interview

‘Mensen doen elkaar een hele hoop kloterij aan'

©vier

Een tv-serie over seks vond hij altijd te gemakkelijk. Maar na vijf jaar op het achterplan is regisseur Jan Eelen terug met ‘Callboys’, een reeks over gigolo’s. ‘Seks is hier gewoon een excuus om over alfamannetjes te kunnen praten.’

Drie bevriende gigolo’s slaan de handen in elkaar om de industrie van betaald mannelijk gezelschap van een nieuwe smoel te voorzien. Een vierde kameraad bestiert het plezierclubje vanuit een kantoor op een anoniem industrieterrein.

Het is de synopsis van ‘Callboys’, de eerste fictiereeks van Jan Eelen (46) in vijf jaar. Een eeuwigheid is dat in televisieland. In 2011 zag de wereld er anders uit: Woestijnvis maakte enkel programma’s voor de VRT, VIER heette gewoon VT4, Netflix stond nog in zijn kinderschoenen en Telenet - vandaag mede-eigenaar van Woestijnvis en VIER - was louter een kabelbedrijf. Datzelfde jaar liet Eelen ‘De ronde’ los op de Eén-kijker.

Het leek er toen even op dat hij voor altijd uit de regisseursstoel zou verdwijnen. ‘Ik heb dat overal luidop verkondigd, ja’, zegt hij in zijn ouderlijk huis in Linden, waar ‘Callboys’ is geschreven. ‘Ik moet het afleren om interviews te geven vlak nadat een project is afgelopen. ‘De ronde’ was op alle vlakken een loodzwaar proces. Ik had mijn buik echt even vol van series. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan.’

Callboys Trailer

Waarom wilde u graag een komische reeks over gigolo’s maken?

Jan Eelen: ‘Ik wilde in de eerste plaats iets met Matteo Simoni, Stef Aerts, Rik Verheye en Bart Hollanders doen. Ik had hen meermaals bij het theatergezelschap FC Bergman aan het werk gezien, en dat waren telkens fantastische voorstellingen. Toen ik hen leerde kennen, bleken het ook nog eens ontzettend fijne gasten. Ik vond dat ook heel mooi, vier mannen die aaneenhangen als een stoemp klei. Ze deden niets anders dan over seks praten. Ze weten op dat vlak alles van elkaar. Dus moet het over seks gaan.’

‘Toevallig had ik een krantenartikel gelezen over een hoerenkot voor vrouwen. Ik snapte dat goed, de tijden zijn veranderd. Een zakenvrouw die tijdens de middag naar de hoeren gaat, waarom niet? (lacht) Ik liet dat ideetje op hen los, en die mannen werden zot. Maar ik had geen goesting in bordeeltoestanden, en zo zijn we bij het idee uitgekomen om iets te maken rond bevriende gigolo’s die een kantoor huren op een industrieterrein.’

Klopt het dat u tijdens uw research echte gigolo’s hebt betaald om aan ideeën en verhalen te geraken?
Eelen: ‘Eentje, ja. 200 euro om drie uur te praten. Cash, in een envelop. (lachje) Ik dacht: dat is een professional.’

Met de komst van Telenet is er wel wat lucht vrijgekomen. Dat was nodig.

‘Maar eigenlijk waren die gesprekken met echte gigolo’s niet essentieel voor het verhaal. Gigolo’s zijn heel normale mensen. Het is een job als een ander. Een gigolo is zoals een clown die je kan inhuren voor een kinderfeestje, maar dan voor vrouwen die leuk gezelschap of seks willen en geen zin hebben om drie uur op restaurant te zitten met iemand van wie achteraf blijkt dat hij niet eens goed is in bed.’

‘Er zitten ook slimmeriken tussen die gasten. Die kerel met zijn envelop, die doet dat in bijberoep. Overdag helpt hij psychiaters die werken rond de problematiek van seksstoornissen. De gigolo’s in ‘Callboys’ daarentegen zijn allesbehalve meesterbreinen. Het zijn uitvergrotingen van alles wat fout is aan de hedendaagse man. (lacht) Mijn gigolo’s luiden het einde in van de man zoals hij ooit heeft bestaan. In die zin is dit, denk ik, een vrouwvriendelijke reeks. (snel) Maar ga er nu niet vanalles achter zoeken. ‘Callboys’ moet vooral op de lachspieren werken.’

Het is eigenlijk de eerste keer dat u - de koning van genante comedy en de meester-observator van de kleine kanten van de mens - expliciet rond het thema seks werkt.
Eelen: ‘Ik heb het altijd te gemakkelijk gevonden, precies omdat het zo’n genant of moeilijk bespreekbaar onderwerp is. Bij ‘Vaneigens’ vond ik dat al. Alles wat kan mislopen bij seks, daar had ik geen goesting in. In ‘Callboys’ is de seks een excuus om over die alfamannetjes te kunnen praten. Het was wel de eerste keer dat ik dat deed, seksscènes draaien. Hoe dat was? (haalt zijn schouders op) Je begint eraan, en je ziet wel wat er gebeurt.’

©Jimmy Kets

Schop onder de kont

Ergens aan beginnen en kijken hoe het loopt. Dat lijkt de rode draad in het leven en het werk van Eelen. Een grote strategie is er nooit geweest. Wel veel buikgevoel. Bij Supersport, waar hij als jonge hond samen met Mark Uytterhoeven en Wouter Vandenhaute zijn ding kon doen zonder pottenkijkers. En toen zijn kompanen Woestijnvis in 1997 oprichtten, volgde hij hen. Omdat ze vonden dat de ingeslapen openbare omroep een schop onder zijn kont verdiende, maakten ze ‘Man bijt hond’ en ‘In de gloria’. Geen kat die op voorhand het succes van die programma’s kon voorspellen.

‘Het eiland’ (2004) werd Eelens echte doorbraak. Een reeks die bij de start van de opnames nog geen einde had, net als ‘Callboys’. Eigenlijk is zoiets not done in de tv-wereld, want fictie is een kostenverslindende business. Maar Eelen werkt zo. Hij is een associatieve chaoot. Verwacht dus geen grote theorieën over creativiteit. Na twintig jaar is het voor hem ook nog altijd zoeken, knippen, plakken, dingen weggooien en opnieuw beginnen tot de puzzelstukken in elkaar vallen.

Ik heb veel bijgeleerd. Reclame is zo slecht nog niet. Schrijf dat deze keer maar op.

‘Het blijft wroeten, inderdaad. Dan zit ik hierboven in mijn kot, afgezonderd van de wereld en zonder internet. Alleen op weekend in het huis van mijn ouders. Ik ben, omdat er te weinig tijd was, beginnen draaien zonder dat ik een einde had. Dus elk vrij moment zat ik achter mijn schrijftafel. Wat ik op zulke momenten doe? Ik loop hardop tegen mijn personages te praten, of speel een beetje gitaar, luister naar muziek. En dan opeens, op een zondagmorgen viel de puzzel in elkaar. Opluchting. Ook voor de productie, die eindelijk weer in gang kon schieten. Locaties die moesten worden gezocht, opnamedagen die eindelijk konden worden gepland. Gedaan met telkens weer te moeten zeggen dat je nog geen einde hebt. Een last viel van mijn schouders.’

‘Callboys’ is zijn eerste reeks voor de kleine zender VIER. Als Woestijnvisser van het eerste uur had Eelen destijds grote twijfels bij de overname van VT4 en VijfTV door De Vijver. De eerste jaren leek hij gelijk te krijgen. Veel creatieve schermgezichten vertrokken en VIER had enkele televisieseizoenen nodig om zich in de gunst van de kijker te spelen. Maar de zender herpakte zich. Eelen bleef, met als consequentie dat hij nu programma’s moet maken voor een veel kleiner publiek dan zijn collega’s die weer voor de openbare omroep gingen werken.

‘Dat stoort me hoegenaamd niet’, zegt hij. ‘Op een of andere manier zal het wel de kijkers krijgen die het verdient, zeker? Het is 2016, mensen vinden hun weg wel naar dit soort programma’s. Of het nu op het moment zelf is, of later op hun decoder of in het digitale aanbod van Telenet. Ik kijk zelf bijna niets meer live.’

©vier

‘Op VIER zitten heeft ook andere voordelen. Als je ‘Callboys’ op de openbare omroep steekt, krijg je gegarandeerd reacties en klachtenbrieven. Het en-dat-metons-belastinggeldliedje. Het voordeel van een kleine, commerciële zender als VIER is dat we aan niemand verantwoording hoeven af te leggen. Met reclamegeld werken is moeilijker omdat het minder voorspelbaar is, maar het biedt wel meer inhoudelijke vrijheid.’

Dat is wel een voordeel dat u vier jaar geleden niet echt zag.
Eelen: ‘Aha, mijn uitspraak dat ik nooit reclame zou toelaten in mijn programma’s! Tja, op dat moment stond ik daar honderd procent achter. Ik was er toen van overtuigd dat de manier waarop ik schreef geen reclame verdroeg. Uit je verhaal gaan om lampen of wasproducten te verkopen, wat een idee. Maar ik heb bijgeleerd. Die reclame, dat is ook maar wat het is. Het heeft zelfs voordelen in het schrijfproces. Je schrijft in aktes: begin, midden en slot. En doordat daar telkens reclame tussenzit, moet je nog beter je best doen om elke act een zo mooi mogelijke boog mee te geven en op een goed moment te laten eindigen. Reclame is zo slecht nog niet, schrijf dat deze keer maar op.’ (lacht)

Hebt u daar een knop voor moeten omdraaien, om te leren leven met dat kleinere publiek?
Eelen: ‘Misschien wel. Bij ‘De ideale wereld’ (een programma dat hij mee hielp ontwikkelen, red.) was het gevecht voor de kijker heel tastbaar. Daar werkten we extreem hard aan, en dan ging je misschien eens van 180.000 naar 230.000 kijkers. Vroeger was dat bij wijze van spreken peanuts, maar plots was dat veel. Dat is niet leuk, maar na een tijd hebben we dat ook wat losgelaten. Zo van: ‘Fuck it, we maken hier gewoon het best mogelijke programma, tot ze de stekker eruit trekken.’ Het maakt me allemaal iets minder uit dan vier jaar geleden.’

©vier

‘Misschien was het met Woestijnvis op de VRT ook wel iets te gemakkelijk geworden. Je wist na een tijdje wel dat je op een zondagavond zeker was van een miljoen kijkers. Niet dat we daar lui van werden. Maar misschien sloop er wel een zekere routine in... Eerlijk gezegd denk ik er eigenlijk amper nog over na. Ik kan mijn ding doen en dat voelt goed.’

U bedoelt dat het de creativiteit misschien wel deugd heeft gedaan, die verandering van omgeving?
Eelen: ‘Dat nu ook weer niet. Als je de balans opmaakt, dan zijn we er creatief toch niet echt op vooruitgegaan, hè. Je kan als creatieveling af en toe wel een trap onder uw gat gebruiken, maar hier was de trap zo hard dat ze eruit vlogen. Sommigen vertrokken omdat ze hun ei niet meer kwijt konden, anderen omdat ze geen zin meer hadden om te vechten. Van een hele dag lopen boksen geraakt je creativiteit ook afgebot. Het is stevig geweest en er zijn een hoop minder slimme beslissingen genomen. Maar op sommige vlakken is het dan ook weer positief geweest.’

‘Door de vele vertrekken was er plots plaats voor de doorstroming van talent. ‘Callboys’ heb ik geschreven met Youri Boone, een groot talent. Zo staan er nog wel klaar. Maar het is dus harder vechten, want er is minder geld dan vroeger. Met de komst van Telenet is er wel wat lucht vrijgekomen. Dat was nodig.’

©vier

U sprak in eerdere interviews over de intriges die opkomen bij een bedrijf dat in de hoek wordt geduwd. Iets wat u slecht kon verteren.
Eelen: ‘Dat was niet fijn om te ervaren. Als het goed gaat, en dat is niet alleen in een bedrijf zo, is er weinig reden om te twijfelen en zijn de beslissingen die moeten worden genomen niet van de moeilijkste. Er heerste een soort egoloosheid, een gevoel dat we met vrienden aan hetzelfde zeel trokken.’

‘Het is een uitzonderlijk gevoel in het bedrijfsleven. Je maakt plezier en alles lukt. Maar dat werkt natuurlijk alleen als het goed gaat. Als je dan in woelig water komt, wordt alles veel ingewikkelder, harder, meer gesloten. Dat vond ik wel zonde. Dat mensen in de put zaten en elkaar niet meer konden versterken.’

‘Dat is allemaal ook in ‘Callboys’ geslopen. Veel meer dan ik doorhad op het moment dat ik het schreef. Die gigolo’s nemen een commerciële beslissing die fout uitdraait, en dat tast de vriendschapsbanden aan.’

Als we terugkijken naar uw oeuvre, zijn we er nog altijd niet uit: bent u nu een misantroop of iemand die net van mensen houdt?
Eelen: (grijnst) ‘Jullie zijn niet alleen. Toen ‘In de gloria’ op tv kwam, kreeg ik ook wel eens de reactie dat ik wel een erg ongelukkige mens moest zijn. Terwijl dat helemaal niet zo is. Ik ben geen misantroop. Dan zou het toch allemaal slechter aflopen? Er gebeuren wel erge dingen met mijn personages, maar mijn mensbeeld is wel eerder positief dan negatief. Mensen doen elkaar ook een hele hoop kloterij aan. Maar ik blijf er wel van overtuigd dat het goede aan het einde van de rit zal winnen.’

©vier

Het uitvergroten van kleinmenselijkheid is wel de rode draad in uw carrière, toch?
Eelen: ‘Verhoudingen tussen mensen en hiërarchische patronen fascineren mij mateloos. Die mag dat zeggen tegen die, maar niet tegen die. Dat creëert een dankbare situatie, die superherkenbaar is. Dat boeit me al van op de speelplaats, waar dat soort verhoudingen zich ook aftekenden. Als er iemand tegen mij zegt dat ik iets moet doen, zal ik de eerste zijn om dat ter discussie te stellen. Terwijl anderen dat dan weer blindelings doen. Dat doet de wereld tikken. Dat is toch geweldig boeiend?’

Er kan tegenwoordig niets absurds en kleinmenselijks gebeuren in Vlaanderen, of mensen roepen: ‘In de gloria!’
Eelen: ‘Maar dat ik zulke kleinmenselijke dingen gebruik, wil nog niet zeggen dat ik mensen haat. Ik doe dat ook voor het dramatische effect. Ik zeg ook niet dat ik beter ben dan die mensen. Het is gewoon heel dankbaar materiaal.’

‘Ik heb dit al vaak verteld, maar die fascinatie was er vroeger al bij de scouts. Dan was het spaghettiavond, en dan maakte er iemand een uurrooster die veel te ingewikkeld was voor wat die moest doen. Dan weet je dat als je daar niet mag van afwijken, dat het fout loopt. En diejen typ die dat gemaakt heeft, wil daar dan natuurlijk niet van afwijken. En dan loopt het gegarandeerd mis.’

Uw vader was professor psychologie. Wij gaan ervan uit dat uw fascinatie voor menselijk gedrag van hem komt.
Eelen: ‘Dat kan moeilijk anders, hè. Het ging bij ons aan tafel logischerwijs geregeld over de mens en hoe die in elkaar steekt. Toen in de jaren tachtig het racismedebat de kop op stak, kon mijn vader plots wetenschappelijk kaderen dat in elke mens wel ergens een racist schuilt. Dan stonden we daar, als drie broers te protesteren. Hij behandelde ook mensen met extreme fobieën. Dan moesten we soms hier in de kelder spinnen gaan zoeken om te gebruiken in de behandeling van mensen met arachnofobie. Dat intrigeert je natuurlijk als kind.’

‘Mijn vader is ook les beginnen geven in de boeiendste tijden voor de psychologie. Dat was in de jaren zeventig, ze waren toen net de experimenten met elektrische schokken voorbij. (lacht) Maar ook alle onderzoek naar conditionering en dat soort interessante stuff, was volop bezig. Nog voor de reclamewereld erop sprong. Hij was zo de laatste van generatie die dat op een puur academische wijze heeft meegemaakt. Zo bezig zijn met die ontluikende wetenschap, dat moet geweldig zijn geweest. Als ik ooit nog eens iets wil maken, is het wel iets over de academische wereld. Dat fascineert mij enorm. ‘

‘Mijn vader was een zeer gepassioneerd lesgever. Ik kom soms nog mensen tegen die les van hem hebben gehad, en dat komt altijd terug. Zeer begeesterend.’

©VIER

Waarom bent u niet in zijn voetsporen getreden?
Eelen: ‘Ik ben er zelf ook aan begonnen, aan studies psychologie. Drie maanden volgehouden. Veel te theoretisch, het zei me niets. Ik vond het wel boeiende materie, maar niet om in extenso te bestuderen en experimenten te gaan opzetten. Dus ben ik naar het Rits getrokken. Ik keek heel veel tv. Dus dacht ik na een tijdje: ‘Dan zal ik dat maar leren hé, tv maken.’

‘Ik keek alles, van Alan Partridge tot ‘Webster’. Wij hebben een tijdje in de Verenigde Staten gewoond, waardoor ik vroeg Engels heb geleerd. Dat waren de gouden dagen van de BBC. Heel veel naar gekeken, maar ook veel stront gezien op andere zenders. Nadat ik met psychologie was gestopt, heb ik een tijd in een restaurant gewerkt. Dan werkte ik daar tot een stuk in de nacht, lag ik tot ’s middags in mijn bed, en kroop ik in de namiddag in de zetel om naar ‘Dallas’ en consorten te kijken tot het weer tijd was om te gaan werken. En dat zes dagen op zeven.’ (lacht)

‘Ik zal het maar toegeven: de foute jaren tachtig hebben de kiem gelegd voor mijn werk als televisiemaker.’

‘Callboys’ is vanaf donderdag te zien op VIER.

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content