Advertentie
Advertentie

De erotiek van zout op huid

©Tom Verbruggen

Kunstenares Berlinde De Bruyckere zou het even wat rustiger aan doen. Maar toen de intendant van De Munt haar vroeg decors voor de opera ‘Penthesilea’ te ontwerpen, zei ze meteen ja. Inspiratie haalde ze bij een huidenhandelaar.

Opeengestapelde potten verf, versleten zetels, metalen kasten uit vervlogen tijden, een fiets tegen de muur, verfspatten op de vloer. Het twee verdiepingen tellende schildersatelier van De Munt heeft niets van de glamour van de opera’s die op de scène worden opgevoerd. Een ateliermedewerkster brengt minutieus rode verf aan op afgietsels van dierenhuiden in synthetisch plaaster. Wat verderop staan enkele enorme metalen zuilen. Of zijn het schilden?

Berlinde De Bruyckere neemt ons mee naar boven, waar we leundend tegen de balustrade het slagveld beter kunnen overschouwen. Over tien dagen moeten de decorstukken klaar zijn. Dan gaat ‘Penthesilea’, de opera van de Franse componist Pascal Dusapin, in wereldpremière.

Het verhaal gaat terug op een Griekse mythe. Penthesilea was de koningin van de Amazonen die ten tijde van de Trojaanse oorlog verliefd werd op de Griekse held Achilles. Volgens de wetten van het Amazonenvolk mocht een vrouw pas een man beminnen als ze hem had overwonnen. Penthesilea werd letterlijk zo gek van Achilles dat ze hem niet alleen overwon (met welwillende medewerking van de al even verliefde man), maar hem ook nog eens in stukken scheurde. Of hoe de liefde een mens waanzinnig kan maken. De 18de-eeuwse schrijver Heinrich von Kleist (1777-1811) goot de mythe in een tragisch en weerzinwekkend verhaal dat de basis vormt voor de opera.

Vorig jaar zag het er nog naar uit dat het project zou worden afgevoerd. Dusapin werkte lang samen met de Britse operaregisseur Katie Mitchell maar ze kwamen er niet uit. Er restten Peter De Caluwe, de intendant van De Munt, maar twee opties: stoppen of iemand anders zoeken.

Wanhoopspoging

‘Vorige zomer - dat is in operatermen echt op het laatste nippertje - vroeg Peter me of ik geen decors wilde ontwerpen’, vertelt De Bruyckere. ‘Een soort van wanhoopspoging, want hij ging ervan uit dat ik geen tijd zou hebben. Maar die had ik wel. Na de biënnale in Venetië in 2013 had ik me voorgenomen het een jaar wat rustiger aan te doen. Op het programma stonden wel de retrospectieves in het S.M.A.K in Gent en het Gemeentemuseum in Den Haag, maar daarvoor moest ik geen nieuw werk creëren.’

De Bruyckeres plan voor 2014 was nadenken over projecten en onderzoek doen naar nieuwe materialen. ‘De vraag van Peter kwam daarom niet ongelegen. Ook al omdat ik graag voor theater wil werken. Met choreograaf Alain Platel ben ik al een tijd aan het brainstormen over een project. Traag maar gestaag. Ooit komt het ervan. Toen ik nog studeerde, trok ik vaak naar de opera in Gent. We gingen er tekenen. Na een tijd ben ik afgehaakt. Ik miste theatraliteit. Iemand een kop thee op het podium laten drinken omdat het zo in het libretto staat, interesseert me niet. Je moet er iets mee doen. Zoals de Italiaanse regisseur Romeo Castellucci.’

De Bruyckere was meteen verkocht toen De Caluwe haar het libretto van ‘Penthesilea’ stuurde. ‘Het verhaal draait om eros en thanatos, net die twee dualiteiten die ook centraal staan in mijn werk.’ In september ontmoette De Bruyckere de Libanese regisseur Pierre Audi, die bereid werd gevonden Katie Mitchell te vervangen. ‘Hij had eigenlijk ook geen meter tijd. Gelukkig was hij vertrouwd met mijn kunst en werkt hij wel vaker samen met beeldende kunstenaars. Ik voelde me snel op mijn gemak bij hem.’

De Bruyckere ging aan de slag zonder dat ze één noot van de opera had gehoord. ‘Best bijzonder. De muziek bestond wel, maar was nog nooit uitgevoerd. Ook niet op piano. Het eerste fragment heb ik pas in januari gehoord. Net als Pascal heb ik me door het verhaal laten inspireren. Voor mij was het meteen duidelijk dat ik niet één sculptuur wilde creëren die de hele voorstelling zou dragen. Dan krijg je een museaal werk, en dat wilde ik niet. De beelden moesten het verhaal dienen. Ik denk dat Peter misschien wel zo’n beeld in gedachten had, zoals ‘Kreupelhout’ op de Biennale van Venetië. Maar dat zag ik dus niet zitten.’

Slachtafval

Inspiratie vond De Bruyckere bij een huidenhandelaar in Anderlecht. ‘Hij prepareert de huiden van geslachte dieren voor ze naar de leerlooierijen gaan. In essentie gaat het om het zouten van de huiden zodat die goed bewaard blijven’, vertelt De Bruyckere. ‘Ik bezocht de huidenhandelaar in 2013 samen met fotografe Mirjam Devriendt, zonder een specifiek doel voor ogen. Ik doe dat wel vaker: indrukken opdoen. Ik ben een spons, hè. In mijn hoofd zitten allerlei schuifjes die ik bij gelegenheid opentrek. De opera was zo’n gelegenheid. Ik zag niet alleen heel sterke beelden maar ook parallellen tussen het proces in de huidenfabriek en het verhaal van Penthesilea.’

Ze wijst naar een palet vol huiden. ‘De gedode dieren komen binnen als slachtafval. Helemaal anoniem. Je ziet daar geen koe meer in. Maar als je die huiden begint te stapelen krijgt die stapel weer vorm, komt de koe weer tot leven. Dat is ook zo in de oorlog. Eén gesneuvelde soldaat telt niet, maar honderd wel. Die groep krijgt betekenis.’

Voor de opera creëerde De Bruyckere vijf scènebeelden die het verwerkingsproces van de huiden in Anderlecht uitbeelden. ‘Het beginpunt is een gordijn van huiden die hangen te druppen, tot iemand ze losmaakt om ze te bestrooien met zout. In dat zout zie ik weer de parallel met het verhaal. Het zorgt ervoor dat de huiden niet rotten. Maar tegelijk is zout in een wonde strooien erg pijnlijk. Dat dubbele gevoel krijg ik ook bij Penthesilea: verliefd, waanzinnig maar ook moorddadig. Leven en dood samen.’

‘Wat zich in de fabriek afspeelt, is voor mij een vorm van erotiek, van de kracht van de man. Dat begint met de aflevering van de huiden. De mannen maken er met een soepele beweging een sneetje in een hangen ze aan een haak. Voor mij is dat het moment van hoop: het slachtafval krijgt een nieuw leven.’ Ze wijst naar de grote zuilen, een ander scènebeeld. ‘Daar worden de huiden over gespannen en krijgen ze een label. Voor mij zijn dat zijn fallussymbolen. Maar ook schilden. Weer die eros en thanatos.’

Haast vertederend vertelt De Bruyckere over het zouten van de huiden. ‘Naast de paletten met de huiden staan grote bakken met zout. Eerst gebruiken de mannen schoppen, voor het grovere werk. Op plekjes waar ze niet bij kunnen, strooien ze met de hand bij. Heel zorgzaam. Dat is voor mij bijna zoals ejaculeren.’

Supergevoelig

Door de uitgesproken decorkeuze lijkt het wel alsof De Bruyckere de opera mee regisseert. ‘Dat is wat sterk uitgedrukt. Pierre Audi gaat aan de slag met mijn beelden. Hij houdt natuurlijk rekening met mijn suggesties. Zo wil ik niet dat de zangers op de huidenpaletten gaan zitten of liggen. Dat doe je in het echt ook niet, al was het maar voor de geur. Ik heb ook gesuggereerd om filmbeelden uit de fabriek te projecteren op de scène. Ik vind het belangrijk te tonen aan het publiek wat er precies met die huiden gebeurt. Zo begrijp je de decorstukken beter en is het verband met het verhaal sneller gelegd.’

Of het niet allemaal wat zwaar wordt, vragen we voorzichtig. ‘Is dat erg?’, reageert ze prompt. ‘Kreupelhout’ riep ook extreme reacties op, in beide richtingen. Pascal Dusapin vertelde me: ‘Ik had de opera tien jaar geleden niet kunnen componeren. Je moet eerst geleefd hebben’. Ik sluit me daarbij aan. Het is een hard verhaal. Met mijn werk - niet alleen dit - wil ik bereiken dat mensen nadenken. Ik houd hen een spiegel voor. Hoe ver zou je zelf gaan? Waar trek jij de grens?’

‘Hoeveel mensen zitten er niet bij de psychiater omdat ze hun passie niet kunnen kanaliseren? Vroeger zei men: ‘Dat zijn zotten.’ Maar dat zijn supergevoelige, vaak intelligente mensen die hun emoties niet de baas kunnen. Daar gaat dit verhaal over. En dat verhaal kan niet genoeg verteld worden.’

 

‘Penthesilea’, vanaf 31 maart in De Munt.

www.demunt.be

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud