Een toneelstuk too big to fail

De Britse topacteurs Simon Russell Beale, Ben Miles en Adam Godley in 'The Lehman Trilogy'. ©Mark Douet

De filmregisseur Sam Mendes maakte een opzienbarende marathonvoorstelling over de opkomst en de ondergang van de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers.

De openingsscène van ‘The Lehman Trilogy’, het theaterstuk over Lehman Brothers dat in de National Theatre in Londen wordt opgevoerd, zit vol symboliek. De Amerikaanse zakenbank groeide en floreerde op de melodie van het westerse kapitalisme. Toen alle noten op waren, viel de muziek stil en konden de dansers hun biezen pakken.

KORT

Op 15 september 2008 veroorzaakte het abrupte faillissement van de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers een angstaanjagende versnelling in de financiële crisis. Wereldwijd, ook in ons land, moesten overheden banken redden met belastinggeld.

De Italiaanse auteur Stefano Massini schreef over de opkomst en de val van de Lehman Brothers de toneeltekst ‘The Lehman Trilogy’. De cineast Sam Mendes (‘American Beauty’, ‘Skyfall’, ‘Spectre’) nam de regie voor zijn rekening.

Dat is bijna tien jaar geleden. De Amerikaanse overheid, die de helpende hand uitstak naar Citigroup, Bank of America en Morgan Stanley, besloot Lehman Brothers te laten vallen. De kleinste van de belangrijke zakenbanken had geen vrienden in hoge kringen. Er moest een voorbeeld worden gesteld. Het roekeloze gedrag van de financiële sector mocht niet alleen worden afgewenteld op de belastingbetaler. En Lehman Brothers leende zich het beste voor die rol.

De bank ging in september 2008 failliet, waarmee de sluisdeuren naar de grootste financieel-economische crisis sinds de depressie van de jaren dertig werden opengezet. Het beeld van medewerkers die voor de laatste keer het kantoor uitlopen met hun bezittingen in dozen blijft in veler geheugen gegrift.

Die ondergang vormt niet de hoofdmoot van ‘The Lehman Trilogy’. Het stuk van liefst drie uur en twintig minuten staat vooral stil bij de ontstaansgeschiedenis van de bank en het bloed, zweet en tranen van drie Joods-Duitse immigrantenbroers en hun nazaten die daarmee gepaard gingen.

De romantiek van het ondernemen in roerige tijden - anderhalve eeuw geschiedenis trekt voorbij - krijgt ruim baan. En waarom ook niet? De dramatiek van de afloop kennen we nu wel. Op zoek gaan naar de momenten waar de kiem voor de latere val is gelegd, is veel interessanter. Het theaterstuk biedt daar genoeg subtiele elementen voor.

Katoenteelt

De eerste Lehman die zijn opwachting maakt, is Henry, die in 1844 per boot in Amerika aankomt. Henry heet eigenlijk Hayum. Omdat de douanebeambte die hem zijn verblijfsvergunning overhandigt dat niet kan uitspreken krijgt hij een nieuwe naam.

Henry trekt naar het zuiden, naar Montgomery, de hoofdstad van Alabama en het epicentrum van de katoenteelt. Daar begint hij een textielwinkeltje. Dat brengt zo weinig op dat Henry na drie jaar verzucht dat nog eens minstens drie jaar nodig zijn alleen om de schulden voor het openen van het zaakje te kunnen terugbetalen.

Dan komt eerst broerlief Emanuel over naar Amerika, nog wat later gevolgd door nummer drie, Mayer. Nu de familie compleet is, komt in 1850 het opschrift ‘Lehman Brothers’ op de gevel te staan.

De eerste bedrijfsdiscussies volgen. Terwijl voor de bezorgde Henry hard werken vooropstaat, pleit de flamboyante Emanuel ervoor de grenzen te verleggen. Hij gaat een kijkje nemen in de fabrieken in New York waar katoen verwerkt wordt, een reis die tien dagen in beslag neemt. ‘Tien werkdagen!’, foetert Henry.

Waar wij in handelen? De familie handelt in geld. Al het andere is bijzaak.
philip lehman

De discussies tussen Henry en Emanuel worden steevast beslecht door de wijze interventies van de derde broer, Mayer, die soms de zijde van de ene kiest, soms de andere gelijk geeft en in de rest van de gevallen aanstuurt op een compromis.

Is het door dat evenwicht dat Lehman Brothers zich succesvol kan omvormen van een winkeltje in textiel naar een handelaar in ruw katoen? En is de verstoring van deze balans, als Henry komt te overlijden, het premature startschot voor de roekeloosheid van anderhalve eeuw later?

Dat is een wat al te grote conclusie, maar dat het DNA van een onderneming afhankelijk kan zijn van kleine, personele verschuivingen is evident. Wat als niet Henry maar Emanuel op jonge leeftijd door geelkoorts was getroffen?

Na de Amerikaanse burgeroorlog, van 1861 tot 1865, verruilt Lehman Brothers het agrarische zuiden voor het industriële noorden van Amerika. New York wordt de nieuwe thuisbasis en de aandacht verschuift van katoen naar koffie en investeringen in spoorwegen.

Veelzeggend is het antwoord dat Philip Lehman, de schrandere zoon van Emanuel, geeft aan een potentiële zakenpartner die wil weten waar de familie eigenlijk in handelt. ‘We handelen in geld,’ zegt Philip, ‘al het andere is bijzaak.’

Philip is de baas van Lehman Brothers op de zwarte dinsdag van 1929, als de beurs van Wall Street crasht en de economische depressie begint. Mayers zoon Herbert is de politiek ingegaan. De bank die Lehman Brothers is geworden, overleeft opnieuw. Maar, zo verzucht Philip, ‘we zullen ons moeten voorbereiden op strengere regelgeving’.

Toch ziet de familie ook een lichtpuntje in deze donkere dagen: concurrenten gaan op de fles, wat de positie van de bank alleen maar versterkt.

Familiebank af

Lehmans concurrenten hebben tachtig jaar later vast hetzelfde gedacht. Maar het was destijds goed gezien. Lehman Brothers hervat zijn opmars na de crisis en zet onder Philips zoon Bobbie - die op het podium een flashy zonnebril draagt als signaal van het hellend vlak waarop Lehman Brothers zich bevindt - in 1965 een tradingdivisie op.

Die divisie komt onder leiding te staan van een buitenstaander: Lewis Glucksman. Die krijgt samen met Pete Peterson eind jaren zestig de leiding over de bank, die vanaf dan dus geen familieaffaire meer is.

Is dat het moment waarop het definitief misgaat? Of is dat pas enkele decennia later, als de financiële regels onder de Amerikaanse president Ronald Reagan weer versoepelen en Lehman Brothers een beursgenoteerde onderneming wordt? Opeens is de bank niet meer in handen van een kleine groep die alles kan verliezen, wat risicovol gedrag ontmoedigt. De macht verschuift naar aandeelhouders, die snel geld willen verdienen om dat elders te kunnen investeren.

Het ligt voor de hand om deze momenten, die in ‘The Lehman Trilogy’ maar kort worden belicht, eruit te tillen als hoofdoorzaak van de latere val. Toch kan ook de factor geluk niet buiten beschouwing blijven. Waren de investeringen van Lehman Brothers in Hollywood-producties als ‘King Kong’ in 1933 zoveel logischer dan die in subprime-hypotheken zeventig jaar later?

En voor wie een moralistische vraag wil opwerpen: valt de casinobankiers van de 21ste eeuw meer te verwijten dan de drie broers die zich halfweg de 19de eeuw opwerken over de ruggen van de slaven op de katoenvelden? ‘The Lehman Trilogy’ geeft geen voorgekauwde antwoorden. Maar de fraaie familiekroniek biedt genoeg om over na te denken.

Tot oktober in Londen. Daarna in Madrid en München.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content