Willem Vermandere: 'De rusteloosheid wordt alleen erger'

Beeldhouwer en zanger Willem Vermandere is tachtig geworden en viert dat met een mooi boek en een nieuwe cd. ‘Het is alsof iedereen plots heeft ontdekt dat ik nog leef.’ Ontbijt met De Tijd.

Rechtdoor hier. Straks even oppassen, daar komen ze uit gevlogen. Wat zijn ze aan dat dak aan het doen? Ga hier maar naar links, je moet de gps niet volgen, die stuurt je langs een slecht weggetje. Hier links is een hele goede garagist. Rechtdoor nu, dan links meedraaien...’

Wie met Willem Vermandere door de Westhoek rijdt, waant zich in een lied van de zanger. ‘Wat een mooie ochtend, welkom in mijn plat pays.’ We rijden over de Steengracht. Passeren bordjes naar Eggewaartskapelle, Beauvoorde en Alveringem. Voor ons spurt een haas weg, een torenvalk speurt onbewogen de velden af, waar een fazant het gezelschap krijgt van twee ganzen. De kunstenaar wijst naar de kerktoren van Lampernisse. ‘Daar begon het front.’ Iets verder doemt de IJzertoren op. ‘Een onding, al mag je dat niet zeggen, natuurlijk.’
De zanger van nummers als ‘Blanche  en zijn peird’ en ‘Lat mie maar lopen’ ontvangt iedereen met open armen in zijn beeldhouwatelier.

Maar in zijn keuken wil hij liever geen pottenkijkers. ‘Het terrein van mijn vrouw. Het voelt gewoon niet goed daar te praten. Dat is te veel de stijl van Luk Alloo.’ En dus verkassen we naar Bladelijn, 5 kilometer verderop, waar in een B&B in een statige vierkantshoeve ontbijt wordt geserveerd. In zo’n weids landschap mag je al eens de draad verliezen. En dat doet Vermandere geregeld tijdens het gesprek. Hij moet soms naar woorden zoeken, onderbreekt zinnen, valt stil en probeert dan de draad weer op te pikken, door subtiel te vragen waar we het over hadden.

Humor

Ik heb ook maar een klein hèrtje, hoor. Net als iedereen.

Maar zijn humor, zijn geestigheid en zijn poëtische geest zijn levendiger dan ooit. Hij is vorige week tachtig geworden en viert dat met optredens, de cd ‘Confessies’ en het mooi uitgegeven boek ‘Als ’t maar geestig is’, met brieven en afdrukken van zijn monochroom ingekleurde houtsnedes. ‘Met mijn verjaardag schiet iedereen wakker: ‘Ach, hij zingt nog. Hij is nog niet dood.’ Ze hebben me al geboekt voor Boterhammen in het Park in Brussel en voor het festival in Dranouter.’ Op zijn nieuwe cd zingt Vermandere: ‘De Grote Heelmeester van hemel en aarde schudt af en toe eens aan mijn karkas, om me duidelijk te maken: ‘Héhé, op ’t gemak, kameraad.’’

Er zijn wel wat ouderdomskwaaltjes. Mankementjes, noemt hij ze. ‘Een liesbreuk. Een kleine operatie. Drie brillen: voor ver, voor dichtbij en voor tussenin. Ik heb dringend een hoorapparaat nodig.’ Als beeldhouwer heeft hij verplicht wat gas teruggenomen. ‘Vorige zomer heb ik wel nog een groot beeld afgewerkt voor een rust- en verzorgingstehuis in Waregem. Het is misschien het laatste dat ik heb gemaakt in mijn leven. Misschien is dit ook de laatste cd en het laatste boek. We zullen zien.’ Hij vult zijn dagen vooral met zijn houtsnedes. ‘Daarin kan ik mijn scheppingen kwijt. Waar God geen tijd voor had, dat moeten wij kunstenaars doen. Je m’amuse. En het is minder belastend voor mijn arm.’

