Screening personeel luchthavens en kerncentrales faalt

De luchthaven Brussels Airport in Zaventem. ©BELGA

De screening van mensen die in ons land op gevoelige plaatsen mogen werken, zoals luchthavens en kerncentrales, schiet tekort. De baas van de Staatsveiligheid, Jaak Raes, waarschuwt in het boek 'De Geheimen van de Staatsveiligheid' dat het aantal screenings de pan uit swingt. Raes pleit ook voor een nieuw systeem dat waarschuwt wanneer iemand na zijn screening toch op het foute pad is geraakt.

Het aantal mensen en bedrijven die de Staatsveiligheid elk jaar moet screenen of onderwerpen aan ‘veiligheidsonderzoeken’ is enorm. Alleen al in 2012 heeft de Staatsveiligheid 15.696 mensen doorgelicht die op een van de vijf luchthavens een badge moesten krijgen om in de afgeschermde zones van de luchthavens te mogen rondlopen. Voor de mensen die toegang tot de kerncentrales wilden krijgen moest de Staatsveiligheid in 2012 nog eens 9.875 verificaties uitvoeren. En dan hebben we het nog niet over de 5.610 veiligheidsattesten die datzelfde jaar zijn onderzocht voor Europese topontmoetingen in Brussel. De cijfers staan in het nog altijd niet vrijgegeven jaarverslag van de Staatsveiligheid voor het jaar 2012.

Het is een groot vraagteken hoe de Staatsveiligheid het klaarspeelt om elk jaar zoveel mensen en bedrijven in zo’n korte tijd door te lichten. De dienst moet elke keer nagaan of die mensen wel ‘loyaal’ en ‘integer’ zijn, wat hun ‘financiële geloofwaardigheid’ is en in welke mate ze kwetsbaar zijn voor druk van buitenaf. Als ze dat allemaal hebben uitgepluisd, moeten de veiligheidsofficieren van de Staatsveiligheid een risi­coprofiel opstellen. Dat profiel is doorslaggevend. Het bepaalt wie al dan niet toegang krijgt tot gevoelige plaatsen in België, ook al is het een andere overheidsdienst die offi­cieel over de toelating beslist: de Nationale Veiligheidsoverheid (NVO), die onder Buitenlandse Zaken valt.

De tienduizenden screenings van de Staatsveiligheid blijken verre van waterdicht te zijn. En verkeerde inschattingen zullen pas aan het licht komen als het te laat is. ‘Er worden fouten gemaakt. Het kan ook niet anders. Dat moeten we durven toegeven’, stelt Wouter De Ridder, griffier van het Comité I dat de Staatsveiligheid controleert. ‘Het zijn niet alleen veel screenings - en elk jaar worden het er meer - ook de databanken bevatten fouten.’

Fouten

De Ridder: ‘We stellen in de praktijk fouten vast zoals naamsverwarringen, meestal met vreemde namen die op elkaar lijken. De mensen die de veiligheidsscreenings doen, putten uit een grote databank. Hoe wordt die databank gevuld? Het gebeurt bijvoorbeeld dat agenten van de Staatsveiligheid op het terrein vernemen dat er over meneer X wordt gezegd dat hij radicaal is. Maar dat is ruwe informatie. Dat is soms niet eens bevestigd, bijvoorbeeld bij gebrek aan andere bronnen.’

‘Het gevolg is dat die persoon in kwestie misschien geen badge krijgt voor zijn job. Ruwe informatie gebruiken om administratieve beslissingen op te baseren is gevaarlijk. Maar hoe zou je het anders doen? Je kunt geen Stasi-systeem op poten zetten, dat iedereen observeert en volgt.’

‘Maar het grootste risico is natuurlijk dat een gevaarlijk iemand niet in de databank voorkomt en zo door de mazen van het net glipt. Dat is een probleem’, benadrukt Guy Rapaille, de voorzitter van het Comité I.

Nieuw systeem

De administrateur-generaal van de Staatsveiligheid, Jaak Raes, noemt de werklast van de bevoegde afdeling bij de Staatsveiligheid ronduit ‘gigantisch’. ‘Wij zijn niet de enigen die dat in vraag stellen, maar het is niet anders. Veiligheidsonderzoeken naar mensen die vertrouwelijke documenten moeten inkijken vergen natuurlijk nog meer werk. Een screening betekent alleen nakijken of iemand bij ons bekend is, of hij voorkomt in onze databank en of hij ooit in een van onze informatierapporten aan bepaalde feiten gekoppeld is. En we moeten daarmee inderdaad oppassen, want bekend zijn bij de Staatsveiligheid betekent nog niet ‘veroordeeld’ of ‘vervolgd’ zijn voor… Maar we zien ook dat almaar meer diensten om een dergelijke screening vragen.’

Het echte probleem is volgens Raes dat zo’n screening ‘neerkomt op graven in iemands verleden - en in het beste geval zijn heden - om daaruit af te leiden hoe iemand zich in de toekomst mogelijk zal gedragen’. ‘Heeft hij bijvoorbeeld zwaktes die compromittant zijn? Dat soort dingen. Maar je kunt het toekomstige gedrag van iemand toch niet voorspellen? Als er dan een incident gebeurt, verwijst men opeens naar screenings uit het verleden. Dat is niet redelijk. Wat als die man plots slechte vrienden krijgt? We weten dus dat zo’n screening geen garantie is voor de toekomst, maar laten we er dan ook iets aan doen.’

Het hoofd van de Staatsveiligheid doet zelf een concreet voorstel om het systeem veel beter te maken. ‘We moeten een stap verder gaan in België. Telkens als de houder van een veiligheidsmachtiging of veiligheidsattest bij een incident betrokken is, strafrechtelijk of niet, zou dat gemeld moeten worden zodat alle diensten dat weten. Nu worden die zaken pas opnieuw geëvalueerd wanneer de machtiging of een andere toelating moet worden verlengd. In de tussentijd is er geen systematisch toezicht op die personen. Dat zijn mensen die bepaalde risicovolle beroepen mogen uitoefenen of toegang hebben tot gevoelige documenten. Weet u, vroeger schreef de politie op een proces-verbaal of er een ambtenaar bij de zaak betrokken was. Dan zorgde de procureur ervoor dat de betrokken overheidsdienst dat te weten kwam. Er zijn dus manieren om bepaalde mensen nauwgezetter op te volgen.’

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud