‘It's always a step in the dark.'

©Dieter Telemans

De lijst van overnames op naam van Luc Tack is intussen heel lang, maar de instap van Picanol in het chemiebedrijf Tessenderlo was van een nieuwe grootteorde. Tack werd met de machinebouwer referentieaandeelhouder van een bedrijf dat ruim drie keer groter is. ‘Het is eenvoudig: je gaat vooruit of je gaat achteruit.’

Op zijn 18de liet de nu 52-jarige Luc Tack zich meerderjarig verklaren. In 1980 moest je nog 21 zijn om een handelsregister aan te vragen. Maar daar wou hij niet op wachten. Het ondernemerschap jeukte gewoon. En bijna 35 jaar later is dat nog steeds zo. Het hoeft allemaal niet meer, te zien aan de enorme reserves die hij heeft opgepot in zijn inmiddels lange lijst bedrijven. Maar hij blijft verder gaan. Getuige de vorig jaar veelbesproken en verrassende instap van ‘zijn’ weefmachinebouwer Picanol in het chemiebedrijf Tessenderlo. Hij is ‘gewoon graag industrieel bezig’. ‘En het is eenvoudig’, zegt hij. ‘Ofwel ga je vooruit, ofwel ga je achteruit. Stilstaan is ook achteruitgaan.’

Tack is niet de man van de ronkende verklaringen. Ooit gevraagd welke eigenschappen een goede ondernemer moet bezitten, antwoordde hij droogjes: ‘Ik ben daar niet mee bezig. Voor mij tellen maar drie dingen: het bedrijf, het bedrijf, het bedrijf.’ Dat de ondernemingen die hij controleert nagenoeg allemaal gezond zijn en sterk presteren op soms moeilijke markten, daar is geen geheim recept voor. ‘Het gaat om gezond verstand. Met de voeten op de grond elke dag hard werken. En als het moeilijk gaat niet onmiddellijk opgeven.’

Maar bovenal gaat het ook om durven te springen als de kans zich voordoet. Toen Tack in 2009 voor het eerst echt voor het voetlicht trad met zijn redding van Picanol, verklaarde toenmalig voorzitter Luc Van Nevel letterlijk: ‘Hij durft risico’s te nemen. Niemand anders durfde het aan om in deze turbulente tijden geld te stoppen in het bedrijf.’ Tack was al sinds 2005 minderheidsaandeelhouder bij Picanol en was hij in 2009 niet over de brug gekomen met 15 miljoen euro, dan bestond een van Vlaanderens industriële parels vandaag niet meer.

  1. Durver in moeilijke omstandigheden? Tack redde Picanol van het faillissement. Bij Tessenderlo stapte hij in toen er twijfel was over de transformatie van de groep. Zijn textielbedrijven opereren in een sector die zwaar onder druk staat. Hij vecht voor de maakindustrie terwijl die in België afkalft.
  2. Durver met eigen kapitaal? Hij financiert alles met wat hij opgebouwd heeft. Omdat hij nagenoeg alle winsten in zijn bedrijven houdt, heeft hij enorme hefbomen.
  3. Durver buiten zijn comfortzone? Hij begon als houthandelaar, stapte daarna over naar textiel, truckservicestations, machinebouw en nu chemie. Hij verlegt zijn grenzen, maar hij wil wel binnen de ‘basisindustrie’ blijven.
  4. Innovatieve durver? Hij vernieuwt in traditionele sectoren. Picanol is technologische wereldtop in machinebouw. Zijn textielbedrijven investeerden in hightech productiesystemen.
  5. Realistische durver? Hij heeft een ongelooflijk trackrecord. Nagenoeg al zijn investeringen renderen. Picanol heeft een omzet van 560 miljoen euro en een nettowinst van 73 miljoen euro. Er zijn 1.990 werknemers. Een analistenrapport titelde onlangs: ‘In Tack we trust’.

 

Tack geloofde dat Picanols weefmachines en technologie wel degelijk nog toekomst hadden, maar dat de focus daar gewoon te weinig op was gelegd. ‘Soms doet een opportuniteit zich voor’, vat hij het vandaag droogjes samen. ‘Je onderzoekt die en dan is het de vraag: durf je of durf je niet? Daarvoor moet je altijd rekenen. Mijn rekenmachientje zit nooit ver (hij haalt een kleine zakrekenmachine uit de binnenzak van z’n jas en legt die voor hem op tafel, red.). Maar hoe goed je ook rekent, it’s always a step in the dark. Elke overname is een risico.’ En alsof hij dat nog eens wil benadrukken, klopt hij met z’n hand nogmaals op zijn rekenmachine. ‘Mijn kinderen lachen me daarmee trouwens uit. Papa, zeggen ze, iets uitrekenen doe je toch gewoon met je telefoon!’ (lacht luid)

Luc Tack heeft het lef om op kansen te springen in de genen zitten. Zijn vader was ook al ondernemer. Eerst in vlas, later in servicestations om tanks van vrachtwagens te reinigen. Ook Tack zelf heeft daar vandaag nog activiteiten in, in Zeebrugge, in Lokeren en via een overname in 2008 nog in Nederland. Maar zijn verhaal begon op zijn 18de eigenlijk in de houtsector. Hij zag dat de meubelfabrieken in de streek moeilijk aan eikenhout geraakten en dus begon hij te handelen in Amerikaans hout. Toen hij aan het einde van de jaren 80 trouwde met de dochter van textilien Roger Clarysse raakte hij ook geïnteresseerd in textiel. In 1990 kocht hij de interieurstoffenfabrikant Ter Molst, in 1992 de matrasstrijkproducent Monks.

‘Toen ik zag dat de textiel hier onder druk kwam, hebben we de moed gehad om Symphony op te richten, een bedrijf dat de eigen bedrijven hier ging uitdagen door stoffen te importeren uit het Verre Oosten. Door die import konden we onze bedrijven hier scherp houden en wisten we perfect waar de sterktes en zwaktes zaten.’

Tack opereerde vanuit zijn gezond verstand en altijd alleen als kapitein op het schip, al liet hij zich ook gidsen door mensen die hij vertrouwde. ‘Ik heb mijn vader redelijk vroeg verloren, meer dan twintig jaar geleden, en ik heb altijd veel gehad aan mijn schoonvader. Hij was een goede fabrikant. Een goede technieker. Als ik zei: we gaan hier een vloer gieten en we gaan met een trapje naar beneden gaan, zei hij: ‘Maar hoe is dat toch mogelijk? Een fabrieksvloer moet vlak zijn, er moet daar geen hoger of lager niveau in zitten.’ Ik heb veel van hem geleerd. Hoe een fabriek werkt. Hoe je geen compromissen mag maken op kwaliteit. Het is cruciaal dat je mensen rond je hebt die je kan vertrouwen. En als je vertrouwen geeft, krijg je ook vertrouwen. Alleen kan ik weinig realiseren.’

Veel luisteren

Risico’s durven te nemen heeft volgens hem ook te maken met risico’s spreiden. Dat is wellicht het enige ‘plan-Tack’ dat er bestaat. Hij stapte van trading in productie, van hout naar textiel, naar en passant ook tankcleaningstations, naar de overname (in 2005) van Artilat, een fabrikant van latexkernen voor meubelen en matrassen, naar de machinebouw bij Picanol. Hij zette Picanol zo indrukwekkend op orde dat het bedrijf het vorig jaar aankon om een referentiebelang te kopen in de kwakkelende chemiegroep Tessenderlo, een bedrijf dat ruim drie keer groter is dan de groep uit Ieper. ‘Het voordeel van verschillende bedrijven hebben, is dat er altijd een paar zullen zijn die het relatief goed doen en een paar die het wat minder goed doen’, zegt Tack. ‘In de Bijbel spreken ze over de zeven magere jaren en de zeven vette jaren, ik geloof dat dit in het bedrijfsleven ook geldt. Je hebt jaren dat het meezit en jaren dat het tegenzit. Als we meer gespreid werken, kunnen we meer stabiliteit hebben. Elke business is ergens cyclisch. Het is nooit altijd en overal rozengeur en maneschijn.’

En dus zoekt Tack voortdurend opportuniteiten. ‘Van grote tegenslagen ben ik gespaard gebleven. Al is de ene overname natuurlijk altijd succesvoller dan de andere. De rode draad is gewoon dat we ons altijd afvragen: als het tegenvalt, kunnen we dan financieel verder? Als we te veel op het spel zetten, zal het altijd een no-go zijn. Hoe lucratief en leuk de deal ook mag zijn, dan is ze niet voor ons. Dat is heel belangrijk. Je mag jezelf niet overschatten.’

Vanuit die redenering heeft Tack haast altijd al zijn winsten opgepot in zijn bedrijven. Bij de kmo’s Ter Molst en Monks gaat het bijvoorbeeld om tientallen miljoenen euro’s, meer zelfs dan de omzet. ‘Als je geen middelen hebt, dan kan je ook niet snel ingaan op opportuniteiten’, zegt hij. ‘Als je voortdurend met je auto in reserve moet rijden op de autosnelweg, is dat ook niet leuk.’

Hij wil snel kunnen schakelen. Zoals in 2009, toen hij zonder problemen eigenhandig 15 miljoen op tafel kon leggen bij Picanol. Het patroon herhaalde zich daarna in Ieper gewoon opnieuw: Picanol potte zijn winsten op en kon daarmee in 2013 de Tessenderlo-deal behappen.

Met zulke hefbomen lijkt er nog veel mogelijk. Waar eindigt de rit voor Tack? Waar wil hij nog naartoe? ‘Je weet nooit welke opportuniteiten zich morgen voordoen’, antwoordt hij. ‘Als zich iets aandient dat interessant is, zouden we dom zijn om het niet te doen. Maar je moet nu niet denken dat ik, ik zeg maar iets, morgen in de bakkerijsector ga stappen. Ik ben graag bezig met basisindustrie. Dingen met een lang verleden en een mooie toekomst. Hypeproducten zoals de telefonie - eerst had je Ericsson, dan Nokia, daarna Apple, nu Samsung en straks weet ik veel wie - dat is te vluchtig. Tessenderlo maakt gelatine, de Romeinen deden dat ook al. Ze kookten ook al de beenderen om er lijm uit te halen. En de Egyptenaren weefden al.’

‘Maar’, houdt hij nog even de boot af, ‘we hebben nu vooral een vette kluif aan waar we mee bezig zijn. Tessenderlo boekte vorig jaar 61 miljoen euro verlies. Het is niet eenvoudig dat om te keren. Je moet beslissingen nemen, waarvan je denkt dat ze juist zijn, maar waarvan je het pas achteraf zeker weet. Dat geeft veel stress. Als je 18 bent, dan denk je niet te veel na. Hoe ouder je wordt, hoe meer je dat wel doet. Ondernemen zal altijd gaan om risico’s. Het enige wat je kan doen, is maken dat je voorbereid bent voor als het tegenvalt. Dat je morgen weer verder kan. En op je tanden bijten als het tegenzit. Ik zeg vaak: Superman bestaat niet, er bestaat alleen maar hard werken.’

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud