkele tussenstations, waaronder Antwerpen, bent u uiteindelijk bijde New York Philharmonic geraakt. Hoe gebeurt dat? Is dat lobbyen?

Van Zweden: ‘Die procedure heeft drie jaar in beslag genomen. Er zijn twee grote beslissingsentiteiten: de raad van bestuur en het orkest. Die hakken samen de knoop door. Ik denk dat we met vijftig aan de start stonden. Dan begint de afvalrace. Elke kandidaat heeft een keer het orkest gedirigeerd. Bij elke ronde werd je opnieuw gewogen, tot je met drie overblijft. En dan nog eentje. Dat was ik. Het was wel een uitdaging, hoor. Ik was niet de kandidaat van The New York Times. Dan moet je je dubbel bewijzen, zeg maar. En daar hou ik wel van.’

Wij zouden er zenuwachtig van worden.

Van Zweden: ‘Waarom? Je wordt toch alleen maar zenuwachtig als je iets moet doen dat je niet kan? Of je wordt zenuwachtig als je beter wil presteren dan je normaal doet. Moet je niet doen.’

Is dat Hollandse nuchterheid?

Van Zweden: ‘Nuchterheid? (denkt na) Ik zou het eerder realiteitszin noemen. Het gaat om de manier waarop ik in het leven sta. Stel, je bent een student op school en je wil een tien op wiskunde halen. Dan moet je vooral nooit aan die tien op tien denken. Maar aan je liefde voor wiskunde. Dan komt die tien vanzelf naar je toe. Zo ben ik chef-dirigent van de New York Philharmonic geworden.’

Er zijn wat schandaaltjes geweest met dirigenten de voorbije jaren.

Van Zweden: ‘Ja, dat is niet zo best. In al die verhalen zijn er alleen maar verliezers. Iedereen kan een misstap maken, maar het mag niet gebeuren. Verder weet ik van al die zaken niet het fijne. Als dirigent mag je enkel je macht gebruiken om het orkest naar een topprestatie  te leiden. Niet voor persoonlijke doeleinden. Er is veel veranderd de voorbije jaren in de relatie tussen dirigent en orkest. Leonard Bernstein zou nu niet meer wegkomen met zijn gedrag tegenover vrouwen. Zeker weten. Ik zag onlangs een repetitie met Toscanini. Die schold het orkest verrot. Wie dat nu doet, wordt per direct ontslagen. Ik juich dat toe. Een dirigent moet zijn autoriteit halen uit zijn kennis van de muziek. Niet uit scheldpartijen. Je moet als dirigent goed beseffen dat jouw power voor jou zit. (Slaat de maat, 4/4). Hoor je iets? Nee, hé. Zonder muzikanten ben je niets.’

Als u zoals deze week in Antwerpen werken van Beethoven en Tsjaikovski dirigeert, zoekt u dan naar een band met die componisten?

Je wordt zenuwachtig als je beter wil presteren dan je normaal doet. Moet je niet doen. De ervaring heeft me geleerd dat een topsfeer op het podium ook van grote waarde is voor het concert.

Van Zweden: ‘U bedoelt of het belangrijk is voor de muziek om de persoonlijkheid en het gedrag van de componist te kennen? Dat is een goede vraag. Ik weet dat niet. Beethoven werd door elke huisbaas uit zijn appartement gezet omdat hij de huur niet kon betalen. En zijn avontuurtjes met vrouwen zijn ook niet onbesproken. Maar doet dat iets af aan de kwaliteit van zijn muziek?’

‘Ik was zeven - ik speelde al een heel klein beetje viool - toen ik helemaal werd gegrepen door Beethovens vioolconcerto. Dat maakte een onvoorstelbare indruk op
mij. Diepe emoties. Maar ik wist niks van Beethoven. Echt niks. Zelfs niet dat hij
doof was. Begrijpt u. De muziek kan ook op zich staan.’

Bent u verslaafd aan applaus?

Van Zweden: ‘Nee. Totaal niet.’

Dus u vindt het niet erg dat er voor het concert morgen geen publiek in de Elisabethzaal  zit.

Van Zweden: ‘Dat is iets anders. Een concert is communicatie. ‘A love affair’, zoals we zeggen in New York. Dat is er nu niet. Dat is niet leuk. Applaus is voor mij slechts een gedeeltelijke graadmeter. Ik onderschat het publiek helemaal niet. Maar soms lijk ik de enige in de zaal, orkest inbegrepen, die foutjes hoor. Nou, foutjes zijn het nooit echt. Het gaat om passages die juist zijn maar toch beter kunnen. Dan lig ik daar wel van wakker, ja.’

Blijft u dan lang chagrijnig?

Van Zweden: ‘Ik ben niet chagrijnig. Ik lig wakker omdat ik nadenk over hoe we die bewuste passages in de toekomst beter kunnen spelen. Het gebeurt niet altijd. Soms stap ik in mijn auto en laat ik het los.’

Maakt het een verschil welk orkest u dirigeert? De lat voor de New York Philharmonic ligt misschien iets hoger dan voor het Antwerp Symphony Orchestra?

Van Zweden: ‘Nee, natuurlijk niet. Dit orkest is ook top. En als het dat niet is, dan maak ik er wel een toporkest van. Heb ik altijd gedaan. Er is niets zo gemakkelijk voor een dirigent als musici te vervangen. Dat is geen kunst. Het is wel een kunst om muzikanten beter te maken. Dat verwachten ze ook van een dirigent.’

‘Ik hou ervan iedereen te omarmen en te zeggen waaraan we samen gaan werken. Het gevaar is dat als je zo in detail treedt en bijna individueel per persoon en per instrument werkt, de mensen kritiek persoonlijk gaan opvatten. Daar ben ik in het verleden weleens...’

©Brecht Van Maele

In doorgeschoten?

Van Zweden: ‘Precies. Niet dat mijn kritiek an sich persoonlijk werd. Maar ik bleef maar kleine details horen die ik niet goed vond. Daar ben ik milder in geworden met de jaren. De ervaring heeft me geleerd dat een topsfeer op het podium ook van grote waarde is voor het concert.’

Van Zwedens derde zoon Benjamin heeft autisme. Met zijn vrouw Aaltje van Buuren - ze hebben vier kinderen - richtte hij de Stichting Papageno op, die met muziektherapie autistische kinderen helpt.

‘Benjamin sprak tot zijn zevende geen woord. Niets. Mijn vrouw en ik zongen liedjes voor hem. ‘Kortjakje’ en zo. Op een dag vergat mijn vrouw het laatste woord te zingen. Benjamin was in alle staten. Boos. Toen dachten wij: hey, hij begrijpt ons wel. We zongen het opnieuw en hielden onze hand op onze mond bij het laatste woord. Hij werd weer kwaad. Toen wisten we: we hebben hem. We zeiden: ‘Benjamin, we zingen het liedje op voorwaarde dat jij het laatste woord zegt.’ En dat deed hij. Zo zijn we stap voor stap verder gegaan. Een woord, twee woorden, drie woorden. Nu spreekt hij zelfs Engels.’

‘Met de muziektherapie zijn we verder gegaan. In ons Papageno Huis in Laren komen dagelijks vijftig tot zestig jongeren over de vloer. Op termijn willen we in elke provincie in Nederland zo’n huis oprichten. We werken met 35 muziektherapeuten. Autistische mensen kunnen moeilijk direct contact leggen. Iemand in de ogen kijken, bijvoorbeeld.  Via de muziek maken we wel een verbinding: een therapeut speelt op een trommeltje, het kind reageert via zijn trommeltje. Zo leert het contact te maken met anderen.’

Was het voor u moeilijk het autisme van uw zoon te aanvaarden? Veel ouders gaan door een ontkenningsfase.

Van Zweden: ‘Wat is, kan je moeilijk ontkennen. Het is wel een confrontatie met jezelf. Alsof Onze-Lieve-Heer zei: ‘Van Zweden, je denkt dat je alles voor elkaar hebt  in het leven, kijk dan maar eens hoe je hier mee omgaat. Deal with it.’’

‘Ik heb me nooit afgevraagd: waarom ik? Mijn vrouw en ik hebben het geaccepteerd en zijn snel aan het werk gegaan om het leven voor hem zo gemakkelijk en aangenaam mogelijk te maken. Dat is een enorme weg die je bewandelt. Met tranen soms, dat verheel ik niet. Maar de Stichting en wat we voor andere autistische jongeren doen, heeft ook verlichting gegeven. De loden last kreeg vleugels en is daardoor gaan vliegen. Begrijpt u?’

‘Voor ons was het meteen duidelijk dat we niet alleen voor onze eigen zoon zouden zorgen, maar ook voor andere autistische kinderen. Zo staan mijn vrouw en
ik in het leven. Of er een hemel is met een man met een lange baard weet ik niet. Ik weet wel dat na het leven nog iets volgt.
Je zal er worden beoordeeld op wat je in het leven aan anderen hebt gegeven. Niet op wat je hebt gekregen.’

‘In het omgaan met autistische mensen moet je als een detective op zoek naar hun sociale vaardigheden. Dat werkt alleen als je een happy detective bent, zoals ik dat noem. Als ik Benjamin benader met mijn frustraties omdat hij niet het perfecte
plaaatje is, slaat hij tilt. Die ingesteldheid hebben mijn vrouw en ik niet van de eerste dag gekregen, hoor. We zijn een tijd naar een psychiater geweest om te leren hoe we moeten omgaan met autisme.’

‘Het was alsof Benjamin zei: ‘Als jullie contact met mij willen, moeten jullie eerst maar eens goed naar julliezelf kijken.’ Dat was ook voor ons als koppel belangrijk.
75 procent van de echtparen met een gehandicapt kind scheidt. Dat wilden we absoluut niet. Het is ook niet gebeurd, daarvoor houden we te veel van elkaar.’

Even iets heel anders nog. Kent u Noa Lang?

Van Zweden: ‘Natuurlijk! Hij is een sensatie in België, hè. Hij zal overal een sensatie zijn. Geloof me maar. Ajax heeft hem veel te vroeg verkocht. Ik snap niet dat die trainer van ons niets in hem zag. Ik ben al heel mijn leven supporter van Ajax. Ik betaal elk jaar mijn contributie, ik huur twee businessseats voor mijn zonen.’

Belgische spelers die ooit bij Ajax speelden, moesten zich altijd aanpassen aan de Amsterdamse directheid. Meteen zeggen waar het op staat. Dat zijn we hier niet gewend.

Van Zweden: ‘Dat snap ik. Er is helemaal niets mis met zeggen waar het op staat. Dat doe ik op een repetitie ook. Maar je mag niet doorschieten. Je kan ook te vroeg zeggen waar het op staat. Dat is precies wat met Lang is gebeurd. Ajax denkt het altijd beter te weten, maar die bravoure gaat de club nog slecht bekomen. Het zit in het karma van Ajax dat die Lang tegen ons ooit nog een paar doelpunten gaat maken. Dat weet iedereen nu al. Maar ik val mijn cluppie niet af, hoor. Gisteren toch maar weer gewonnen tegen PSV. Ik heb het gezien. Natuuuuurlijk.’

U mist geen wedstrijd op televisie?

Van Zweden: ‘Bijna nooit. In New York repeteren we tot één uur ’s middags. Dan ben ik net op tijd thuis, tegen halfdrie, wanneer Ajax zijn Champions League-matchen speelt, Amerikaanse tijd. En daarna is het concerttijd. Elke dag, vijf dagen in de week, voor 3.000 man per avond. Benieuwd wanneer dat weer kan.’

Het concert van het Antwerp Symphony Orchestra onder leiding van Jaap van Zweden wordt op vrijdag 5 maart uitgezonden op Podium 19.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud