interview

Topdokter Monbaliu: ‘Ik sta letterlijk tussen leven en dood'

©Debby Termonia

Transplantatiechirurg Diethard Monbaliu is afhankelijk van de doden om zijn patiënten in leven te houden. Cynisch wordt hij daar niet van. ‘Deze job maakt me net heel nederig.’

Een afspraak maken met Diethard Monbaliu, sinds deze week te zien in het VIER-programma ‘Topdokters’, is niet eenvoudig. Tijdens ons eerste telefoongesprek krijgt hij een andere oproep. ‘Maak alvast een insnede rechts van de navel, dan plaatsen we samen de katheter’, horen we hem zeggen. Hij moet aan de slag. Op de dag van de afspraak, een week later, krijgen we om 5 uur ’s ochtends een sms: ‘Ga aan levertransplantatie beginnen. Ben niet zeker of ik klaar ben om 13 uur.’ Om 18 uur stuurt hij een nieuw bericht. ‘Was complexer dan verwacht. Laat ons morgen opnieuw proberen.’

En zo zitten we op een vrijdagnamiddag in zijn kantoor op de zesde verdie-ping van Gasthuisberg. ‘Ik heb een van de mooiste uitzichten in het Leuvense’, zegt Monbaliu. Maar veel tijd om ervan te genieten heeft hij niet. De ene week is hij van wacht, en kan hij de klok rond worden opgeroepen voor een transplantatie van een lever, nier, pancreas of dunne darm. De andere week heeft hij consultaties, doet hij aan onderzoek, begeleidt hij doctoraatsstudenten en handelt hij zijn administratie af.

Diethard Monballiu. ©Debby Termonia

Doordringende blik, stevige handdruk, kordate stap. Maar in zijn uitspraken is Monbaliu voorzichtig. Hij staat nog altijd wat sceptisch tegenover het interview. ‘Ik heb het moeilijk met de term topdokter’, zegt hij. ‘Dat klinkt misschien goed op televisie, maar zo’n titel gaat snel een eigen leven leiden. Ik huiver van de gedachte dat er patiënten komen die alleen nog door mij geopereerd willen worden. Terwijl er in Leuven, en in de zeven andere universitaire transplantatiecentra, op even hoog niveau wordt gewerkt.’

BIO

Diethard Monbaliu werd in 1971 geboren in Oostende. Hij studeerde aan de KU Leuven. Vandaag is hij transplantatiechirurg gespecialiseerd in lever, nieren, dunne darm en pancreas. Hij doet onderzoek naar onder meer het bewaren van organen met machines en naar het belang van sport en beweging in het herstelproces. In 2008 richtte hij de vzw Transplantoux op om getransplanteerden aan het sporten te krijgen.

‘Trouwens, als ik het geduld en de vakkennis zie van revalidatie-artsen, geriaters, huisartsen of dokters die met gehandicapten werken, vind ik dat even grote helden als chirurgen.’ Monbaliu haalt een exemplaar van De Artsenkrant boven om een citaat voor te lezen. ‘Een hartchirurg vraagt aan een pediater of hij ooit al eens een hart in zijn handen heeft gehad. Waarop de pediater antwoordt: ‘Nee, maar hebt u ooit al een patiënt in uw handen gehad?’ Het vat de relativiteit van de status van bepaalde artsen perfect samen.’

Dat hij toch heeft ingestemd met dit interview, heeft dezelfde reden als zijn deelname aan de VIER-docureeks: zijn vakgebied heeft nood aan een groot maatschappelijk draagvlak, en daarvoor is alle gezonde belangstelling welkom. Ondanks het stijgende aantal donoren en transplantaties in ons land werd de wachtlijst van patiënten vorig jaar 3 procent langer. Op dit moment wachten een kleine 1.300 Belgen op een orgaan. Voor hen kan elke extra donor het verschil tussen leven en dood betekenen.

©Debby Termonia

Nochtans scoort ons land met 28 orgaandonoren per miljoen inwoners heel behoorlijk op Europees vlak. Alleen Kroatië telt relatief gezien meer donoren.
Diethard Monbaliu: ‘Dat komt omdat we sinds 1986 een vrij progressieve wetgeving hebben. Iedereen in België is donor, tenzij je expliciet weigert. De wetgever heeft zich toen over de vraag gebogen van wie een lichaam is na het overlijden. Van de maatschappij, was de conclusie, tenzij je je daar tijdens je leven expliciet tegen verzet. Dat kan formeel, door je in te schrijven op een lijst in het gemeentehuis, maar ook informeel.’

‘Dat laatste punt leidt soms tot misverstanden. Dokters moeten bij familie of vrienden polsen of jij je daar ooit negatief over hebt uitgelaten. Maar vaak wordt die stap verward met het vragen van toestemming aan die familie of vrienden, wat natuurlijk iets anders is. Nu, ik besef dat ik gemakkelijk praten heb. Het zijn andere dokters die dat gevoelige gesprek, meestal direct na het overlijden, moeten voeren. Het feit dat iemand wel of geen donor wordt, hangt dus meestal heel sterk af van de dokter die bij het overlijden is.’

Er zijn mensen die elk jaar informeren naar de toestand van een patiënt die een orgaan van hun kind of ouder heeft gekregen. Dat blijft me raken.

U kunt elke nieuwe donor gebruiken, want de wachtlijsten blijven langs. Hebben steeds meer patiënten een nieuw orgaan nodig?
Monbaliu: ‘Orgaantransplantatie is het slachtoffer van haar eigen succes. Vroeger kregen alleen heel uitzonderlijke patiënten een nieuw orgaan, als een soort laatste kans. Nu zijn er veel meer medische gevallen waarin een transplantatie een realistische optie is.’

Ergens heeft het iets cynisch: door de groeiende verkeersveiligheid zijn er minder jongere donoren.
Monbaliu: ‘Het klopt dat de gemiddelde leeftijd van donoren is gestegen, onder meer omdat er minder jongeren sterven in het verkeer. Maar dankzij wetenschappelijk onderzoek zijn we erin geslaagd het aanbod aan organen sterk te vergroten. Er worden nu zelfs organen van 80- of 90-jarigen overgeplaatst. Telkens op basis van ijzersterke medische criteria, natuurlijk. Maar het is niet omdat iemand wat alcohol dronk of sigaretten rookte dat zijn lever of longen per definitie ongeschikt zijn voor transplantatie.’

Toch blijft u afhankelijk van de dood van anderen om uw vak te kunnen uitoefenen.
Monbaliu: ‘Dat maakt me niet cynisch, maar net heel nederig. Je staat letterlijk tussen het leven en de dood. Je hebt de mogelijkheid nog zin te geven aan iemands dood door een nieuw leven te geven aan iemand anders. Daardoor heb ik nu meer ontzag voor het leven. Ik denk dat ik het daarom nog moeilijker heb met zinloze terreuraanslagen zoals die in Brussel. Wij doen zo gigantisch veel inspanningen om een leven te redden of te verlengen, terwijl terroristen achteloos en willekeurig tientallen mensen vermoorden.’

©Debby Termonia

De jongste tijd haalde orgaandonatie geregeld het nieuws. Een 11-jarig hartpatiëntje redde deze week na zijn overlijden vijf mensenlevens met zijn organen. Ook twee overleden profwielrenners stonden hun organen af. Zijn dat soort berichten een goede zaak?
Monbaliu: ‘Ja, op voorwaarde dat de berichtgeving sereen is. Ik vind het belangrijk te focussen op het feit dat orgaandonatie kan helpen bij de rouwverwerking. Ergens geeft het een beetje zin aan de dood: ‘Voor mijn kind was het dan wel te laat, maar ergens hebben we kunnen vermijden dat andere ouders nu ook aan het rouwen zijn...’’

Is dat geen schrale troost?
Monbaliu: ‘Nee, dat helpt echt. Ik hou vaak contact met patiënten. Heel vaak schrijven ze na een transplantatie de familieleden van een donor aan. Om hen te bedanken. Of omgekeerd ook: mensen die elk jaar informeren naar de toestand van een patiënt die een orgaan van hun kind of ouder heeft gekregen. Dat blijft me raken.’

Donatie verloopt altijd anoniem. U geeft nooit persoonsgegevens door. De namen op zulke kaartjes worden zelfs geschrapt. Waarom?
Monbaliu: ‘Het gaat om de ultiemste daad van altruïsme. Daarbij moet je volledig vrij kunnen blijven. De getransplanteerde mag op geen enkele manier het gevoel krijgen dat hij een schuld moet inlossen. Die keuzevrijheid is ook heel belangrijk bij levende donoren, die een nier willen afstaan aan een familielid of een vriend. Daar gaat altijd een grondige psychologische screening aan vooraf. Om te zien of een dominante ouder een kind niet subtiel onder druk heeft gezet, bijvoorbeeld.’

Ik heb op een bepaald moment de grenzen van mijn fysieke kunnen geëxploreerd.

Kan je ook anoniem een nier doneren?
Monbaliu: ‘Ja, als zogenaamde Samaritaanse donor. Af en toe komen mensen daarvoor informeren. We geven ze dan alle informatie, heel objectief. En we geven ze bedenktijd. Uiteindelijk hebben we in Leuven al één zo’n transplantatie gedaan. In Nederland, waar je na de dood niet automatisch een potentiële donor wordt en het tekort veel groter is, worden expliciet campagnes opgezet die oproepen om een orgaan te doneren. In Rotterdam hebben zich zo al 200 Samaritaanse donoren gemeld.’

Kan je op sociale media tegenwoordig zelf geen donor zoeken, in ontwikkelingslanden bijvoorbeeld?
Monbaliu: ‘Dat wordt steeds makkelijker, ja. In Iran zijn er kantoortjes waar je met donoren over de prijs van een nier kan onderhandelen. Ook in Pakistan, China, India en de Filipijnen is zoiets mogelijk. In zo’n systeem verdwijnt het altruïsme. Een orgaan wordt een product, waardoor je snel kan afglijden naar criminele orgaanhandel. Wij hebben al mensen over de vloer gekregen die met zo’n donor afkomen. Dat weigeren we.’

Met een nieuw hart de Ventoux op

Toen een patiënt met een nieuwe nier professor Monbaliu in 2006 vroeg of hij opnieuw met de fiets de Mont Ventoux op mocht rijden, was het antwoord even eenvoudig als verrassend. ‘Natuurlijk, en ik ga gewoon mee.’

Het leidde tot de oprichting van Transplantoux, een vzw die transplantatiepatiënten stimuleert om te sporten. Intussen zijn al er een paar honderd onder begeleiding de Ventoux op gefietst. Er zijn er zelfs die triatlons doen. Maar Transplantoux heeft ook wandelgroepen opgericht, waarvan er later dit jaar enkele richting Santiago de Compostella stappen. ‘En als er morgen patiënten willen badmintonnen, dan beginnen we daar ook mee. We willen gewoon dromen helpen waarmaken’, zegt Monbaliu.

Er was nood aan een initiatief als Transplantoux. ‘Voor iemand die een hartinfarct krijgt, was er een heel traject voor de revalidatie. Voor transplantatiepatiënten was er bijna niets. Terwijl zo’n ingreep een aanslag op het lichaam is. Er zijn de gevolgen van het orgaanfalen, maar ook de psychologische impact is zwaar. Daarom hebben we met steun van de Vlaamse Gemeenschap onderzocht hoe duurzame sport een impact kan hebben op het genezingsproces.’

Bij de sportevenementen die de vzw organiseert, worden patiënten meestal begeleid door een arts, kinesist of verpleger. Transplantoux werkt daarvoor samen met Sporta en Flanders Classics. Ook andere universiteiten sprongen op de kar.

‘Maar we willen ook sensibiliseren, onder meer door wetenschappelijk onderzoek te stimuleren naar de positieve gevolgen van beweging en sport op verschillende ziektes,’ zegt Monbaliu. ‘En we proberen de overheid te overtuigen daar meer in te investeren.’

www.transplantoux.be

Een Zweed bood enkele jaren geleden zijn nier aan voor 200.000 euro. Zijn redenering was dat het voor de ziekteverzekering goedkoper uitkomt dan dialyse, die 80.000 tot 100.000 euro per jaar kost. Waarom zou hij dat niet mogen doen?
Monbaliu: ‘Een niertransplantatie is inderdaad kostenefficiënter. Dat hebben we berekend. Het eerste jaar heb je veel medische kosten, maar vanaf het tweede jaar is het al goedkoper dan dialyse. Maar als je gezondheid koopbaar maakt, bestaat het gevaar dat je het gelijkheidsprincipe schendt. Je ziet zo dat de rijken dan de kopers en de armen de verkopers worden. Willen we dat? Daar moet een maatschappij stelling over innemen.’

Het lijkt aannemelijk dat u nog wel voor ethische dilemma’s staat. Heeft iemand die veel drinkt evenveel recht op een nieuwe lever als iemand die gezond leeft?
Monbaliu: ‘Alleen puur medische criteria beslissen wie bovenaan op de lijst staat: overlevingskansen, urgentie, leeftijd, compatibiliteit, enzovoort. Maar we verwachten wel iets terug voor de tweede kans die iemand van de maatschappij krijgt. Bij alcoholici eisen we dat ze zes maanden niet meer drinken voor ze op de lijst komen. En ook na de transplantatie moeten ze zich aan strikte voorwaarden houden.’

U zegt dat u veel meer respect hebt gekregen voor het leven. Wordt u nooit boos als u ziet hoe sommige mensen het verkwanselen?
Monbaliu: ‘Ik probeer me nooit boos te maken. Wij zijn dokters, geen politieagenten. Maar natuurlijk zijn wij ook mensen en is het soms moeilijk om keuzes te maken. Onlangs kreeg ik verontwaardigde reacties op de ziekenhuisafdeling over een man die een levertransplantatie ging krijgen. ‘Je gaat die toch geen tweede kans geven? Hij is altijd blijven drinken, hij verdient het niet.’ Maar die patiënt heeft zijn kans wel gegrepen en is een voorbeeld geworden. Ik schakel hem nu zelfs in als ervaringsdeskundige om andere patiënten te overtuigen hun leven te veranderen. Je bent als transplantatiechirurg in zekere zin het laatste station tussen de aarde en de hemel. En als het erop aankomt, kiezen zulke patiënten toch voor het eerste.’

Behalve de ethische dilemma’s is er ook de fysieke druk. U stond gisteren twaalf uur aan de operatietafel. Hoe houdt u dat vol?
Monbaliu: ‘Dat weet ik zelfs soms ook niet goed. (lacht) Ik heb nogal een sterk doorzettingsvermogen, denk ik. En voor je tot deze job komt, ga je toch door een zekere selectie. En stress doet veel met een mens. Je voelt op zulke momenten echt de adrenaline door je lichaam stromen.’

Een paar jaar geleden werd het u nochtans bijna te veel. U stond op de rand van een burn-out.
Monbaliu: ‘Ik heb toen de grenzen van mijn fysieke kunnen geëxploreerd. Ik was op. Ik sliep slecht, had concentratieproblemen, was slecht gehumeurd. Deze job is nu eenmaal enorm uitputtend, omdat we geleefd worden. Een belangrijk deel van ons werk valt niet te plannen. Je kan dag en nacht worden opgeroepen: om te opereren, om organen van de donoren uit te gaan halen, om patiënten op de lijst te matchen, om hen te bellen en voor te bereiden. Ik was geen baas meer over mijn eigen bestaan.’

Hoe hebt u zich erdoor getrokken?
Monbaliu: ‘Ik had een goede dokter die me begeleidde. En gelukkig kon ik op veel begrip van mijn omgeving rekenen, zowel van familie als van collega’s. Dat laatste is belangrijk. In deze machoomgeving wordt het nu eenmaal niet aanvaard dat je niet altijd paraat staat. Weet je welke reactie collega’s soms kregen? ‘Koop een hond, dan kom wat je meer buiten. Dat zal je goed doen.’’

En hebt u een hond gekocht?
Monbaliu: (onverstoord) ‘Nee, maar ik heb wel mijn balans teruggevonden. Ik heb het werk wat afgebouwd en onze dienst heeft zich beter georganiseerd. Ik ben bewuster gaan leven. Ik probeer nu af en toe eens om 17 uur te stoppen om bij mijn gezin te zijn. Ik heb me beter leren ontspannen, ben weer muziek beginnen spelen. En ik laat me begeleiden door een coach.’

Is burn-out nog altijd een taboe in de medische wereld?
Monbaliu: ‘Het probleem krijgt toch niet de aandacht die het verdient. Uit een Amerikaanse studie bleek onlangs nog dat burn-outs vrij frequent voorkomen bij transplantatie- en traumachirurgen. Dokters zijn nu eenmaal niet de beste patiënten. Maar als wij ons niet verzorgen, hoe kunnen we dan anderen verzorgen? Aan een universiteit zit je bovendien met het heilige principe van de drievuldigheid: wij moeten én zorg bieden én aan onderzoek doen én onderwijzen. Voor veel mensen is dat verstikkend. Gelukkig wordt dat systeem bijgestuurd, zodat je die drie opdrachten meer kan spreiden over verschillende momenten in je carrière.’

Het is tijd om af te ronden, als Monbaliu zich aan zijn voornemen wil houden om af en toe eens om 17 uur thuis te zijn. Bovendien moet hij morgen vroeg op om 115 kilometer te gaan fietsen met patiënten. (zie inzet) De 6.000 ongelezen mails zullen voor volgende week zijn.

Of hij zelf zijn organen wil doneren na zijn dood, willen we toch nog weten. ‘Ik sta op de positieve lijst, ja. Daarmee geef je expliciet de toestemming om donor te worden. Ik zie het als een belangrijk signaal, zowel aan patiënten, nabestaanden en artsen: help andere mensen een tweede kans te geven.’

‘Een collega maakte ooit een ietwat lugubere vergelijking, maar ze klopt wel. Toen wij opgroeiden, stelde niemand zich vragen bij het feit dat we al ons afval in een en dezelfde vuilniszak deden. Nu vinden we het normaalste zaak dat we recycleren. Zo zal het ook met orgaandonatie gaan. Als we de onwetendheid wegnemen, is het potentieel nog enorm.’

De docureeks ‘Topdokters’ is te zien op VIER, dinsdag om 20.35 uur.

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content