reportage

Hoe Hongarije EU-subsidies verspilt aan nutteloze projecten

©Maurits Kuypers

Een schildpaddenmuseum dat nog geen dag open is geweest, een onvindbare en dus onbekende bobbaan, een fietspad dat te gevaarlijk is om op te fietsen.... Europese subsidies komen in Hongarije niet goed terecht, blijkt uit een reis door het oosten van het land.

De woede was groot in mei, toen bleek dat de Europese Commissie de steun aan Oost-Europa voor de begrotingsperiode 2021-2027 wil verlagen met 30 miljard euro. Vooral Polen en Hongarije klagen steen en been en vermoeden een nieuwe poging van Brussel om hen op de knieën te krijgen over onder meer migratie en de voorwaarden voor een democratische rechtsstaat. Hongarije moet meer dan een vijfde van hun Europese centen inleveren.

Toch heeft Brussel alle reden om de EU-subsidies aan Oost-Europese landen onder de loep te nemen. Niet alleen maakt het vertrek van de Britten bezuinigingen nodig, er zijn ook talloze berichten over corruptie, fraude en deels of geheel mislukte EU-projecten. Vooral in Hongarije - per hoofd van de bevolking de grootste netto-ontvanger van EU-geld - zijn er opvallend veel van dat soort berichten. Voor het Europees Parlement is het zelfs een van de redenen waarom het een eventuele strafprocedure tegen Hongarije onderzoekt.

Olaf, het antifraudebureau van de Europese Unie, heeft in de periode 2013-2017 meerdere verdachte projecten gevonden. Hongarije zou 3,92 procent van de ontvangen subsidies moeten terugbetalen aan Brussel.

Het bekendste Hongaarse voorbeeld van mismanagement met EU-geld is een spoorlijn bij de stad Felcsút, waar premier Viktor Orbán is opgegroeid. Het project, waarin de Europese Unie 2 miljoen euro investeerde, wordt gekscherend Orbáns privélijntje genoemd, omdat er nauwelijks gebruik van wordt gemaakt. De meeste mensen vinden het in ieder geval weggegooid geld.

Het is niet het enige project waaraan een luchtje zit. Olaf, het antifraudebureau van de Europese Unie, heeft in de periode 2013-2017 meerdere verdachte projecten gevonden. Hongarije zou 3,92 procent van de ontvangen subsidies moeten terugbetalen aan Brussel. Of dat ooit gebeurt, is maar de vraag. Het is namelijk aan de Hongaarse justitie om dat geld terug te vorderen, net zoals het aan de Hongaarse overheid is om geld uit te delen.

Bij een reis van anderhalve week door het oosten van Hongarije vonden we tal van projecten die op zijn minst dubieus te noemen zijn.

1. Bobkart, Berettyóújfalu

Kosten: 2,4 miljoen euro, waarvan 1,6 miljoen van de EU

Hoe verder de hendel naar voren wordt gedrukt, hoe sneller het gaat. Zonder helm en gordel is de bobkart in Berettyóújfalu best eng. Geen speelgoed voor kinderen.

©Maurits Kuypers

Het personeel reageert verrast als iemand zich meldt voor een ritje. Geen wonder, want de baan is amper te vinden, zelfs niet in een stadje met amper 15.000 inwoners. Er zijn geen wegwijzers. Zelfs als je er vlakbij bent, moet je goed zoeken. De bobbaan ligt verstopt achter het lokale voetbalstadion en een door Europa gesponsorde sporthal. Andere attracties zijn er niet, afgezien van een kleine klimmuur en een piratenschip voor kinderen. Beide worden zo te zien zelden gebruikt.

Zelfs de dorpsbewoners gebruiken de bobbaan vrijwel nooit, laat staan toeristen. Volgens lokale media waren er in 2017 slechts een paar duizend bezoekers. Veel te weinig voor een investering van 2,4 miljoen euro, waarvan de Europese Unie twee derde voor haar rekening nam. De drie personeelsleden mogen het ergste vrezen.

2. Fietstoren van Tiszafüred

Kosten: 3,7 miljoen euro, waarvan 1,6 miljoen van de EU

Honderd kilometer ten westen van Berettyóújfalu stroomt een van de mooiste rivieren van Hongarije, de Tisza. Voor Hongaarse subsidieaanvragers is die rivier een grote bron van inspiratie, want langs de oevers zijn tientallen EU-projecten te vinden. Of die projecten ook altijd voldoen aan het doel, het bevorderen van toerisme, daar twijfelen zelfs de Hongaren aan.

Het lachwekkendst is dat het op het fietspad dat om het gebouw omhoog cirkelt verboden is te fietsen omdat dat te gevaarlijk is.

Een goed voorbeeld is de uitkijktoren voor fietsers in het dorp Tiszafüred. De bedoeling is dat je vanaf de top de rivier en het gelijknamige meer kunt zien. Maar veel valt er niet te zien, zeker nu de bovenste verdieping is gesloten. Een Pepsi-reclamezuil, een spoorlijn en een rommelig bedrijventerrein domineren het uitzicht.

Het lachwekkendst is dat het op het fietspad - dat om het gebouw omhoog cirkelt - verboden is te fietsen omdat dat te gevaarlijk is. Binnen staan de meeste kantoor- en winkelruimtes leeg. Er is een café op de bovenste verdieping, maar dat is gesloten. De enige activiteit is een fietswinkel op de begane grond.

Saillant detail: de grootste profiteur van wat het project Tisza-Tó heet, is Deszö Kékessy, een prominent lid van de regeringspartij Fidesz en een vriend van Orbán. Naast de fietstoren is Kékessy voor meerdere andere projecten rond het Tiszameer verantwoordelijk. Ook hier met financiële steun van de Europese Unie.

3. Het natuurcentrum in Gébérjen

Kosten: 960.000 euro van de EU

©Maurits Kuypers

Waar is al dat geld gebleven? Dat is de eerste gedachte die je krijgt bij het ecotoeristische centrum Holt-Szamos van Gébérjen. Volgens de omschrijving is het de bedoeling dat mensen hier een uniek inzicht krijgen in de ecologie van een moerasgebied. Op zich een nobel streven, maar niet erg geslaagd.

Het natuurpad begint bij een kapotte molen en is al snel overwoekerd. Op het terrein zijn alleen een fruitkwekerij, een begraafplaats en een schoolgebouw goed onderhouden. Het meest curieus is de familie Shrek die onderweg opduikt, inclusief de personages van de boosaardige Lord Farquaad, de gelaarsde kat, de ezel en de draak. Misschien ging de investering van 960.000 euro daaraan op.

Een voordeel van de verwaarlozing is dat natuurliefhebbers het rijk voor zich alleen hebben. Andere toeristen komen hier niet.

4. Het Rakamazschildpaddenhuis

Kosten: €2,6 miljoen euro, waarvan 1,7 miljoen van de EU

©Maurits Kuypers

Bijna nog merkwaardiger is het schildpaddenmuseum in Rakamaz. Die stad heeft dankzij de rivier en de uitstekende regionale Tokaj-wijnen niet te klagen over een gebrek aan toeristen. Maar of het schildpaddenmuseum bijdraagt aan het toerisme valt te betwijfelen.

Het museum, in de vorm van een schildpad, ligt tegenover een camping. Het is al een tijdje gesloten, vertelt een schoonmaker aan de deur. De sluiting schijnt iets te maken te hebben met fouten bij de bouw. Beschuldigingen van corruptie en mismanagement achtervolgen de oud-burgemeester van Rakamaz. Hongaarse media berichtten dat een kwart miljoen euro zoek is bij het project.

Doordat een deur openstaat, kunnen we een blik naar binnen werpen. Veel valt er niet te zien. Een ronde ruimte met één vitrine waarin enkele poppen staan die Hongaarse oerbewoners moeten voorstellen. Een paar aquaria. De kans dat dit ooit een toeristische trekpleister wordt, is volgens de campingeigenaar nihil. Nog kleiner is de kans dat het museum ooit zelfbedruipend wordt.

Hongaarse media berichtten dat een kwart miljoen euro zoek is bij het project.

5. De elf torens van Tyukod

Kosten: 845.000 euro, betaald met EU-geld

Misschien het waanzinnigste EU-project bevindt zich in het 2.000 zielen tellende dorp Tyukod bij de grens met Oekraïne en Roemenië. Het bestaat uit elf uitkijktorens van 11,5 meter hoog. Waarom elf, en niet een? Het antwoord is even simpel als ontnuchterend. Hoe meer torens, hoe meer geld.

De inwoners van Tyukod ontvingen 80.000 euro per stuk. Kwatongen beweren dat bovendien flink is gesjoemeld met de kwaliteit van het hout, wat de winstmarges extra heeft verhoogd. Volgens lokale media is de plaatselijke bibliothecaris er met 77.000 euro het best bij gevaren.

Het interesseert de inwoners weinig wat met de torens gebeurt. De eerste toren die we kunnen opsporen is in redelijke staat, maar een tweede, op nog geen 200 meter afstand, is al behoorlijk in verval. Terwijl hij maar een paar jaar ouder is.

In de subsidievoorwaarden, die voor alle torens hetzelfde zijn, staat dat ook een bos zichtbaar moet zijn, maar daar is niets van te zien.

De uitkijktoren is amper te bereiken vanwege een eikenplantage die eromheen is aangelegd, inclusief hoog hek. Wie de deur weet te vinden, zich een weg door de plantage baant en de trap opklimt, krijgt uitzicht op grasland, een varkensboer, een kanaal, meerdere boomplantages en natuurlijk de volgende uitkijktoren. In de subsidievoorwaarden, die voor alle torens hetzelfde zijn, staat dat ook een bos zichtbaar moet zijn, maar daar is niets van te zien.

6. Filmhistorisch museum van Ózd

Kosten: 8 miljoen, waarvan 5,2 miljoen van de EU

©Maurits Kuypers

De transformatie van een oude staalfabriek tot een museum voor nationale filmgeschiedenis heeft nog iets sympathieks. Ze heeft wat weg van andere industriële vastgoedprojecten in Europa waar de kolen- en staalindustrie is verdwenen, zoals in het Ruhrgebied. Volgens de museumgids werkten in de staalfabriek van Ózd ooit 11.000 mensen, tot ze de deuren sloot in 1992. ‘Dat heeft deze stad en regio zwaar geraakt. Daarom zijn we dolblij met hulp van de EU’, vertelt ze.

Het probleem is het gebrek aan bezoekers. In het museum kun je je verkleden en een korte scène naspelen in een Hongaarse film. Voorts zijn er een paar filmsets nagebouwd en er is een karretje waarmee je vanaf de balustrade naar beneden kunt roetsjen. Kinderen kunnen zich er vermaken met een tijdelijk ter beschikking gestelde Lego-verzameling. Maar het is onvoldoende om veel toeristen naar deze afgelegen regio te lokken. Hoe dit vrij dure EU-project dat wil oplossen is een raadsel. Datzelfde geldt voor een tweede museum en een evenementencentrum op het terrein. Volgens de borden langs de weg beide medegefinancierd door de EU.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect