‘We gaan naar een eurozone met tien, twaalf sterke landen'

©dieter telemans

De massale steun die de ECB nu verleent aan de banken, zal de Europese schuldencrisis niet stelpen. Volgens Wim Moesen kan één Europese markt van euro-obligaties wél het vertrouwen herstellen. Ook al blijven er dan maar tien, twaalf eurolanden over.

Interview door Kris Van Haver en Koen Dedobbeleer, Leuven

Wim Moesen is dé specialist in overheidsfinanciering en blijft ook na zijn actieve loopbaan als professor economie in Leuven de europerikelen van nabij volgen. ‘Eigenlijk is de schuldencrisis te wijten aan het succes van de euro. De eerste tien jaar waren de rentetarieven van de eurolanden samengeperst tussen 2 en 4 procent. Dat was te euforisch. Nu is er een irrationele overreactie van de markten in een andere richting. We zijn uit de bocht gegaan om een oud zeer te corrigeren.’

Zijn we nu de constructiefouten van de euro aan het rechtzetten?

Wim Moesen: ‘Zijn wij in de eurozone een duurzame munt? Volgens de theorie moet de economische onderbouw en de sociale cohesie van de landen in één muntzone voldoende analoog zijn. Dus, als je niet dezelfde taal spreekt, is dat om moeilijkheden vragen. Het is voor mij niet ondenkbaar dat landen uit de euro stappen. Ik hoor ze zeggen: jongens, als jullie vanop het Schumanplein loonmatiging, afdankingen in de publieke sector en dergelijke opleggen, zie ik onze bevolking dat niet nemen.’

U ziet dus een kern-Europa?

Moesen: ‘Zo’n kleinere groep van kernlanden, is dat het falen van Europa? Daarin ben ik ge- nuanceerd. Wat is de referentie: de architecten van het midden van de jaren 50 hadden geen Europa voor ogen met 17 eurolanden en 27 EU-lidstaten. Die hadden een kleinere Karolingische unie voor ogen. We hadden achteraf bekeken de uitbreiding in de breedte niet moeten doen, maar wel in de diepte.’

Kan de eurozone dat aan?

Moesen: ‘Ja, dan blijf je met tien of twaalf sterke landen over. De landen die uitstappen, scheppen wel een concurrentievoordeel. Ze creëren inflatie en devalueren. Dat tast de concurrentiekracht van de kernlanden aan.’

De Europese Centrale Bank weigert tot nog toe probleemlanden te helpen.

Moesen: ‘In elk normaal land treedt de centrale bank op als ‘lender of last resort’ of ultieme kredietverstrekker voor de banken én de landen. Hier kan, mag en durft de centrale bank dat niet, wegens die Duitse fobie voor inflatie. Daar moeten we mee leren leven.’

‘Maar wat ze via de voordeur niet kan doen voor de landen, probeert de ECB via een achterpoortje. Met 489 miljard euro goedkope kredieten op drie jaar aan de banken wil de ECB het liquiditeitsprobleem op de interbankenmarkt verhelpen en een kredietcrisis voorkomen. Stiekem hoopte ze ook dat die banken met het geld staatspapier zouden kopen. Maar daar zal niet veel van in huis komen. De banken gebruiken het geld om hun bestaande leningen te vervangen door goedkopere of bankobligaties af te betalen.’

Er is dus meer nodig. U pleit voor eurobonds om de crisis te bedwingen.

Moesen: ‘De eurobonds komen er sowieso. Een eurozone met tien of twaalf sterke landen gaan samen eurobonds uitgeven. Ze hebben voldoende economische harmonisering en een voldoende harmonisering van sociaal kapitaal. Met andere woorden: dit is houdbaar.’

U werkte samen met econoom Paul de Grauwe een voorstel uit voor eurobonds.

Moesen: ‘Onze formule is realistisch en uitvoerbaar. De krijtlijnen zijn de volgende: er komt een club van sterke, kredietwaardige landen die samen een schuldenagentschap opzetten. Dat agentschap geeft voortaan alle overheidspapier van de betrokken landen uit. En elk land garandeert pro rata of volgens een verdeelsleutel de terugbetaling van de hoofdsom en de couponinteresten. Duitsland neemt bijvoorbeeld 23 procent voor zijn rekening, Frankrijk 18 en wij 3 procent.’

De Duitsers waren erg negatief over het voorstel van de Commissie over eurobonds?

Moesen: ‘De Europese Commissie wilde dat alle landen voor het volledige bedrag garant stonden. Bovendien vrezen de Duitsers dat zij voor de eurobonds een hogere rente moeten betalen dan voor hun bunds. In ons voorstel mag elk van de deelnemende landen uit de pot lenen, maar tegen de eigen rentevoet op de secundaire markt. De Duitsers lenen dus tegen 2 procent, wij tegen 4 procent. Zo help je het hardnekkige misverstand over eurobonds uit de wereld, namelijk dat iedereen tegen het gemiddelde rentetarief van 3,25 procent leent en iedereen garant staat voor de rest. Bovendien beperk je de ‘moral hazard’, waarbij slecht gedrag zou worden beloond.’

Wat doe je met de probleemlanden?

Moesen: ‘Zij zitten niet in het schema, maar kunnen wel uit de pot lenen. Maar dat gaat niet automatisch, ze moeten dat vragen. Vervolgens bepaalt de club een interne rentevoet. Ze gaan dus niet opeens heel goedkoop kunnen lenen. Maar ze krijgen een loket dat ze anders niet hebben.’

De problemen zijn daarmee toch niet opgelost?

Moesen: ‘ Op een bepaald moment is het wantrouwen zo groot dat die probleemlanden tegen geen enkele prijs meer kunnen lenen. Vergelijk het met een klasserestaurant, waar je wegens je kwalijke reputatie opeens niet meer binnenmag. Ons voorstel zegt: om de hoek is een frituur, daar kan je tenminste je honger nog wat stillen.’ (lacht smakelijk)

‘Eigenlijk dwing je de landen die grote sier maken, om de tering naar de nering te zetten. Tegen welk tarief ze uit de pot kunnen lenen, hangt af van de betrouwbaarheid van hun financiën. Je zegt aan die landen: we willen jullie helpen, maar tegen onze voorwaarden: aaien en nijpen. Als je je begroting en economie niet gezond maakt, betaal je een hogere premie.’

Komt de kredietwaardigheid van de club zo niet in gevaar?

Moesen: ‘Dat kan, maar je kan de Grieken of Portugezen onderpand vragen, zoals de opbrengsten van privatiseringen. Bovendien compenseer je de kredietscore door het feit dat de Grieken of Portugezen er duurder uit lenen. Daardoor krijg je overschotten, die het agentschap rijker maken. Die middelen kan je aanwenden om het staatspapier van de ECB over te kopen. Frankfurt kan geregeld zijn magazijn leegmaken, zodat ze nooit met droog poeder zitten.’

Waarvoor is dat goed?

Moesen: ‘Met dat systeem heb je geen geldcreatie. De ECB krijgt een loketfunctie, omdat zij ogen en oren heeft in de markt. Op het moment dat de eurobonds worden uitgegeven, gaat geld van de beleggers naar het agentschap. Dat koopt op zijn beurt de obligaties van de ECB op. Het geld van het agentschap verdwijnt zo uit de omloop. Er is dus geen gevaar voor inflatie. We hebben hier dus een argument om de vriendelijke Duitsers gerust te stellen en het risico op ‘moral hazard’ te beperken.’

Kan dat het vertrouwen herstellen?

Moesen: ‘Vertrouwen is alles. Als dat ontbreekt, heb je missing markets: je hebt geen tegenpartij en dus prijzen die gek zijn en rentevoeten die aberrant zijn. Dus als je een maatregel neemt die logisch in mekaar zit en het vertrouwen kan herstellen, is het probleem grotendeels opgelost.’

Zijn beleggers bereid daarin te investeren?

Moesen: ‘Ik hoor vaak dat Chinezen of Arabieren zeggen dat ze hun reserves in Amerikaans staatspapier willen spreiden. Het enige wat ze zoeken voor hun miljarden is veel volume, anders beïnvloeden ze de prijs. Dat volume kunnen Duitse bunds nooit bieden. Als het goed afgedekt en georganiseerd is, krijg je met een ruime Europese obligatiemarkt een geloofwaardig alternatief voor Amerikaanse schulden. Zo’n grote liquide markt kan de rente van de eurobonds omlaag duwen.’

Toch kiest elke eurotop voor halfslachtige oplossingen.

Moesen: ‘Het is te traag voortploeteren. Ik ben wel geen historicus of filosoof, maar zie wel wat in Hegels ‘list van de rede’: wat zinnig is, komt uiteindelijk toch naar boven. Als je al die toppen optelt over twee jaar, zie je veel van wat twee jaar geleden onmogelijk leek, zoals de strengere budgettaire regels of wat de ECB nu doet. We gaan een richting uit met dat voortploeteren waar een zekere logica inzit.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud