interview

'Na dertig jaar voel ik me nog steeds een migrant in dit land'

©Saskia Vanderstichele

De Iraans-Belgische actrice Sachli Gholamalizad maakt theater over haar dubbele identiteit. Haar nieuwe voorstelling draait rond een pijnlijke erfeniskwestie van haar Iraanse familie. ‘Het is overal wel iets.’

Vijf jaar was Sachli Gholamalizad toen ze in 1987 met haar moeder en twee broers vanuit Iran naar België vluchtte. Terwijl het Irak van Saddam Hoessein een bloedige oorlog uitvocht tegen Iran, wachtte de familie van Sachli in haar nieuwe ‘thuis’ in Antwerpen op vader Gholamalizad. Die kwam uiteindelijk pas twee jaar later.

Het duurde tot haar twintigste alvorens Sachli voor het eerst naar Iran terugging. In de rugzak van de Belgisch-Iraanse staken een pak vragen: over haar dubbele identiteit, over haar complexe relatie met haar moeder en over haar familie in Iran.

Sachli Gholamalizad is een van de opvallende nieuwe gezichten van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg (KVS) in Brussel. De Iraans-Belgische actrice en theatermaakster versterkt de ploeg van makers en creatievelingen van Michael De Cock, die in het Brusselse stadstheater aan zijn eerste seizoen begint als algemeen directeur. Andere nieuwe gezichten in de KVS zijn schrijver Fikry El Azzouzi, acteur Valentijn Dhaenens en filmregisseur Jaco Van Dormael.

Ze ging drama studeren aan het Rits in Brussel. Haar eerste solovoorstelling ‘A Reason to Talk’ (2014) was meteen raak. In dat stuk legde de actrice en theatermaakster de moeilijke relatie bloot met haar moeder, die erg gesloten was over hun leven in Iran. Ze interviewde haar heel direct en confronterend met een camera, in de hoop door haar façade heen te kunnen kijken. Op scène projecteerde ze de zelfgedraaide beelden van die soms erg stroeve gesprekken.

‘A Reason to Talk’ raakte meer dan één gevoelige snaar in theaterkringen. Het stuk won de Roel Verniers Prijs op het Theaterfestival. Op het Edinburgh Fringe Festival werd ‘A Reason to Talk’ twintig keer opgevoerd en met een prijs bekroond.

VTM ontdekte Sachli - in de tv-serie ‘De bunker’ speelt ze een Belgische staatsveiligheidsagente van Iraanse afkomst. De Koninklijke Vlaamse Schouwburg (KVS) in Brussel heeft haar nu ingelijfd als een van de vaste makers van het gezelschap. Volgende week gaat in het Brusselse stadstheater ‘(Not) My Paradise’ in première. Opnieuw een solovoorstelling, en opnieuw een zoektocht naar het begrijpen van haar dubbele identiteit.

Het stuk draait rond een lapje grond aan de Kaspische Zee waarover uw ooms en tante aan moederskant al bijna dertig jaar in de clinch liggen. Waarom wil u dat verhaal vertellen?
Sachli Gholamalizad: ‘Het is een kant van de familie met wie ik lange tijd niets te maken wilde hebben. Het is een compleet verknipte familie. Mijn grootvader, de eigenaar van dat stuk grond, is al 28 jaar dood. Hij was een erg autoritaire man, zijn kinderen hebben bitter weinig liefde gekregen en groeiden op in armoede. De broers en zus van mijn moeder praten amper nog tegen elkaar. Wat er precies misliep, heb ik nooit echt geweten. Ik wil eindelijk die familieruzie begrijpen. Want hoe je het ook draait of keert: ze gaat ook over mij. Die mensen zijn mijn vlees en bloed.’

De strijd van veel Iraanse vrouwen om hun hoofddoeken anders te dragen is op een bepaalde manier vergelijkbaar met de strijd van moslimvrouwen hier in het Westen om juist wél een hoofddoek te dragen.

Is het niet exhibitionistisch om zo’n pijnlijke familieruzie en een gevoelige erfeniskwestie in een toneelstuk te gieten?
Gholamalizad: ‘Wellicht, ja. Maar ik moest dit doen. Na ‘A Reason to Talk’ was ik nog niet klaar met de zoektocht naar wie ik ben. Al mijn hele leven worstel ik met essentiële levensvragen. Ben ik Belgische? Ben ik Iraanse? We hadden het helemaal niet zo slecht in Iran. Waarom zijn we dan vertrokken? Als je opgroeit in twee culturen en twee tradities, voel je je nergens helemaal thuis. Er is altijd wel iemand die jou als iets exotisch ziet, als ‘de andere’. Hier in België ben ik een Iraanse, voor mijn familie in Iran zijn we ‘die gelukszoekers uit België’. Ik probeer die innerlijke verscheurdheid te vatten in mijn voorstellingen.’

Waarom heeft het zo lang geduurd vooraleer u de confrontatie aandurfde?
Gholamalizad: ‘Die zoektocht is er altijd geweest, maar altijd onderdrukt. Als kind kreeg ik de vreselijkste verhalen te horen over mijn familie in Iran. Omdat ik in België opgroeide, ging ik bewust de confrontatie met mijn Iraanse wortels uit de weg. Ik wilde niet opvallen of anders zijn, dat de mensen dachten: die hoort er niet bij omdat ze niet ‘van bij ons’ is. Maar dat is vluchtgedrag, natuurlijk. Mijn eerste bezoek aan Iran op mijn twintigste hakte de eerste barsten in die façade.’

‘Tijdens mijn theateropleiding werd ik me nog meer bewust van mijn ‘andere’ identiteit. Ik spreek goed Nederlands, en toch overheerste op school het gevoel dat ik er niet helemaal bij hoorde. Ik voelde dat ik de taal onvoldoende beheerste om theater te maken zoals mijn Vlaamse collega’s. Ik heb vrij lang gezocht naar mijn eigen stijl en persoonlijkheid als maker. Ik was 32 toen ik mijn eerste voorstelling maakte.’

Zit er ook een universele boodschap in ‘(Not) My Paradise’?
Gholamalizad: (knikt) ‘Hoe realistisch is het om in deze open, globale wereld halsstarrig vast te houden aan een stuk grond? Dat onnozel lapje staat voor mij symbool voor iets waar we willens nillens allemaal bang voor zijn: het moeten opgeven van tradities, van een gedeeld verleden. Want daarover gaan de meeste erfeniskwesties, natuurlijk, waar ook ter wereld, in België of in Iran. In een tijdperk waarin de angst voor elkaar de verhoudingen tussen het Westen en het Oosten zwaar op de proef stelt, probeer ik dus eigenlijk te zeggen: ‘Kijk eens, zóveel verschillen we niet van elkaar. Het is overal wel iets.’ Uiteindelijk worstelen we allemaal met dezelfde dingen. Of we nu westerlingen, moslims of migranten zijn.’

Hier in België ben ik een Iraanse, voor mijn familie in Iran zijn we ‘die gelukszoekers uit België’.

U gebruikt het woord ‘migrant’. Voelt u zich na dertig jaar nog steeds een migrant in dit land?
Gholamalizad: ‘Helaas wel, ja. Ik heb ontzettend veel opgepikt van de westerse cultuur. Ik draag economisch bij aan dit land. Niettemin heb ik het gevoel dat ik harder moet opletten met wat ik zeg dan iemand anders. Als ik kritisch ben voor België, dan moet ik zogezegd mijn pollekes kussen, ‘want je bent hier toch in een veilig land terechtgekomen’. Wel, daar ben ik allang overheen, over die fucking dankbaarheid. Ik hoef helemaal niet meer dankbaar te zijn. Het is triestig dat we nog altijd niet verder staan in onze kijk op diversiteit en migratie. Mensen verhuizen naar dit deel van de wereld uit de oprechte overtuiging dat ze hier een beter leven kunnen leiden. Mijn ouders deden dat in de jaren 80, veel vluchtelingen uit het Midden-Oosten doen het vandaag. Het Westen kán niet meer hardnekkig blijven vasthouden aan zijn eigen culturele traditie. Aanvaard dat nu toch eens.’

De terreur heeft het migratiedebat geïntoxiceerd, of het nu over vluchtelingen gaat of over boerkini’s. Begrijpt u onze angst voor de islam?
Gholamalizad: ‘Ik kan die angst wel begrijpen, maar we moeten er voorbij durven te kijken. En het gesprek aangaan. De boerkini is geen zwart-witverhaal. Práát eens met die vrouwen: dan ga je merken dat de realiteit veel genuanceerder is dan het cliché ‘die vrouwen worden door hun mannen onderdrukt’. Sluiers kunnen soms verzetssymbolen zijn. Het is geen toeval dat het aantal gesluierde vrouwen bij ons is toegenomen na 9/11. Al vijftien jaar lang worden de tegenstellingen tussen het Westen en de moslimwereld op de proef gesteld door islamitisch geweld. Als al die goedbedoelende moslims merken dat alles op één hoopje wordt gegooid, voelen ze zich miskend en uitgesloten. En hoe reageer je dan als groep? Je voelt je afgewezen, je gaat je anders gedragen. Je plooit je terug op je eigen identiteit.’

‘Praat ik nu de boerkini goed? Neen. Alleen vind ik het niet kunnen dat wij als buitenstaanders in een democratisch land de held proberen uit te hangen en die vrouwen willen ‘bevrijden’. Dat is koloniaal en kleinburgerlijk. Het getuigt van weinig inlevingsvermogen. We willen altijd anderen onze eigen normen en waarden opdringen. (lachje) En een vrouw met hoofddoek heeft naar mijn weten nog nooit oorlogen gevoerd, een man met maatpak daarentegen...’

Draagt u een hoofddoek als u in Iran bent?
Gholamalizad: ‘Ja. Omdat het verplicht is. Ik vind het de eerste dagen in Iran altijd weer vreselijk als ik bij veertig graden die hoofddoek moet dragen. Maar ik ben nu al vaak genoeg terug geweest om de complexiteit van het land te begrijpen waardoor ik doorheb dat er vele manieren zijn om de hoofddoek te dragen. (toont een foto op haar laptop) Kijk, hier draag ik mijn hoofddoek op zijn Iraans: los over mijn haar en met mijn mantel open. Veel Iraanse vrouwen doen het zo. Het is een teken van rebellie tegen het islamitische regime.’

‘Je moet altijd vanuit de juiste context naar een situatie kijken. De strijd van veel Iraanse vrouwen om hun hoofddoeken anders te dragen is op een bepaalde manier vergelijkbaar met de strijd van moslimvrouwen hier in het Westen om juist wél een hoofddoek te dragen. Ieder zijn strijd. En ik hoop voor de Iraanse vrouwen dat zij ooit hun hoofddoeken mogen afwerpen, en voor de moslima’s in het Westen dat zij ooit niet meer als potentieel gevaar worden gezien omdat ze hun haar of lichaam bedekken. Er zijn ergere dingen in de wereld, laat ons ons daarop concentreren misschien?’

(Not) my Paradise’, vanaf 20 september in de KVS in Brussel.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content