Die arm wil niet altijd meer mee na een afgerukte pees enkele jaren geleden. ‘Het ergste is dat voor mijn gitaarspel. Het fa-akkoord is bijna niet meer te doen. Al ben ik nooit een goede gitarist geweest, de finesse is weg. Gelukkig is de klarinet geen probleem. Ik ga spelen tot de laatste snik. Op het podium staan is een heviger vorm van leven.’ Zijn eigen leven is een ode aan de rusteloosheid. ‘Mijn eeuwige gezel, mijn bondgenoot. En het verbetert niet met de jaren, integendeel. Nu ja, dat is de bron van de kunst, zeker? Tijdens een optreden voor een groep zusters zei ik ooit dat zij het geluk hadden een gebedenboek te hebben. Terwijl God mij heeft gestraft: ‘Gij rostekop, gij krijgt geen gebedenboek. Gij moet uw gebeden zelf schrijven.’

Dichter

De actualiteit volgt hij nog op de voet, door elke dag de krant te lezen. Hij citeert uit een oud lied: ‘Ware ‘t nie van mijn gazette ’k sliepe voort de klokke rond. Maar ze ligt daar iedre nuchtend bie de deure op de grond.’ En dan, bijna verontschuldigend: ‘Ik ben geen grote dichter zoals onze Hugo Claus. Maar de kracht van het rijm vind ik belangrijk. Zoals de Franse zanger Georges Brassens zei: ‘Oui, d’accord, je suis un poète mineur, mais quand-même poète.’ Hij zei ook : ‘Je suis plutôt un diseur, qu’un chanteur.’ Als ik de jonge garde nu bezig hoor, in een wolk op het podium, met een zware basgitaar en een drum, versta ik daar geen woord van, ook niet in het West-Vlaams.’

‘Vergelijk dat eens met een Jacques Brel, die met een orkest van vijftig man achter zich zong. Je verstaat elke komma, elke lettergreep, elk woord. Waar zijn de chansonniers gebleven? Het woord kleinkunst mag je niet meer uitspreken. Het is een vloek geworden.’ Op zijn optredens zingt hij een geactualiseerde versie van ‘Mijn gazette’, waarin hij het over Delphine Boël heeft en zich nog altijd zorgen maakt over de opmars van extreemrechts. ‘Dat extreemrechts nu een succes is, maar dat het in feite een abces is. Dat het op zich een fenomeen is, maar een ferm blok aan ons been is.’

Ik ga spelen tot de laatste snik. Op het podium staan is een heviger vorm van leven.

In een lied op zijn nieuwe cd formuleert hij het zo: ‘Dat eigen volk dat zegt mie weinig, ’k ben d’r al lang uit weg g’emigreerd.’ Vermandere zucht: ‘Uitgerekend voor dat lied heb ik weer een smerige anonieme brief gekregen om me te verwijten dat ik een verrader ben. Ik had het moeten weten, natuurlijk.’ Er komen nare herinneringen boven. ‘Ik denk weer vaak terug aan de periode van ‘Bange, blanke man’, zo’n 15 jaar geleden. Wie is mijn eigen volk? Ik heb het bezig gezien op de Grote Markt in Brussel. Ik zag ze met twintig of dertig man afkomen om me van het podium te sleuren en wellicht mijn gitaar op mijne kop kapot te slaan. De politie heeft ze maar op het nippertje tegen kunnen houden.’ Vermandere blijft bijna een halve minuut stil. En dan: ‘Ik ga nog een half stuutje eten.’

Mecenas

Zelf ziet hij zich eerder als beeldhouwer dan als zanger, zegt hij. ‘Al zijn hele leven heeft de beeldhouwer Vermandere een enorme mecenas, en dat is de zanger Vermandere. Die heeft voor hem een heftruck gekocht waarmee hij 3 ton kan rechtzetten, en het beste pneumatische materiaal om te hakken.’ Heeft hij als zanger goed zijn boterham verdiend? ‘Ja. Ik heb in elk geval veel belastingen betaald. Maar of ik daarom rijk ben? Ik ben een welstellende burger, laat ons het zo zeggen. Ik sta niet bekend als de best geklede man van het land, dus aan kleren geef ik het niet uit. Op cruise gaan we ook al niet. Het enige waar ik echt geld aan uitgeef, zijn instrumenten. Op dat vlak mag je niet bendig (gierig, red.) zijn.’

We vragen of het verhaal klopt dat hij geen gsm heeft, behalve een exemplaar in zijn bestelwagen voor als hij pech heeft. ‘Dat klopt, ja. Alleen voor noodgevallen, niemand kan me bellen. Ik stond ooit eens in panne op de snelweg tussen Brussel en Antwerpen. ‘Nondedju’, zei ik en ik ging op de pechstrook staan. De eerste auto die passeerde, ging aan de kant. Iemand stapte uit en vroeg in het Antwerps: ‘Mijnheer Vermandere, wa doede gaa ier?’ Hij heeft voor mij de VAB gebeld. Toen heb ik beslist dat ik ook een gsm nodig had. Maar dus alleen daarvoor. Thuis hebben we ook geen internet.’

Hij krijgt het wat koud en gaat de blokken op het vuur verplaatsen om de vlam er weer in te krijgen. Lang geleden studeerde Vermandere voor pater. Maar omdat beeldhouwen er niet werd geapprecieerd, stapte hij op. Als hij nu in een stad rondloopt, gaat hij nog altijd de kerk binnen. Ook in zijn teksten heeft hij het vaak over religie. ‘Ik ben een godzoekende ketter,’ zei hij ooit.

Doodgaan

Ik moet niet doen alsof mijn verleden in het klooster niet bestaat. Ik kan die tien jaar niet wegsnijden.
Willem Vermandere

Als priesters hadden mogen trouwen, was hij dan in de kerk gebleven? Vermandere twijfelt, en fietst om de vraag heen. ‘Het zou kunnen, ik weet het niet. Ik moet niet doen alsof mijn verleden in het klooster niet bestaat. Ik kan die tien jaar niet wegsnijden.’ Betekent dat dat hij een kerkelijke begrafenis wil? ‘Ho, dat is mijn probleem niet. Dat is voor zij die overblijven. Doodgaan is nooit uw probleem. Het is dat van uw geliefden of de muzikanten die achterblijven. Zullen zij het redden zonder mij? Daar maak ik mij allemaal niet te veel zorgen over.’

Is hij klaar om bij de laatste bocht de grote zee op te roeien, zoals hij verwoordt in zijn lied over Pater Steentje? ‘Die haalde dat uit de mystiek van de Canadese indianen, waar hij op missie was. Het leven is een kronkelende rivier, die woest en onstuimig begint en steeds groter en kalmer wordt. Alleen in de bochten, de crisismomenten, moet je blijven opletten dat je je niet te pletter vaart. Af en toe moet je die boot herstellen en dan doe je voort, telkens een beetje sterker.’

‘De dood, ons aller vader’, mijmert hij, naar de Franse dichter François Villon. ‘Ik ben nog goed bezig. Maar ik besef dat het niet blijft duren. Daarom gebied ik u, en iedereen, gelukkig te zijn.’ Hij weidt uit over geluk, zingen en de nood van mensen om van kunst te genieten. Maar op de vraag of hij zelf klaar is om de grote zee op te roeien, heeft hij nog geen antwoord gegeven. Met een ongemakkelijk lachje zegt hij stilletjes: ‘Ik heb ook maar een klein hèrtje, hoor. Net als iedereen.’

We rijden terug naar zijn huis in Steenkerke, opnieuw langs hazen, valken en fazanten. De stiltes worden langer. Hij vraagt ons nog even binnen, waar hij zich meteen meer op zijn gemak voelt. ‘Ik ben erg gehecht aan mijn universum hier. Als ik in een gesprek vastzit, kan ik hier mijn klarinet vastnemen en even blazen. Versta je? Neem mijn muziek, mijn boeken, mijn alaam, mijn tekenblad af, en er zit alleen nog een schamele mens voor u.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud