Twee zeikerds uit de Engelse Midlands

©Gonzales Photo/Terje Dokken

Woodstock 50 | Het muziekfestival Woodstock was in 1969 het hoogtepunt van de tegencultuur. Welke toegewijde, gewetensvolle of tegendraadse band of artiesten mag u deze zomer niet missen op onze festivals?

Lees de volledige reeks

Naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van Woodstock gaat De Tijd deze zomer op zoek naar de tegencultuur van nu.

Welke bands mag u niet missen op de podia van Belgische festivals? Dat ontdekt u in het dossier 'Woodstock 50'.

Al enkele jaren jaagt Sleaford Mods, een duo uit het brexitheartland Nottingham, het conservatieve establishment op de kast met een tirade tegen het uitzichtloze bestaan van de Britse arbeidersklasse. Een rechtse tabloid telde ooit het aantal ‘fucks’ en ‘cunts’ op hun album ‘Key Markets’, genoemd naar het winkelcentrum waar frontman Jason Williamson (48) als puber rondhing zonder iets te kunnen kopen. Het waren er meer dan vijftig.

Sleaford is een stadje ten westen van Nottingham in de Engelse Midlands. ‘Mods’ verwijst naar de dansbare en blijmoedige Mod-cultuur. Denk aan The Who, scooters, pakken met sixtiessnit en parka’s. Al hoor je dat niet in hun muziek. Die kan je hiphop noemen, maar hun benadering - woest, ongelikt en in working class-Engels gezongen - doet de meter meer overslaan naar punk. Williamson zingt en tiert op dezelfde opruiende toon als Mark E. Smith, de sarcastische frontman van de Britse postpunkhelden The Fall. Voeg daar een streepje garagehiphop van The Streets aan toe, en je hebt de gestripte elektropunksound van Sleaford Mods.

De heren van Sleaford Mods zijn laatbloeiers. Williamson modderde tot diep in zijn dertiger jaren aan bij enkele gitaargroepjes, en was even sessiemuzikant bij de psychedelische rockband Spiritualized. Sleaford Mods bestaat sinds 2007, maar brak pas echt door toen Andy Fearn erbij kwam in 2012. Williamson had hem zien deejayen in een nachtclub in Nottingham en voelde dat diens droge en ontregelende elektronica voortreffelijk zijn venijnige teksten zou onderschragen. Hun gezamenlijke debuut ‘Austerity Dogs’ (2013) stond bol van de poëtische verontwaardiging over oppervlakkigheid in de popcultuur, het gewetenloze kapitalisme en de eigenbaat van nogal wat Britse politici. ‘I work my dreams off for two bits of ravioli / And a warm bottle of Smirnoff / Under a manager that doesn’t have a fuckin’ clue’, raasde Williamson op ‘Fizzy’.

Live is Sleaford Mods enig in zijn soort. Het concept is simpel in zijn dodelijke efficiëntie. Williamson schreeuwt zijn verzen uit met een boze energie die behalve Mark E. Smith ook de Britse punkdichter John Cooper Clarke in herinnering roept. Naast hem staat Fearn achter zijn drumcomputer - pet op het hoofd, bierflesje in de rechterhand. Zijn linkerhand haalt hij enkel uit zijn broekzak om op een knop de drukken, een serieel komische handeling bij elk nieuw nummer. Het is niet alleen een behoorlijk onorthodox zicht, maar ook een wenk naar de sérieux van veel popsterren. Maar de boosheid over de maatschappelijke ongelijkheid, die is echt, zelfs nu de twee zo succesvol zijn dat ze van hun tegendraadse elektropunk kunnen leven. ‘Ik ben een zeikerd’, zei Williamson ooit in de Volkskrant. ‘Ik erger me snel en als ik eenmaal loop te mekkeren, weet ik van geen ophouden. Het is een Engelse sport: moaning.’

Sleaford Mods speelt op 12 juli op Rock Herk.

Beluister de muziek uit de reeks

 


Lees verder

Advertentie
Advertentie