Ivo Van Hove en FC Bergman geven ‘Freud’ tweede kans

©Jan Versweyveld/TGA

De Franse filosoof Jean-Paul Sartre schreef eind jaren 50 een filmscenario over de jonge Sigmund Freud. De film flopte. Ivo Van Hove en FC Bergman geven het scenario in ‘Freud’ een tweede kans. Het toneelstuk ging zondag in Amsterdam in wereldpremière.

‘Gelukkig gaan we uiteindelijk allemaal dood.’ Het is de manier om te ontsnappen aan het wurgende gevoel van eenzaamheid. Of om Sigmund Freud te parafraseren: ‘We zijn allemaal alleen in het leven.’ Echt vrolijk word je niet van het einde van ‘Freud’. Maar de psychiater houdt je wel even in een wurggreep. Dat het publiek zondag meteen opveerde en de cast bedankte met een staande ovatie heeft veel - zoniet alles - te maken met die ijzersterke finale. Vergeten was de lange aanloop die te kabbelend en voorspelbaar toneel opleverde.

‘Freud’ vertelt het verhaal van de jonge, met zichzelf worstelende Oostenrijkse psychiater Sigmund Freud (1856-1939) die zich een weg zoekt in het onderzoek naar de psyche van de mens. Wenen was aan het eind van de 19de eeuw in de ban van ‘hysterie’. De wetenschap vond het geen ziekte, maar aanstellerij. Enkele nieuwlichters, onder wie Freud, zagen het anders en schoven hypnose naar voren als oplossing.

In die context speelt ‘Freud’ zich af. Maar het is geen puur wetenschappelijk of medisch toneelstuk. Je krijgt vooral een Freud te zien die op zoek is naar zichzelf en zijn eigen demonen wil temmen. ‘Ik kan geen zieken genezen, als ik niet eerst mezelf genees’, zegt hij ergens in het midden van het stuk.

Zeven uur film

Het scenario van het toneelstuk is in de kiem van de hand van de Franse filosoof Jean-Paul Sartre. De Amerikaanse regisseur John Huston vroeg hem in 1958 een filmscenario te schrijven over de beginjaren van Freud. Sartre was zo enthousiast dat hij niet kon stoppen met schrijven. Hij leverde een script af voor zeven uur film. Wat lang, vond Huston. Hij vroeg aan Sartre het in te korten. Die zei ja, en maakte het vervolgens langer. De twee kregen ruzie. Er volgde de film ‘Freud: The Secret Passion’, maar op de aftiteling was de naam van Sartre niet te zien. Hij wilde met de film niets te maken hebben.

Een kleine 60 jaar later kreeg Ivo van Hove in samenwerking met het Vlaamse theatercollectief FC Bergman de toestemming om van het originele filmscenario een toneelstuk te maken. Het is een coproductie tussen Internationaal Theater Amsterdam en Het Toneelhuis. Ook die creatie liep niet van een leien dakje. Net voor de première werd nog flink gesneden in de theatertekst. De duur van de voorstelling werd teruggebracht van een kleine drie uur naar twee uur en een kwart.

Het mes had nog wat dieper mogen snijden, zeker in het begin van de voorstelling. De moeilijkheid van een toneelstuk over Freud ligt in onze kennis over de psychiater en de psychoanalyse. We weten allemaal ondertussen wel dat voor Freud seks de motor is van het menselijk handelen. Toen was het misschien revolutionair, nu is het minder spraakmakend. In het eerste deel van het toneelstuk zitten te weinig theatrale vondsten om het bekende discours aantrekkelijk en verrassend te maken. Oerdegelijk theater, dat wel. Maar toch vooral erg klassiek, iets waarmee je FC Bergman en Ivo van Hove niet meteen associeert.

Opstand

Het stuk speelt zich af in één grote witte ruimte die zowel kabinet als leefruimte als straat is. Je ziet Freud - knappe rol van Stef Aerts - in opstand komen tegen het medische establishment. Hij geraakt stilaan geobsedeerd door de onmogelijkheid om hysterische patiënten te genezen. In hypnose gelooft hij al snel niet meer. Zijn Berlijnse leerling Wilhelm Fliess (Matteo Simoni) wijst hem op het belang van seks en seksueel misbruik in de ontwikkeling van neuroses. ‘Ik weet dat mijn theorie juist is, maar ik kan het nog niet bewijzen’, zegt hij. De twee slaan de handen in elkaar.

‘Freud’ komt pas echt tot leven als het podium (of is het Freuds hoofd?) helemaal wordt leeggemaakt. Enkel de psychiater en zijn onhandelbare patiënte Cäcilie Körtner (Hélène Devos) blijven over. Door haar beseft Freud dat ‘alles’ teruggaat naar de kindertijd en de relatie met de ouders. En hij begint over zijn eigen trauma’s na te denken, beseffende dat hij die eerst moet overwinnen. Er is een prachtige scène waarin hij als kind met zijn vader door de straten van Wenen loopt. Zijn pa wordt gemolesteerd door een antisemiet. Die ervaring zal hij nooit kunnen loslaten. ‘Als jood moet je altijd de beste zijn. Indien je dat niet bent, word je beschouwd als de slechtste’, roept hij al in het begin van de voorstelling uit. Als je een drijfveer zoekt voor Freuds obsessie om uit te blinken, heb je er daarmee een. De strijd tegen het antisemitisme wordt een levenslang gevecht voor de psychiater.

Er volgt nog een knappe flashback. Hij ligt als jong kind in bed met zijn moeder. Zijn vader haalt hem daar weg, want hij wil uitgaan met zijn vrouw. Haat en liefde komen daar in één beeld samen. Liefde voor de moeder, haat voor de vader. Jaren later beseft de oudere Freud dat in dat beeld de kiem van zijn trauma’s liggen. Hij beseft dat we uiteindelijk allemaal alleen zijn. Het lange applaus ten spijt.

‘Freud’ speelt nog tot 11 oktober in Amsterdam, van 20 tot 30 november in de Bourla in Antwerpen.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect