Jeff Tweedy, het open boek

©Whitten Sabbatini

De zanger-gitarist van het stilaan legendarische Wilco komt met een nieuwe soloplaat, maar vooral ook met een openhartige en hoogst vermakelijke autobiografie. Eindelijk komen we te weten wie Jeff Tweedy echt is.

Jeff Tweedy (51) maakte met zijn band Wilco de voorbije kwarteeuw tien albums, waarvan ‘Yankee Hotel Foxtrot’ (2002) als het meesterstuk wordt beschouwd en de dubbele liveplaat ‘Kicking Television’ (2005) als de ultieme registratie van de weergaloze concerten. In de muziek kan je The Beatles horen, maar evengoed Bob Dylan en traditionele americana à la Woody Guthrie, en op momenten dat de gitarist losbarst zelfs de noise van Sonic Youth.

Tweedy is zijn moeder nog altijd dankbaar voor de gitaar die hij op zijn zesde kreeg, ook al was het instrument technisch ‘a colossal piece of shit’.

Te midden van die muzikale rijkdom is Tweedy altijd een wat raadselachtig personage gebleven. Hoe diep doorvoeld, authentiek en eerlijk de muziek ook klinkt, over de componist en vertolker kom je weinig te weten. Tweedy’s teksten zijn in die mate hermetisch dat ze vooral bijdragen tot de mythevorming rond zijn persoon. Dat is ook weer zo op zijn nieuwe soloplaat ‘WARM’, met zijn oudste zoon Spencer achter de drums. De vergankelijkheid van het leven waait melodieus voorbij, maar elke verwijzing naar het ware leven blijft cryptisch.

Maar nu is er dus de autobiografie ‘Let’s Go (So We Can Get Back)’. Het boek bulkt van de openhartige en verrassend grappige verhalen over zijn jeugd, zijn muziek en de muizenissen in zijn hoofd. We kunnen ons niet herinneren dat we ooit zo hard hebben moeten lachen met een boek van een rockmuzikant. Terwijl het toch constant gaat over de pijn van het zijn: de dood van zijn ouders (vorig jaar stierf zijn vader aan longkanker), de kanker van zijn vrouw Susie, zijn eigen verslaving aan pijnstillers. Gelukkig passeren ook een rist hilarische anekdotes uit zijn muziekcarrière de revue.

Tweedy schrijft onbeschroomd en op warme toon over het milieu waaruit hij komt. Al op de tweede pagina kom je te weten dat zijn geboorte in het stadje Belleville, zo’n 450 kilometer onder Chicago, niet was voorzien: ‘Ik weet niet zeker of mijn ouders van plan waren mij te hebben. Ik heb verschillende versies gehoord. Veruit het populairste verhaal was dat ik een ongelukje was.’

Zijn vader werkte als monteur bij een spoorwegbedrijf, en ook zijn twee broers vonden een baan bij de spoorwegen. Jeff was als jongste van de vier kinderen een nakomertje. Zijn zus, de oudste, was 15 jaar ouder. Zijn ouders legden hem weinig grenzen op. ‘Wellicht’, zo schrijft hij zonder wrok, ‘omdat ze toen ik kwam het opvoeden al kotsbeu waren.’ Bovendien hadden zijn vader en moeder andere beslommeringen: ze waren problematische drinkers. Vooral zijn vader was ‘a lifetime drinker’.

JEFF TWEEDY IN VIER ALBUMS

‘Yankee Hotel Foxtrot’ (2002)

De platenfirma weigerde deze plaat uit te brengen omdat er te weinig hits op stonden. Maar de band vertikte het de songs aan  te passen en werd van het label  gesmeten. ‘Yankee Hotel Foxtrot’ verscheen alsnog via het internet, en wordt nu algemeen gezien  als Wilco’s meesterwerk. 

‘Kicking Television’ (live in Chicago) (2005)

 Live brengt Wilco zijn epische countryrock altijd op het scherp van de snee. Getuige ‘Misunderstood’ en ‘Ashes of American Flags’ op deze magistrale concertregistratie in Chicago.

‘Sky Blue Sky’ (2007)

Uitgebalanceerde plaat vol jazzy countryrock, intieme americana en bluesy rock. Publiekslievelingen: ‘Hate it Here’ en ‘Impossible Germany’.

‘Sukierae’ (2014)

Een soloplaat met zijn 18-jarige zoon Spencer. Diens jongere broer Sammy zat in de studio achter de knoppen. De geestvan hun moeder, bij wie in die periode een zeldzame vormvan kanker werd vastgesteld, waart rond op de plaat.

Maar al bij al toont Tweedy zich erg vergevingsgezind. In ‘Let’s go’ rijgt hij aandoenlijke anekdotes aaneen over zijn hulpeloze ouders die toch het beste met hem voorhadden. Hij is zijn moeder nog altijd dankbaar voor de gitaar die hij op zijn zesde kreeg, ook al was het instrument technisch ‘a colossal piece of shit’. Zijn vader jatte de eerste platenspeler van het gezin op zijn werk, zoals er thuis wel meer goederen rondslingerden die ‘van de trein waren gevallen’.

Zonder voorschrift

Het motief voor de vergevingsgezindheid in ‘Let’s Go’: de appel viel niet ver van de boom. Ook Tweedy heeft hard moeten vechten tegen de verlokkingen van alcohol en pijnstillers, een gevolg van familiegerelateerde ziektes als angstaanvallen en depressies. Ook daarover schrijft hij onbeschroomd, in een hoofdstuk met afwisselend burleske passages en indringende beschouwingen over zijn eeuwig wankele state of mind en het schuldgevoel tegenover zijn vrouw en zijn kinderen.

Het hoogtepunt van Tweedy’s verslaving liep parallel met de eerste successen van Wilco. Hij kreeg plots een voorkeursbehandeling bij een apotheker die een enorme fan was. Eerst gaf die hem meer pijnstillers dan zijn dokter had voorgeschreven, gaandeweg had de verslaafde zanger geen voorschrift meer nodig en werden de pijnstillers aan huis geleverd.

Uiteindelijk overwon Tweedy zijn verslaving na twee maanden ontwenningskliniek. Uit het boek blijkt verder dat hij 23 was toen hij stopte met drinken. Die radicale beslissing volgde op de split van zijn eerste band Uncle Tupelo. In die tijd liep hij continu stomdronken rond. Na een benevelde flirt met de vriendin van een bandlid trok die de stekker uit de groep. Tweedy beschrijft de breuk met bijtende zelfspot die een groot schuldbesef verraadt.

Wilco ontstond in 1994 uit de as van Uncle Tupelo. Tweedy vervlecht overpeinzingen over de groei van de groep en de twijfels die met het succes gepaard gingen, met de interne keuken van zijn huwelijk. Zo mag je als lezer mee naar de huwelijkstherapeut die Jeff en zijn vrouw Susie consulteerden. Uit die sessies, en uit alle andere passages over hun relatie, blijkt dat als een van beide partners een standbeeld verdient, het de vrouw in de schaduw is.

Behalve misschien op de nieuwe soloplaat ‘WARM’, en op het eerdere album ‘Sukierae’ dat Tweedy met zijn zoons maakte, was zijn liefde voor Susie nooit het onderwerp van zijn songs. Zo schrijft hij gloedvol: ‘Wat ik voel voor Susie, de manier waarop ze van me houdt en me heeft veranderd, dat valt met geen woorden te beschrijven in een popliedje.’

Tweedy neemt in ‘Let’s Go’ uiteraard ook ruim de tijd voor reflecties over zijn muziek. Songschrijven is voor hem een therapeutische manier om uit zichzelf te treden. ‘Ik schrijf voor mezelf, ik doe alsof het publiek er niet is en er nooit zal zijn. Zo kan ik versies van mezelf verzinnen die vele malen beter, of afschuwelijker, zijn dan de echte Jeff.’ En: de diepere emoties zitten verborgen in de melodieën, niet noodzakelijk in de teksten. ‘Melody is king.’

Zoals wel meer artiesten maakt Tweedy kunst omdat hij een lijdende mens is. ‘Ik denk niet dat mensen hun geluk en vreugde registreren. Dat gaat gewoon voorbij, het is perfect en geweldig, en je voelt je er dankbaar voor. Maar als we pijn of trauma ervaren, zijn we ons pas echt scherp bewust dat er iets mis is. We willen antwoorden. Waarom gebeurt dit met mij? En hoe geraak ik ervan af?’

In Tweedy’s geval: door erover te schrijven. ‘If I die, don’t bury me. Take my books and my magazines. Take my photographs, of you and me. Everything I won’t need’, zingt hij op ‘From Far Away’, het mooiste nummer van zijn nieuwe soloplaat.

De autobiografie ‘Let’s Go’ van Jeff Tweedy is een uitgave van Penguin/Dutton. Het album ‘WARM’ is verschenen bij Warner Music/dBpm Records. Op 12 en 13 juni speelt Wilco in de AB in Brussel.

PLaylist: The best of jeff tweedy

 

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud