Dit is de meest innovatieve school van Vlaanderen

©Kim Wendt

Een groeiende groep scholen stapt af van het klassieke lesgeven en laat de leerlingen meer zelf ontdekken en uitzoeken. Maar vernieuwen in het onderwijs is niet vanzelfsprekend. De middelen zijn beperkt en de scepsis is groot. Worden de kinderen er beter van?

Als je de receptie van De Met in de Leuvense deelgemeente Kessel-Lo binnenwandelt, krijg je niet meteen het gevoel dat hier een van de meest vernieuwende secundaire scholen van Vlaanderen huist. Het schoolgebouw doet in alles denken aan een traditioneel katholiek college. Tot 2019 werd het nog bewoond door zo’n twintig paters scheutisten, sindsdien is de stad Leuven de huisbaas.

Dat deze school het anders aanpakt, merk je pas als je door de ruimtes loopt waar de leerlingen aan het werk zijn. We schrijven niet ‘les volgen’, want zo werkt het niet in De Met. Er zijn geen klaslokalen waar iedereen in stilte naar een leerkracht luistert. Er is een wirwar van open kamers en hoekjes waar jongens en meisjes informatie opzoeken of aan een taak werken. Soms zie je ze, alleen of in een grotere groep, met een volwassene overleggen.

We zoeken nu meer mensen die ervaring hebben met groepsdynamiek, zoals jeugdwerkers en sociaal werkers.
Elke Geuens
Algemeen coördinator van De Met

Achter de ogenschijnlijke chaos schuilt een onderwijsvisie waarin zelfsturing centraal staat. ‘We werken met groepen van 14 leerlingen die begeleid worden door een coach. Tijdens een kringmoment bespreken ze ’s ochtends waar ze mee bezig zijn - dat kan ook een groter project zijn dat ze zelf tot een goed einde moeten brengen, een ‘challenge’ - en wie hen daarbij kan helpen. Ze bepalen zelf hoe ze hun agenda tussen die vaste momenten invullen, maar de coach is er altijd om te helpen’, zegt pedagogisch coördinator Griet Mertens. Elke coach is tegelijk een specialist in een bepaald vakgebied, die beschikbaar is voor de leerlingen uit alle groepen.

De zelfsturing van de leerlingen wordt wel beperkt voor ‘tredevakken’ als wiskunde en Frans, die een meer regelmatige herhaling vergen. ‘Daar ligt meer vast wat ze moeten doen en hoe’, zegt Mertens. ‘Voor wiskunde bijvoorbeeld bieden we bundels en filmpjes aan voor zelfstudie, maar ook instructie- en vraagmomenten voor bepaalde onderdelen.’ Maar ook hier is de regel dat die lessen alleen gevolgd moeten worden door wie ze echt nodig heeft.

©Kim Wendt

De Met opende dit jaar ook een afdeling in Sint-Katelijne-Waver en start volgend schooljaar op in Tielt-Winge, tussen Leuven en Aarschot. De school staat symbool voor een bescheiden, maar groeiende golf van vernieuwing die over het Vlaamse scholenlandschap rolt.

Dirk De Boe van Edunext, een vzw die scholen begeleidt bij transformatieprojecten, schat dat in Vlaanderen een vijftigtal scholen de overstap hebben gemaakt naar diverse vormen van ‘begeleid zelfstandig leren’. Een minstens even grote groep staat klaar om aan die transformatie te beginnen, denkt hij. Het is een fractie van de 1.000 secundaire scholen en 2.500 basisscholen in Vlaanderen. Maar De Boe gaat ervan uit dat ze de voorhoede vormen van een grotere vernieuwingsgolf.

Niet alle scholen pakken het even radicaal aan als De Met. De Oost-Vlaamse Scholengroep 20, die 15 scholen met ongeveer 6.000 leerlingen omvat, hanteert een mengvorm van klassikaal en zelfstandig leren. ‘We hebben een systeem van team teaching, waarbij een team leerkrachten twee of drie klassen samen begeleidt. In de meeste scholen moeten leerlingen eerder passief de leerstof absorberen. Wij proberen hen bewuster bezig te laten zijn met de vraag wat ze nu hebben geleerd’, zegt algemeen directeur Isabelle Truyen.

De scholengroep, die tot het gemeenschapsonderwijs behoort, besteedt veel aandacht aan een aangepaste leeromgeving. ‘Als je leerkrachten vraagt het leerproces zo ingrijpend te wijzigen, moet je hun de ruimte bieden. Daarom hebben we in onze gebouwen heel wat muren gesloopt of vervangen door flexibele en transparante wanden. Ook gangen en gemeenschappelijke ruimtes, zoals studiezalen, kregen andere functies.’

De blikvanger van de scholengroep wordt de nieuwe kleuter- en basisschool van het Koninklijk Atheneum in Zottegem, het eerste schoolgebouw in ons land dat ingericht werd door de Deense designstudio van architecte Rosan Bosch, samen met het architectenbureau B2Ai en de aannemer Alheembouw. Bosch ontwerpt schoolgebouwen met het oog op gemotiveerdere en creatievere leerlingen. In het gebouw zien we knusse zetels in organische vormen, veel buitenlicht en rustgevende, lichte materialen. Er zijn enkele instructielokalen waar leerkrachten les kunnen geven aan een grotere groep. Maar de nadruk ligt op gevarieerde ruimtes. De kinderen leren er soms individueel, soms in groep, in stilte of in overleg.

©Rosan Bosch Studio

Zelfstandig

Waarom moet het zo nodig anders? ‘Omdat het traditioneel onderwijs niet klaar is voor de veranderende maatschappij’, zegt De Boe. ‘Als je leerlingen op de toekomst wilt voorbereiden, moet je ervoor zorgen dat ze een leven lang hun plan kunnen trekken. Dat houdt onder meer in dat ze een set normen en waarden ontwikkelen en weten hoe ze zelfstandig kennis en vaardigheden kunnen verwerven en toepassen.’

De vernieuwers willen af van het klassikale schoolsysteem, met zijn nadruk op kennisoverdracht van een ‘alwetende’ leraar, en vinden dat we jongeren moeten leren hoe ze zich uit de slag kunnen trekken. Dat lukt het best door het leertraject af te stemmen op het niveau en het tempo van individuele leerlingen, klinkt het.

‘Het traditionele systeem verdeelt alles in hokjes’, zegt De Boe. ‘De leeromgeving is opgedeeld in klassen, de lestijden in vaste lesuren en de leerinhoud in afgelijnde vakken.’ Dat maakt het meteen erg moeilijk buiten die hokjes te denken. ‘Een vakoverschrijdend project tussen economie en geschiedenis is moeilijk te organiseren binnen de huidige infrastructuur en lessenroosters.’

In het traditionele onderwijs wordt veel van buiten geleerd in functie van examenresultaten, maar daar blijft weinig van hangen.
Dirk De Boe
Begeleider van transformatie- projecten in scholen

Omdat ze in Vlaanderen hun gading niet vonden, gingen de oprichters van De Met inspiratie halen in Nederland. Agora Onderwijs, een onderwijsvorm die autonoom leren helemaal centraal stelt, is daar al aan haar zevende jaar toe en telt een dozijn scholen. Het vlaggenschip is de Niekée-school in het Nederlands-Limburgse Roermond, die nu 289 leerlingen telt. In Vlaanderen lopen verkennende gesprekken om na Leuven ook een Agora-school op te richten in Hasselt en Gent.

‘Ik ben rector geweest van grote klassieke scholen en zag overal drie problemen terugkomen’, zegt Jan Fasen, een van de bezielers van Agora. ‘De kinderen waren niet gemotiveerd, er was een tekort aan leraren omdat het lesgeven niet leuk was, en de scholen waren niet afgestemd op wat zich buiten de schoolmuren afspeelt.’

Enkele leerlingen van Niekée die we via Zoom spreken, bevestigen dat ze op de school goed in hun vel zitten. ‘Ik heb minder stress en ben gemotiveerder dan op mijn vorige school’, zegt Cathelijne, die de overstap maakte van het klassieke onderwijs. ‘Ouders die ook kinderen op een klassieke school hebben, zeggen dat onze leerlingen veel zelfredzamer zijn’, zegt coach en kunstleerkracht Frances Theelen.

©Kim Wendt

Die zelfredzaamheid, daar is het de vernieuwers onder meer om te doen. Maar hoe zit het met kennisverwerving? Is dit niet het ‘pretonderwijs’ dat sommige politici aanklagen? De Boe: ‘Integendeel. We zien dat leerlingen in zulke leeromgevingen juist gemotiveerd zijn om kennis op te doen. Daar horen ook instructie en hard werken bij. In het traditionele onderwijs wordt veel van buiten geleerd in functie van examenresultaten, maar daar blijft te weinig van hangen. Dat verbetert sterk als je leerlingen zelf laat nadenken over hun leerproces.’

‘Als het er in andere scholen zo goed aan toe zou gaan als ze op hun website zetten, was er geen probleem. Maar zo is het in de praktijk helaas niet. Wij worden trouwens net als alle andere scholen onderworpen aan de inspectie en we voldoen aan alle wettelijke normen’, zegt Fasen.

Toch zijn academici sceptisch. ‘In Nederland is de onderwijsinspectie kritisch over dergelijke vernieuwingen’, zegt Kristof De Witte, onderwijseconoom aan de Katholieke Universiteit Leuven. Wouter Duyck, cognitief psycholoog en onderwijsexpert aan de Universiteit Gent, heeft het over ‘willekeurige experimenten met kinderbreinen’.

In Nederland worden de verplichte leerdoelstellingen in het zesde jaar getoetst met een centraal eindexamen. Dat leidt in de Agora-scholen tot stress, omdat leerlingen dan hun eventuele achterstand op sommige vakken in één keer moeten inhalen. De eerste resultaten geven ook aan dat hun slaagpercentage onder het landelijke gemiddelde ligt.

De Nederlandse hoogleraar pedagogiek Jos Claessen, die het systeem al jaren van nabij volgt, ziet dat niet als een onoverkomelijk probleem. De scholen scoren volgens hem wel goed op andere criteria, zoals schooluitval en niet-cognitieve vaardigheden. Bovendien kunnen we de eindafrekening pas maken als we weten hoe oud-leerlingen het er in het hoger onderwijs en op de arbeidsmarkt van afbrengen, is te horen.

In Vlaanderen is het daarvoor nog veel te vroeg. De oudste leerlingen van De Met zitten pas in het tweede middelbaar, wat wel betekent dat ze voor het eerst bepaalde eindtermen moeten halen. Ook bij ons komen er vanaf 2023 centrale toetsen, aan het einde van het vierde en het zesde leerjaar en aan het einde van het tweede en zesde jaar secundair onderwijs. Een goede zaak, vindt Duyck. ‘We zullen na enkele jaren kunnen meten welke scholen nu echt de grootste leerwinst toevoegen.’ Hij verwacht dat veel vernieuwende scholen dan door de mand vallen.

Is ander onderwijs ook beter?

Om die vraag te beantwoorden halen voor- én tegenstanders hun argumenten uit wetenschappelijk onderzoek.

Scholencoach Dirk De Boe van Edunext, een vzw die vernieuwende scholen begeleidt, verwijst naar John Hattie. De Nieuw-Zeelandse onderwijsexpert combineerde met meta-analyses duizenden onderzoeken uit de hele wereld. Op basis van die data stelde hij een soort ranglijst op van wat het best werkt om leerprestaties te bevorderen.

Vernieuwende scholen leggen de klemtoon op factoren die hoog scoren, zoals leerlingen bewuster maken van hun leerproces, klinkt het. ‘We geloven ook dat een betere relatie tussen leerling en leraar tot stand komt in een concept waarbij de leraar de leerling regelmatig coacht dan in een concept waarin de leraar voor een hele klas staat.’

Toch zijn veel academici er niet van overtuigd dat anders altijd beter is. Wouter Duyck van de Universiteit Gent, een cognitief psycholoog die vooral bekend is als onderwijsexpert, is sceptisch over onderwijsprojecten als Agora. ‘Ze overschatten leerlingen door van hen vaardigheden te eisen die ze nog niet hebben. In de zwemles gebruik je ook geen zelfontdekkend leren, want dan gaan sommigen verdrinken.’

‘De wereld is dan wel veranderd, ons brein is dat niet’, zegt hij. ‘De leermechanismen van onze hersenen zijn dezelfde als in 1800: instructie, herhaling, feedback. Er zijn geen honderd manieren waarop je het best leert rekenen en lezen. En dat blijven de basisvaardigheden die je nodig hebt om andere, zogenaamd 21ste-eeuwse vaardigheden te leren.’

Ook Pedro De Bruyckere, pedagoog aan de Artevelde Hogeschool, heeft bedenkingen. Hij wijst op het gevaar dat gepersonaliseerde leersystemen ongelijkheid in de hand werken, omdat ze de talenten en interesses versterken die kinderen van huis uit meekrijgen. ‘Wie in een rijk gezin is geboren, heeft vaak al meer ervaringen opgedaan dan wie uit een kansarm gezin komt. Zeker voor jonge kinderen is voldoende sturing door leerkrachten belangrijk.’

‘De jongste jaren is de slingerbeweging in het onderwijs sterk verschoven van kennis naar vaardigheden. Recente studies tonen echter dat expliciet kennis aanleren de effectiviteit van de vaardigheden ten goede komt’, zegt Kristof de Witte, onderwijseconoom aan de Katholieke Universiteit Leuven. Hij wijst erop dat in Nederland verschillende nieuwe onderwijsconcepten, zoals de Leonardo-scholen of iPad-scholen, alweer begraven zijn.

Weinig ondersteuning

De meeste ouders en leerkrachten lijken geen vragende partij voor een radicale verandering van het onderwijs. De twee grote onderwijsverstrekkers, het katholiek onderwijs en het gemeenschapsonderwijs (GO), innoveren wel, maar mondjesmaat. Ook zij hebben in Leuven twee vernieuwende scholen opgericht: de katholieke eerstegraadsschool Stroom en de GO-school Nova. Maar dat blijven relatief kleine experimenten die deels vasthouden aan een vakgericht leersysteem.

Ik heb minder stress en ben gemotiveerder dan op mijn vorige school.
Cathelijne
Leerling van de Niekée- school in Roermond

Innoveren buiten die grote spelers om is geen sinecure. ‘Een nieuwe school oprichten is echt ondernemen, met dezelfde uitdagingen als in een start-up’, zegt Elke Geuens, algemeen coördinator van De Met. ‘Het verschil is dat er voor ondernemers in het onderwijs weinig ondersteuning bestaat.’ Omdat scholen voor hun werkingsmiddelen afhangen van het aantal leerlingen in het voorgaande jaar, kreeg De Met in het eerste jaar nog geen middelen. Dankzij de selectie als transitieproject rond ‘leren en werken in 2050’ kwam er wel financiële steun uit Europa en Vlaanderen.

Een andere uitdaging was het vinden van de coaches. In de lerarenopleidingen ligt de klemtoon nog op klassieke vakleerkrachten, maar dat zijn niet noodzakelijk de beste coaches. ‘We zoeken nu meer mensen die ervaring hebben met groepsdynamiek, zoals jeugdwerkers en sociaal werkers’, zegt Geuens.

©Kim Wendt

Ook de zoektocht naar een eigen gebouw voor De Met is nog niet rond. De stad Leuven biedt slechts tijdelijk onderdak. En de grote koepels en andere organisaties concurreren mee om de schaarse locaties in de Dijlestad. ‘Het onderwijs wordt in stadsontwikkelingsprojecten over het hoofd gezien omdat sterk in vakjes wordt gedacht. Maar waarom zouden wij geen locatie kunnen delen met start-ups?’

Scholen die samenwerken of zelfs samenhuizen met bedrijven, dat denkspoor hoor je wel vaker bij onderwijsvernieuwers. ‘Scholen kunnen bedrijven veel bijbrengen. Veel werknemers missen vaardigheden die je op school kan aanleren, zoals informatie analyseren, brainstormen, een plan maken en presenteren’, zegt De Boe, die behalve aan scholen ook innovatieadvies geeft aan bedrijven.

Maar in de praktijk ligt dat moeilijk. Buiten het technisch en het beroepsonderwijs is ‘duaal leren’ in Vlaanderen niet ingeburgerd. Ook Agora Nederland heeft er gemengde ervaringen mee. ‘Niet alle bedrijven kunnen even goed om met kinderen op de werkvloer. Het is een traag en hobbelig proces.’

Een vruchtbare samenwerking vereist dat het bedrijfsleven niet eenzijdig op de technische STEM-vakken (wiskunde, techniek en wetenschappen) focust, is te horen. ‘We moeten ook de verbeelding van leerlingen laten werken. Leer ze niet alleen hoe je een automaat bouwt, laat hen in een maakatelier ook nadenken over hoe ze die beter kunnen maken.’

Piet Desmet, vicerector van de KU Leuven en een expert in onderwijstechnologie, sluit zich daarbij aan. ‘In de raden van bestuur van bedrijven vragen ze niet alleen cijferaars. Daar wordt die technische kennis plots minder relevant en zoeken ze vooral sterke vaardigheden in communicatie en onderhandelen. Gecijferdheid en geletterdheid gaan hand in hand.’

©Kim Wendt

Golf digitale leermiddelen

Elk debat over innovatie in het onderwijs klonk wat hol zolang leerlingen niet eens over een eigen computer beschikten. Tot nu waren scholen daarvoor op het geld van ouders en mecenassen aangewezen, maar daar komt verandering in. In het kader van de economische relance maakte Vlaanderen 375 miljoen euro vrij voor een Digisprong in het onderwijs.

Minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) legt in dat plan de klemtoon op de aankoop van toestellen, zoals laptops en tablets. In de derde graad van het basisonderwijs krijgen scholen er 290 euro per leerling voor, in het secundair onderwijs 510 euro. Daarnaast wordt 42 euro per leerling voorzien voor ondersteunende ICT-infrastructuur zoals wifi-netwerken, en komen er middelen voor opleiding en ICT-ondersteuning.

Het is ook uitkijken naar het aanbod dat bedrijven in de markt zetten rond de Digisprong.

Iedereen in het onderwijsveld is het erover eens dat die digitale inhaalbeweging nuttig en nodig is. Tegelijk dringt zich de vraag op hoe de scholen al die nieuwe computers gaan gebruiken. Beslist elke leerkracht zelf, of reikt de overheid hier ook hulpmiddelen aan?

Volgens Weyts is het wel degelijk de bedoeling nog voor de zomervakantie initiatieven te lanceren rond digitale leermiddelen. Naast een nieuw kennis- en adviescentrum worden twee platformen verder uitgebouwd: KlasCement, een
onlineplatform dat gratis digitaal lesmateriaal verspreidt, en het Archief voor Onderwijs, een audiovisuele databank voor leerkrachten.

De ICT-coördinatoren in scholen mogen rekenen op een beter statuut met meer uren. Een vernieuwing die het leven van leerkrachten en leerlingen een stuk aangenamer zal maken, is de invoering van een ‘single sign-on’, een unieke login voor verschillende educatieve platformen en leermiddelen.

i-Learn

Ook vanuit het onderzoeksinstituut Imec is een golf aan educatieve innovatie op komst. Een van de grootste vernieuwingen wordt i-Learn, een platform ontwikkeld door Imec en de KU Leuven onder leiding van vicerector Piet Desmet. Het is een open portaalsite voor digitaal gepersonaliseerd leren. De software daagt sterke leerlingen extra uit, en geeft zwakkere leerlingen meer ondersteuning. Voormalig minister van Innovatie Philippe Muyters (N-VA) investeerde in 2019 20 miljoen euro in het project. De lancering is voorzien op 1 september.

Behalve i-Learn ontwikkelde Imec nog meer dan een dozijn andere digitale schooltoepassingen in het programma Smart education @ Schools, zoals een virtualrealityapplicatie voor verkeerslessen en een digitaal paspoort om leerlingen te helpen bij hun studiekeuze in het secundair onderwijs.

Het wordt ten slotte ook uitkijken naar het aanbod dat bedrijven in de markt zetten rond de Digisprong. Door de coronacrisis zagen zij de vraag naar ICT-diensten al fors toenemen, en nu komt daar een fors overheidsbudget bovenop. Marktleider Signpost en de telecomreus Proximus pakten in februari uit met een all-informule met computers, connectie en software.

Terwijl Signpost sterk gelinkt is aan Microsoft-software, werkt Google onder meer via zijn Belgische partnerbedrijf Fourcast for Education. Daar kunnen scholen Chromebooks kopen, eenvoudige Google-laptops om online mee te werken. Die kosten 200 tot 300 euro per stuk. Scholen die een licentie kopen om de toestellen centraal te beheren (34 euro per toestel) krijgen in ruil een ‘pedagogisch budget’ van 5 euro per Chromebook. Dat geld kunnen ze besteden aan opleidingen of betalende extra software. Google zelf brengt deze maand zijn Workspace for Education uit, een vernieuwd softwareaanbod voor het onderwijs.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud