2. De ontdekking van de hemel

De reden dat hij nooit de Nobelprijs Literatuur heeft gekregen, is eenvoudig: de jury reikt de prijs doorgaans alleen aan volwassenen uit. En Harry Mulisch is nooit ouder geworden dan 17.

Dat is althans wat de Nederlander steevast beweerde en waarvan ook zijn uiteindelijke magnum opus, ‘De ontdekking van de hemel’, een toonbeeld is. Ook al publiceerde hij het pas in het jaar dat hij 65 werd.

Er zijn maar weinig romans waarmee jongens van 23 - zo oud was ik toen ik het las - meer worden bevestigd in hun zelfvertrouwen dat ze de wereld snappen en dat die aan hun voeten ligt. ‘De ontdekking van de hemel’ is de boekgeworden onbescheidenheid. De zeven verhaallagen, het gedweep met kennis en weetjes, maar vooral de literaire alchemie waarmee Mulisch met een jongensachtige zelfverzekerdheid alles aan alles verbindt om uiteindelijk pesterig te concluderen dat toeval wel degelijk bestaat: het is manna voor de jongvolwassene, verpakt in een uitbundige stijl.

Zo’n boek schrijven na je zestigste verjaardag bewijst de juistheid van Mulisch’ boude bewering dat hij altijd 17 is gebleven. Mulisch bleef 17, ik niet. Dat bleek wel toen ik het twee jaar geleden, ver na mijn dertigste, herlas. De roman kwam me ineens onuitstaanbaar protserig en betweterig voor. Kinderachtig, dat spervuur van de eigen eruditie. Overvloedig op een hinderlijke manier. En dat stuitende gebrek aan twijfel!

Maar hoe treurig en schriel is zo’n relativisme van een late dertiger tegenover de bruisende Sturm und Drang van een 17-jarige zestiger?

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud