'Dit is mijn Europa niet meer' - Interview juli 2012

Wilfried Martens is boos. Razend eigenlijk. Omdat het grondig fout loopt met Europa. ‘Zijn’ Europa, zoals de voorzitter van de Europese Volkspartij het zelf noemt. En omdat de euroleiders de problemen maar voor zich uit blijven schuiven. ‘Ik word er ziek van.’

‘Wilfried! Wilfried! (…) Poes! Die journalist die zoveel zaagt, is hier.’ Het is donderdag, pal op de middag en Miet Smet, sinds 2008 de echtgenote van Martens, begroet mij met een brede grijns in haar herenhuis aan de oevers van de Durme in Lokeren.

Martens - die we in de uren daarop zullen leren kennen als ‘poes’ en ‘schatteke’ - kijkt op uit de fauteuil. ‘Ja, ja.’ Hij werpt ons een klein hoofdknikje toe en gaat dan verder waarmee hij bezig was: poseren voor de fotografe. Pretlichtjes in de ogen, de handen zedig gevouwen op de knie.

‘Hij is moe, maar in vorm’, lacht Smet, waarop ze weer naast haar man plaatsneemt in de zetel. Ik sla het wat zenuwachtig gade. Heb ik niet te hard aangedrongen op dit interview? Wat te veel gezaagd? Kan dat wel, een man van 76 die nauwelijks twee weken geleden onwel werd door stress en oververmoeidheid opeisen voor een stevig gesprek?

‘Neen’, had Smet mij enkele dagen voor onze afspraak gezegd. ‘Bel Wilfried, zoals de rest van de journalisten. Maar kom niet langs. Hij moet rusten.’ Toen ik de dag daarna Smet een sms stuurde met een nieuwe vraag om langs te komen en een aanbod tot lunch, had ze me opgebeld. ‘Allez, ’t is goed. Kom maar af. Al is het maar om van uw gezaag af te zijn. En wij kiezen het restaurant, hè!’

De fotosessie is voorbij en ik schud een zichtbaar vermagerde Martens de hand. Ik vraag hoe het met hem gaat. ‘Goed! Ja, goed!’ En dan, na enige aarzeling, en met zijn typische plechtstatigheid. ‘Ik zit in een donkere tunnel. Veel heeft te maken met de euro, en wat er nu mee aan het gebeuren is. Ik kan dat niet loslaten, weet u.’ Hij stapt de hal in. ‘Miet, komt ge nu?’ En dan weer tegen mij: ‘Maak u geen zorgen. Ik doe niets liever dan over Europa praten.’

Ik volg het koppel Martens-Smet naar een restaurant in de buurt. De uitbaatster begroet het duo als twee oude bekenden. ‘En hoe gaat het met u, mijnheer Martens?’, vraagt ze meelevend. ‘Goed! Goed!’ Als we goed en wel plaats hebben genomen op het terras, valt Martens’ gezicht weer in een ernstige plooi. ‘Ik moet morgen weer naar het ziekenhuis. De dokters willen onderzoeken of er niets aan mijn hart schort.’

Wat was er volgens u zelf aan de hand, toen u midden juli onwel werd bij een zwempartijtje in Italië?

Martens: ‘Ik weet het niet, en de dokters ook niet. Ofwel ben ik uitgeput, ofwel is er een andere fysieke oorzaak.’

Smet: ‘Het is u te veel geworden, schatteke.’ Martens: ‘Sinds mei 2010, toen de eurocrisis met de eerste redding van Griekenland losbarstte, leef ik met enorme stress. In een donkere tunnel, zoals ik daarnet zei. We leven daar allemaal in. Zonder dat we het einde zien.’

Waarom valt u dat zo zwaar?

Martens: ‘Ik ben verbonden met Europa. Niet met de crisis, maar met de geboorte van het moderne Europa. Ik was premier, toen Jacques Delors in november 1985 (Franse socialist, toenmalig voorzitter van de Europese Commissie, red.) met zijn idee van de Europese eenheidsmarkt op de proppen kwam. Ik had net de verkiezingen gewonnen en zetelde toen in de Europese Raad. Een geweldige tijd!’

Martens is niet meer te houden. Met luide stem haalt hij herinneringen op. Over hoe hij na het ballonnetje van Delors betrokken was bij het topoverleg over hoe de eenheidsmarkt er moest gaan uitzien. Over hoe Margaret Thatcher (toenmalig Brits premier, red.) tegenspartelde tegen ‘meer Europa’, maar overstemd werd door haar pro-Europese collega’s. ‘Dat enthousiasme voor Europa, dat was ongelofelijk!’

Vandaar meandert Martens naar het Verdrag van Maastricht, dat in 1993 Delors plan betonneerde. Hij veert op als hij terugdenkt aan het weerwerk van de Duitsers. ‘Ze wilden garanties voor budgettaire discipline bij de lidstaten. Ze kregen de Maastrichtnorm (die bepaalde dat de begroting van een lidstaat maar 3 procent in het rood mocht gaan, red.). De Duitsers hebben zelf het slechte voorbeeld gegeven!’

En hij komt weer in zijn donkere tunnel uit, als hij het heeft over hoe de Grieken in 2010 in zware problemen kwamen. ‘Een drama. Voor Europa, en voor mezelf.’ Tussendoor heeft Smet hem twee keer met zachte hand aangespoord om aan de maaltijd te beginnen – ‘Poes, eet toch iets’ – maar haar oproep valt in dovemansoren. Martens’ aperitief, een aperitiefhapje en een voorgerecht staan onaangeroerd voor hem op tafel.

Is de stress die u nu hebt te vergelijken met uw stress als Belgisch regeringsleider in de jaren 80?

Martens: ‘Neen. Ik leef met de eurocrisis. Er is een verbinding tussen mijzelf en Europa.

Smet: Als er moeilijkheden in Europa zijn, dan voel je dat direct aan Wilfried. Met de Griekse crisis is dat nog verergerd. Sinds 2010 is hij zeer gestresseerd. Het gebeurt dat we op vakantie zijn in Zuid-Frankrijk en dat hij onmiddellijk terug naar Brussel wil. Soms gaat hij over en weer om de partijen die bij de EVP horen (zie inzet) te ondersteunen met raad en advies. Hij heeft er zelfs voor gezorgd dat we in ons vakantiehuis in Frankrijk de Vlaamse radio en tv kunnen ontvangen. Zo kan hij de hele dag alles opvolgen.’ (lacht)

Als voorzitter van de EVP heeft u macht, maar niet voldoende om de eurocrisis op te lossen. Waarom laat u niet gewoon los, zeker nu het fysiek wat minder gaat?

Martens: Macht? De EVP levert met Herman Van Rompuy de voorzitter van de Europese Raad, twaalf van de 27 Europese commissarissen, zestien van de 27 eerste ministers in Europa én we zijn de sterkste fractie in het parlement. Als voorzitter breng ik al die mensen samen. De EVP heeft de macht, en dus de verantwoordelijkheid om de crisis op te lossen.

Maar u hoeft toch niet per se voorzitter te blijven (Martens is EVP-voorzitter sinds 1990, red.)?

Martens: Wie gaat het anders doen? Als de EVP iemand vindt, zet ik graag een stap opzij. Maar ik zie geen enkele kandidaat. Tot de Europese verkiezingen van 2014 blijf ik.

Voelt u zich verantwoordelijk voor de huidige crisis? Zagen de Europese dromen van uw generatie politici er te rooskleurig uit?

Martens: We zijn ons gaandeweg bewust geworden van de lacunes in de Europese constructie, ja. Maar om een recente uitspraak van Jacques Delors te citeren: ‘Deze euro is niet mijn euro.’ Voor mij moest er met de euro ook een gemeenschappelijk economisch beleid komen onder leiding van de Europese Commissie. En dat is niet gebeurd.

Smet: Maar waarom hebben ze dat niet voorzien, Wilfried?

Martens: Omdat verschillende lidstaten daar niet klaar voor waren. Je kunt veel willen, maar je moet ook kijken naar de krachtsverhoudingen. Duitsland wilde geen unie met transfers tussen de deelstaten. Hadden we die wel gehad dan hadden we veel problemen kunnen vermijden. Maar had het anders kunnen lopen? Dat weet ik niet. Zoiets gaat stap per stap. Toen we de krijtlijnen van de euro uittekenden, dachten we dat Europa stelselmatig naar een politieke en budgettaire unie zou evolueren.

Een gevaarlijke gedachte.

Martens: (fel) We moesten vooruit. We moesten de stap naar de eenheidsmarkt en naar de euro zetten. De voordelen waren eenvoudigweg te groot.

En nu?

Martens: ‘We hebben maatregelen nodig om hieruit te raken. Ik zie een belangrijke rol weggelegd voor de Duits-Franse as. De Fransen moeten hervormingen aanvaarden, de Duitsers solidariteit. Herman Van Rompuy stelde voor om het noodfonds om te turnen in een bank, Duitsland heeft dat geblokkeerd. Eerst moet er een politieke unie zijn, zegt Angela Merkel. Dat gaat niet, hè. In beginsel aanvaardt Duitsland solidariteit, maar in de praktijk doet het dat te weinig.’

Verdenkt u Angela Merkel van kwade wil?

Martens: ‘Neen. Ik denk dat de Duitsers op hun tandvlees zitten. Merkel moet al die steun kunnen blijven verkopen aan haar parlement, hè. Vergeet niet dat Duitsland zich al voor 310 miljard euro geëngageerd heeft naar de andere lidstaten toe. Het is geen vijf over twaalf zoals Guy Verhofstadt (liberaal europarlementslid, red.) zegt. Maar de situatie is wel dramatisch.’

Akkoord. Maar hoe raken we eruit? Er is actie nodig, en wel nu.

Martens: ‘Inderdaad. Ik vind dat de Europese Commissie nu eindelijk eens uit haar pijp moet komen. Daarin volg ik Verhofstadt (die bepleitte deze week dat de Europese Commissie een duidelijk stappenplan moet ontvouwen om een volwaardige budgettaire, monetaire en politieke Europese unie te creëren, inclusief euro-obligaties, red.). Maar de Commissie is vandaag veel minder dynamisch dan in het tijdperk-Delors.

Hoe komt dat?

Martens: (diepe zucht)

Smet: ‘Persoonlijkheden. Mensen met een echte drive, een echt toekomstplan zoals Delors zijn dun gezaaid.’

Martens: ‘Neen, neen, neen.’

Martens klapt dicht, als ik doorvraag naar het verschil tussen de politici van zijn generatie en die van vandaag. Hij is een über-diplomaat die zich niet op een kwaad woord over pakweg Merkel of Jose Manuel Barroso (de huidige voorzitter van de Commissie) laat betrappen. ‘Ik ben gewoon erg genuanceerd’, zegt hij als ik hem met die bemerking confronteer.

Als ik opmerk dat ik die genuanceerdheid opmerkelijk vind voor een man die zo emotioneel is, antwoordt hij: ‘Ik kan u niet zeggen wat ik echt denk. Daarvoor is mijn verantwoordelijkheid te groot. Met Europa is het zoals met mijn taal, ik doe constant aan zelfcensuur. Ik houd mezelf onder controle.’ Wie Martens wil begrijpen, moet tussen de lijnen lezen. Of naar Miet Smet, zijn muze, luisteren.

Zelfs als de Europese Commissie uit haar pijp komt, lijkt er voor de Grieken geen toekomst in de eurozone.

Martens: ‘Ik ben op dat vlak wat gerustgesteld. Ik had deze week Antonis Samaras (de Griekse premier, red.) aan de lijn, en hij vertelde me over zijn ontmoeting met Barroso. En voor het einde van augustus heeft hij belangrijke contacten met Angela Merkel. Het zegt mij dat we niet afstevenen op een horrorscenario waarbij Griekenland uit de euro valt. Ik leid daaruit af dat Samaras de wil heeft om verder te hervormen, om privatiseringen door te voeren.’

Wil is één ding. Maar wat is zijn kans op slagen? Griekenland gaat door een Grote Depressie.

Martens: ‘Er zijn nog mogelijkheden, maar dan moet Europa de Grieken ook wel hoop bieden. Perspectief. Uitzicht op beterschap.’

En dat perspectief heeft Europa te weinig geboden. Hoop was…

Martens: ‘…er niet. En is er nu in beperkte mate met het groeipact. Ik denk dat Samaras aan zijn Europese schuldeisers uitstel van betaling zal vragen. En ik vind dat Europa dat uitstel ook moet verlenen. Het is positief dat de financiële sector al een groot deel schulden van Griekenland heeft kwijtgescholden. Onvoldoende, zegt u? Mja, ik denk ook dat het niet voldoende zal zijn.’

Heeft Griekenland geen devaluatie nodig? U weet zelf wat zoiets voor een economie kan betekenen (Martens was premier, toen België in 1982 de frank devalueerde, red.).

Martens: Oh ja, dat weet ik zeker! Maar in het geval van Griekenland kan het niet. Het mag niet. Het moet zoals het nu gepland is. Met hervormingen en saneringen. Anders komen we in de horror terecht.

Staat de modale Griek vandaag al niet met twee voeten in de horror?

Martens: (aarzelt) ‘Dat is een tragedie voor die mensen. Een drama.’

Is dat uw Europa? Een Europa dat landen dwingt om zich plat te saneren, omdat het alternatief nu eenmaal taboe is?

Martens: ‘Neen, neen. Europa moet landen ook perspectief geven. (stilte) Kijk, de hervormingen die nu in Spanje, Italië, Ierland, Griekenland, noem maar op, doorgevoerd worden zijn pijnlijk, maar grotendeels onvermijdelijk, hè.’

Martens snijdt vastberaden zijn hoofdgerecht aan. Hij geeft er mee te kennen dat het gespreksonderwerp Griekenland voor zijn part afgesloten is. ‘Hij eet goed, hè’, knipoogt Smet. De EVP-voorzitter speelt onverstoord nog een stukje eend naar binnen, spoelt door met een slok rode wijn, en zegt dan: ‘Er moet iets bewegen, hè. Anders raken we er niet uit. De Duitsers moeten bewegen.’

Had zijn generatiegenoot Helmut Kohl de zaken niet anders aangepakt dan Merkel, probeer ik nog eens. ‘Kohl was een Europeaan.’ En Merkel niet? Martens wikt zijn woorden. ‘Kohl had veel meer vrijheid dan Merkel. Hij was veel minder gebonden aan zijn parlement, moest niet afrekenen met een grondwettelijk hof.’ Heeft hij nog contact met zijn generatiegenoten die hij zo bewondert? ‘Kohl is een goede vriend. Maar ik heb hem jammer genoeg al twee jaar niet meer gehoord. Hij is ook ziek, hè.’

Eerlijk nu, gelooft u dat het nog goed komt met de euro? Zelfs als Griekenland op het droge raakt, zitten we nog met een huizenhoge crisis in Spanje.

Martens: (twijfelt) ‘Spanje, dat kan niet blijven duren. Ik volg de Spaanse rente de hele dag op de voet. Vanachter mijn computer, ja. Er moet iets gebeuren. De ECB kan obligaties opkopen, ja. Maar dat is maar een oplossing voor de korte termijn. Op lange termijn kan enkel een echte unie ons redden. Een transferunie, waarbij de rijke landen solidair zijn met de armen.’

Gelooft u dat het daarop zal uitdraaien? U schetste net zelf de moeilijke positie van Merkel.

Martens: ‘Het moet! Laat het mij zo zeggen. De kans is groter dat het goed komt, dan dat het slecht afloopt.’

Als u overtuigd bent van een positieve afloop, waarom lijdt u dan zo zwaar onder deze crisis?

Martens: ‘Dat is sterker dan mezelf. Die stress, dat zit in mijn genen, geloof ik. (plechtig) Ik sta zorgend in de wereld. Met een groot plichtsbesef. Van mijn moeder gekregen, die als weduwe in armoede vijf kinderen moest groot brengen.’

Smet: ‘Maar ik ben ook zorgend!’

Martens: ‘Ja maar, jij bent een optimist. Ik niet.’

Smet: ‘Wilfried is een beetje een zwartkijker. Hij heeft altijd de neiging om te focussen op de risico’s.’

U hebt jonge kinderen. Ziet u hen niet liever volwassen worden buiten Europa, in een regio met betere toekomstperspectieven?

Martens: ‘Beslist niet. Hun toekomst ligt hier, in Europa. Waar precies? Dat is wat vroeg om te zeggen. Simon (12) lijkt mij wel politiek geïnteresseerd. Hij volgt de eurocrisis. Sara en Sophie zijn 15. Vooral bezig met vriendjes. Niet met Europa dus, maar dat neem ik hen ook niet kwalijk. Kijk, Europa komt er wel bovenop. Mijn lijfspreuk: luctor et emergo, ik worstel en ik kom boven – die gaat op voor mij, maar ook voor Europa.’

Hij zegt het met een stelligheid waarmee hij vooral zichzelf lijkt te willen overtuigen. Smet en Martens staan op. Morgen naar het ziekenhuis, volgende week gaat het richting Zuid-Frankrijk. Voor een maand, in het gezelschap van vijf kinderen. Of Martens rust kan vinden in een vakantiehuis onder de Provençaalse zon valt nog te bezien. ‘Als het moet, keer ik weer terug’, grijnst hij. Smet tikt hem half plagerig op de arm. ‘No way, Wilfried. No way.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud