Waar is het misgelopen?

Roland Hecht (Crédit Local de France), directievoorzitter Francois Narmon en ondervoorzitter Luc Onclin (Gemeentekrediet) bij de aankondiging van de fusie in 1996. ©Image Globe

Waarom staat Dexia sinds 2008 op de rand van de afgrond en lijkt geen uitweg mogelijk zonder bijkomende hulp? Sinds de fusie in 1996 van het Gemeentekrediet met Crédit Local de France was het parcours van Dexia altijd al hobbelig en incidentrijk. De bankencrisis, en daarna de eurocrisis, gaven de gevreesde nekslag.

In de Franse pers wordt de situatie van Dexia dezer dagen vaak vergeleken met de spectaculaire ondergang van Crédit Lyonnais, de grote Franse staatsbank die ten onder ging aan megalomanie. Bij Dexia is het verhaal complexer, zij het dat de grootheidswaanzin af en toe ook om de hoek loerde. Een reconstructie van het brokkenparcours.

1. De opzet

De eerste voor de hand liggende vraag is of de fusie op zich een goed idee was. De combinatie lag alvast moeilijk. De Belgische partner was een niet-genoteerde openbare bank waar de lokale overheden de dienst uitmaakten. De Franse partner Crédit Local de France (CLF) was beursgenoteerd. Bij de Belgen was Gemeentekrediet-topman François Narmon ervan overtuigd dat hij het Gemeentekrediet moest uitbouwen tot een volwaardige bank. In België was er toen een hele discussie over de zogenaamde Grote Belgische Bank: een fusie van de grote Belgische banken van destijds, met name Generale Bank, Bank Brussel Lambert en Gemeentekrediet. Gemeentekrediet viel als eerste uit de boot omdat de instelling als ‘te politiek’ werd beschouwd. Narmon ging dan maar op zoek naar een zielsverwant en vond die in Frankrijk.

Op het eerste gezicht leek het een goede fusie: de instellingen waren ongeveer even groot en hadden dezelfde kernactiviteit. Maar vanaf het begin zat er duidelijk één mismatch in. CLF had geen cliënteel dat een goedkope geldstroom garandeerde en moest zich bevoorraden op de markten. Het gebrek aan een retailnetwerk bij CLF is steeds een handicap gebleven. De Franse bank poogde herhaaldelijk een retailbank te vinden, zonder succes.

2. De moeilijke overnametocht

Dexia deed, zoals de meeste banken toen, tegen een hoog tempo overnames. Soms waren die logisch, zoals het opkopen of participeren in banken die gespecialiseerd waren in de financiering van (lokale) overheden, soms waren ze vreemd.

In België nam Dexia Artesia (de combinatie van Bacob Bank, Paribas Bank België en de verzekeraar DVV) over. Dat vergrootte nog eens de depositobasis van Dexia in België en voorkwam dat de bank een lilliputter werd tegenover het toenmalige Fortis en de KBC-groep. Maar het haalde zo ook de huisbankier van Lernout en Hauspie binnen, met dus een hoop miserie tot gevolg.

Complete miserie was het in Nederland, waar de ene miskoop het andere drama opvolgde. Dexia kocht bijvoorbeeld de zakenbank Kempen zonder duidelijke strategische doelen. Erger nog was de koop van Labouchère, een vermogensbeheerder die een onderdeel van de verzekeraar Aegon was. Door die overname werd Dexia het doelwit van duizenden woedende beleggers die zich getild voelden door een aandelenlease. De zaak zou jaren aanslepen, kostte Dexia miljarden en hielp zijn reputatie in Nederland om zeep.

Door de Amerikaanse kredietverzekeraar FSA verzeilde Dexia in de ondoorzichtige markt van de ‘municipal bonds’ en uiteindelijk in de subprimekredieten. Die overname ontspoorde volledig door de financiële crisis van 2008.

De overname van de DenizBank in Turkije was nog zo’n misstap. Wat moest een financier met een lokale Turkse retailbank, ook al is die winstgevend? Strategisch was er dus geen ‘klare lijn’.

3. De opgepompte kredietportefeuille

Dexia had een goede kredietscore en gebruikte die om zijn obligatieportefeuille sterk uit te breiden. Traditioneel was de bank belegd in overheidspapier en kredieten aan lokale overheden. Omdat de bank makkelijk toegang had tot de markt om geld op te halen werd het balanstotaal serieus opgepompt met obligaties. Dat leverde snel gewin op. Alleen sloeg de situatie om toen de markt niet meer in de kredietwaardigheid geloofde en de geldkraan dichtdraaide. Wat Dexia in een liquiditeitscrisis duwde.

Tot voor de eurocrisis werden overheidsobligaties beschouwd als een belegging zonder risico, maar dat bleek dus niet het geval. De financiering is het grootste probleem geworden. Daarom is de bad bank, pardon restbank, nodig om het puin van het verleden te verteren. De afgezonderde portefeuille moet daarom niet bestaan uit pure rommel, het financieren ervan is een rommeltje geworden.

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud