Advertentie
netto

Leg de lat hoog voor uw spaargeld

©Gudrun Makelberge

Niet iedereen is ervan overtuigd dat zijn spaarcenten bij een fondsbeheerder in goede handen zijn. Maar vergis u niet. Ook met beleggingsfondsen kunt u scoren, op voorwaarde dat u de lat voldoende hoog legt.

Beleggingsfondsen kennen steeds meer concurrentie van trackers. Dat zijn beursgenoteerde, passieve beleggingsfondsen die slaafs een index volgen. Die trackers zijn goedkoop omdat ze een rendement bieden dat in lijn ligt met de markt. Beleggingsfondsen trachten het beter te doen dan de markt en rekenen daarvoor hogere kosten aan. Talrijke onderzoeken tonen echter aan dat vele fondsen niet in die doelstelling slagen.

Slechts 4 procent van de fondsen deed het de voorbije vijf jaar elk jaar beter dan het gemiddelde fonds.

Tegenstanders van beleggingsfondsen stellen dan ook dat de markt op lange termijn niet te kloppen valt en dat fondsen hun hoge kosten niet kunnen rechtvaardigen. Anderen menen dat fondsen die de markt wel kloppen dat nooit kunnen volhouden. De winnaars van gisteren zijn de verliezers van morgen, heet het dan. Wie al die stellingen voor waarheid aanneemt, ziet nog weinig redenen om voor beleggingsfondsen te kiezen. De weg ligt dan inderdaad open naar de goedkopere trackers of naar een eigen portefeuille aandelen.

Toch is de waarheid zoals steeds veel genuanceerder. Om dat aan te tonen, vertrekken we vanuit de kritiek zelf: de winnaars van gisteren zijn de verliezers van morgen. We bekijken de prestaties van 889 fondsen in 13 beleggingscategorieën over de voorbije vijf jaar.

Stel nu dat u bij die selectie op zoek gaat naar de fondsen die in 2013 beter presteerden dan het gemiddelde fonds (mediaan) in hun categorie. De oefening is dan snel gemaakt: een op de twee fondsen, of 50 procent, doet het beter dan die mediaan. Maar stel nu dat we de oefening uitbreiden en op zoek gaan naar de fondsen die zowel in 2012 als in 2013 beter presteerden dan het middelste fonds. Hoeveel fondsen beantwoorden dan nog aan dat profiel? Een pak minder, zo blijkt, want er blijft nog 26 procent van de fondsen over. Gaan we nog een stap verder en zoeken we de fondsen die ook in 2011 het gemiddelde fonds klopten, dan zien we dat nog 10,7 procent van de fondsen die prestatie gedaan krijgen. Breiden we verder uit tot vijf opeenvolgende jaren, dan slinkt het aantal fondsen tot 4,1 procent.

De trend is duidelijk. Hoe verder we in de tijd teruggaan, hoe kleiner het aantal fondsen die het elk jaar beter doen dan gemiddeld. Uiteindelijk zullen er na een aantal jaar nul fondsen overblijven die elk jaar opnieuw beter presteren dan gemiddeld. En dus zit er een grond van waarheid in de stelling dat winnaars van het verleden de verliezers van morgen kunnen zijn. Er zal altijd wel een moment aanbreken waarop de reeks gebroken wordt en het fonds het dus minder goed doet dan gemiddeld.

Klik op het beeld om te vergroten.

Verschillende voorbeelden uit het verleden illustreren dat. Het bekendste voorbeeld wordt geleverd door de Amerikaanse beurslegende Bill Miller. De fondsbeheerder van Legg Mason slaagde er in de periode van 1991 tot en met 2005 in om 15 opeenvolgende jaren beter te presteren dan de referentie-index. In 2006 kwam een einde aan de reeks en deed het fonds het plots veel minder goed. Andere voorbeelden zijn ook in het awardverleden van De Tijd en L’Echo te vinden. Zo won Banque de Luxembourg de Super Award tijdens de edities van 2009 tot en met 2013, maar de beheerder stond dit jaar niet op het podium. De fondsbeheerder werd in 2013 het slachtoffer van zijn voorzichtige beleggingspolitiek, waardoor de rendementen achterbleven ten opzichte van de concurrenten.

Ongelijk

Is daarmee de kritiek op beleggingsfondsen bevestigd? Niet meteen. Elke fondsbeheerder krijgt wel eens ongelijk van de markt, maar het komt eropaan op zoek te gaan naar beheerders die zo weinig mogelijk ongelijk krijgen. De markt zelf speelt in die zoektocht ook een belangrijke rol.

Neem de beleggingsfondsen die in Belgische aandelen investeren. Gemiddeld legden ze tijdens de voorbije vijf jaar (van eind 2008 tot eind 2013) een return van 14,4 procent per jaar voor. De Bel20-returnindex boekte over dezelfde periode een return van 12,1 procent per jaar. Met het gemiddelde fonds deed u het dus ruim 2 procentpunten per jaar beter dan met de tracker die de Bel20 nabootst. Anders gezegd, het gemiddelde fonds klopte over vijf jaar wel degelijk de index.

Bij de Amerikaanse aandelenfondsen is het anders. Het gemiddelde Amerikaanse aandelenfonds legde over de voorbije vijf jaar een return, uitgedrukt in euro, van gemiddeld 16,5 procent per jaar voor. De brede Amerikaanse S&P500-index deed het over dezelfde periode, inclusief dividenden en uitgedrukt in euro, ruim 1,5 procentpunt beter. Anders gezegd, in die markt presteerde het gemiddelde fonds niet beter dan de index.

Dat heeft veel te maken met de efficiëntie en grootte van de markten. De Amerikaanse aandelenmarkt wordt opgevolgd door een leger analisten, waardoor er minder kans is op inefficiënties. De Belgische aandelenmarkt telt een pak kleinere aandelen die door geen enkele analist opgevolgd worden. In zo’n omgeving is het makkelijker de markt te kloppen en zijn er dus ook meer fondsen te vinden die dat op lange termijn doen.

In minder efficiënte markten zijn meer fondsen te vinden die systematisch de markt kloppen.

Toch zal wie goed zoekt ook in de efficiëntere categorieën fondsen vinden die het beduidend beter doen dan de markt. Kijken we bijvoorbeeld naar de rendementsverschillen tussen de best en de slechtst presterende Amerikaanse aandelenfondsen. Het best presterende fonds bracht de voorbije vijf jaar gemiddeld 21,7 procent per jaar op, duidelijk beter dan de referentie-index. Het slechtste fonds haalde een jaarreturn van 10,9 procent per jaar. Dezelfde rendementsverschillen zien we bij de Europese aandelen. Het slechtst presterende Europese aandelenfonds haalde de voorbije vijf jaar een return van 4,7 procent per jaar, het best presterende een return van 21,3 procent per jaar. Ter vergelijking: de tracker die de brede Europese index DJ Stoxx Europe 600 schaduwt, boekte een gemiddelde return van 14,7 procent per jaar, inclusief dividenden.

Korrel zout

Daarmee komen we bij een laatste nuance op de kritiek waarmee fondsen geconfronteerd worden. De returns waarvan sprake bevatten steeds alle jaarlijks terugkerende kosten. De kritiek dat er na kosten nauwelijks iets van dat rendement overblijft, moet dus evenzeer met een korrel zout genomen worden. Het klopt natuurlijk wel dat fondsen die jaarlijks 2 procent kosten aanrekenen het ook elk jaar 2 procentpunten beter moeten doen dan de index om minstens gelijke tred met de markt te houden.

Een goede truc om u ervan te vergewissen dat een fonds de juiste motivatie heeft om goed te presteren, is te kiezen voor fondsen met prestatiekosten. Die kosten worden aangerekend als een fondsbeheerder een vooraf bepaalde doelstelling haalt. Bij voorkeur kiest een belegger dus het best een fonds met lage jaarlijkse kosten dat in ruil wel prestatiekosten aanrekent. In die situatie zal de beheerder alles in het werk stellen om goed te presteren. Als algemene regel geldt natuurlijk: hoe lager de totale kosten van het fonds, hoe beter.

Samengevat kunnen we zeggen dat beleggingsfondsen een rol in uw portefeuille kunnen spelen, op voorwaarde dat u bij de selectie voldoende kritisch te werk gaat. Die keuzes vereisen heel wat voorbereidend werk, net zoals dat het geval is voor een belegger die een portefeuille individuele aandelen samenstelt.

 

 

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie