‘Ik wil iets teruggeven aan de maatschappij'

Steeds meer rijke families schenken als mecenas een deel van hun vermogen weg. Hoe of wat, daar zijn ze zeer discreet in. Charles Adriaenssen, getrouwd met Diane de Spoelberch, maakt geen geheim van zijn mecenaat. ‘De maatschappij geeft ons veel, daarvoor mogen we wel iets terugdoen’, zegt hij.

Charles Adriaenssen ontvangt ons in een statig herenhuis aan de Brusselse Zavel, waar zijn platenmaatschappij Outhere huist. In een hoek staat een mooie piano, en verder niets dan cd’s. Outhere geeft klassiekemuziek-cd’s uit, van prestigieuze labels als Alpha, Fuga Libera en Ricercar. Een paar weken geleden legde Outhere nog dirigent Philippe Herreweghe vast, die in de schoot van het bedrijf zijn label ‘phi’ heeft opgericht. Adriaenssen zegt het met enige trots, maar relativeert ook. ‘Outhere was eerst een hobby, al is het bedrijf uitgegroeid tot een kmo. Ik denk dat we door enkele acquisities de grootste producent van nieuwe uitgaves in Europa zijn.’

Een paar keer per week trekt Adriaenssen, zoals hij het zelf zegt, ‘zijn streepjespak aan voor zijn echte jobs’. Hij is onder meer voorzitter van MHP, het grootste vleesverwerkende bedrijf van Oekraïne, en van een privé-investeringsmaatschappij. Voorts zit hij in de raad van bestuur van een rist andere bedrijven. Hij was ook een tijdlang bestuurder bij Interbrew en EPS, de holding van de grootste Belgische aandeelhouders van AB InBev. ‘Ik heb de beursgang van Interbrew actief meegemaakt. Dat is mijn relatie met mijn schoonfamilie wel ten goede gekomen’, zegt hij op het einde van het gesprek monkelend. ‘Ik ben helemaal niet van rijke afkomst. Ik heb mijn eigen weg gezocht in het leven. Ik denk dat de familie De Spoelberch haar dochter in het begin liever met een of andere Duitse prins zag trouwen dan met mij’, voegt hij eraan toe. Verder wil hij niet uitweiden over zijn schoonfamilie. Behalve dat hij de geslotenheid niet altijd begrijpt. ‘Ik laat me dat wel eens ontvallen op bijeenkomsten. Maar goed, iedereen leeft zoals hij wil. Mijn vrouw is een gepassioneerde botaniste, een van de velen in de familie. Enkele keren per jaar zetten wij onze tuin open voor het publiek. Dat is gewoon leuk, voor ons en voor de bezoekers. Wij sluiten ons niet op.’

Muziek is de grote passie van Charles Adriaenssen en dat vertaalt zich in zijn mecenaat. ‘Ik ben tien jaar lang diplomaat geweest, onder meer in Pakistan en Moskou. Toen ik in 1994 definitief naar België terugkeerde wilde ik jonge musici helpen. Waarom? Omdat er een scharniermoment is tussen het afstuderen en het begin van de carrière. Dat is een moeilijke periode. Ik ben toen toegetreden tot een kleine vereniging, Belgian Young Solist Foundation. Ik dacht: ik ga daar wat geld instoppen zodat ik jonge mensen kan helpen met hun instrument, of bij het maken van opnames. Op die manier ben ik de musicoloog Michel Stockhem tegen het lijf gelopen. Die zei: ‘Ik wil graag een label oprichten om Belgische artiesten te dienen.’ De meeste Belgische artiesten nemen voor buitenlandse platenfirma’s op. Bon, we hebben toen een klein businessplan opgesteld en zijn vertrokken. Al snel had ik door dat een label met acht à tien producties per jaar niet werkt. Dat is wel sympathiek, maar je mist slagkracht. Als je bij distributeurs deals wil afdwingen, kan je maar beter groot zijn. Daarom zijn we stelselmatig goede kleine labels gaan opkopen.’

Zou u Outhere als mecenaat omschrijven?

Adriaenssen: ‘Het is maar hoe je het bekijkt. Het bedrijf moet voor mij niet meer opbrengen dan 2 à 3 procent, zoveel als een staatslening, zo je wil. Geen enkele bank zou dit bedrijf financieren omdat het rendement te laag ligt. Maar voor mij is dat niet belangrijk, zolang Outhere zelfbedruipend is, is het goed. Ik spiegel mij aan Bernard Coutaz, de in maart overleden stichter van Harmonia Mundi. Tot op de laatste dag van zijn leven - hij werd 87 - is hij blijven werken. Veel winst maakte hij nooit, maar hij heeft zeer veel prachtige muziek uitgegeven.’

Los van Outhere doet u ook aan zuiver mecenaat. U geeft geld aan De Munt.

Adriaenssen: ‘Onder andere, ja. Ik organiseer ook een klein festivalletje in Italië om de lokale bevolking in contact te brengen met de betere muziek. En zo zijn er nog een paar dingetjes. De filosofie van het mecenaat is anders dan die van Outhere. Je moet dat zien in het kader van de grote humanistische droom van opvoeding voor iedereen. Die opvoeding is er gekomen, vanaf de jaren 20 en 30. Maar ze is al een tijd weer aan het verwateren. Nu is de opvoeding is zeer technisch en praktisch, niet meer algemeen en humanistisch. Zelfs de leerkrachten kennen de klassieke referenties niet meer. Het is een verarming.’

‘We gaan naar een soort van tolstojaanse visie, ook gedragen door de opvoedkundige principes van Rousseau: de eenvoudige mens weet het beter. Wel, de eenvoudige mens weet het niet beter. De eenvoudige mens heeft geen vrijheid als hij niet weet. Zonder kennis kan je niet reageren. Je kan bijvoorbeeld niet op tegen demagogie in de politiek. Of je wordt het slachtoffer van galerijhouders die verkondigen: ‘Dat moet je kopen want dat is moderne kunst.’ Maar hoe kunnen de mensen dat beoordelen als ze geen kennis meer hebben van de kunstgeschiedenis? Ik vind dat een verschrikkelijke verarming.’

En daar wilt u iets aan doen?

Adriaenssen: ‘Ja, want ik vind dat de samenleving een bepaald cultureel niveau moet halen. Vroeger hielp de kerk, daarna de prinsen en de burgerij. Als de overheid niet bij machte is, moeten mensen bijspringen die het zich kunnen permitteren. Ik zou ook sponsor kunnen zijn van een museum of een kunstcollectie, maar het is voornamelijk muziek. Soms help ik wel eens muzikanten wanneer ze zich hun instrumenten niet kunnen permitteren, maar dat doe ik niet zo graag. Dan ben je toch al snel een investeerder die een instrument koopt en het dan uitleent. Ik draag liever bij tot een de financiering van een project of een instelling.’

‘Mijn schoonfamilie heeft een andere richting gekozen. De De Spoelberchs hebben een groot fonds opgericht dat zich bezighoudt met de waterproblematiek. Daar zijn lange en diepgaande grote gesprekken aan voorafgegaan, met de hele familie. Die is groot en divers. Het uitgangspunt was: we krijgen veel van de maatschappij, we moeten iets teruggeven. Mag ik ook even doen opmerken dat het raar is dat de familie De Spoelberch steevast als de rijkste familie van België wordt omschreven? Dat is natuurlijk flauwekul. Op het niveau van onze kinderen telt de stamboom al honderden leden, die allemaal een klein deel van het familievermogen bezitten.’

Bepaalt u in december hoeveel geld u het volgende jaar aan goede doelen besteedt?

Adriaenssen: Mijn vrouw en ik maken voor onszelf uit hoeveel geld wij wegschenken, maar ik ga u dat cijfer niet geven. Ook geen percentage, nee. Kijk, je kan het mecenaat moreel en fiscaal benaderen. Moreel kan je zeggen: het tast mijn levenskwaliteit niet aan als ik 5 of 10 procent van mijn inkomsten afsta aan goede doelen en ik doe het voor mijn ziel.’

‘Fiscaal is het anders. Ik verheel niet dat ik goed word betaald door de bedrijven waarvoor ik werk. Door verstandige fiscale engineering, wat volkomen legaal is, kan je de belastingdruk binnen de perken houden, zeg maar 25 procent. Ik ben misschien een buitenbeentje, maar ik vind dat je die ‘belastingbonus’ aan de maatschappij moet teruggeven in de vorm van giften en schenkingen. Dat is mijn sociaaldemocratische instelling.’

Wordt in de kringen waar u vertoeft veel gepraat over mecenaat?

Adriaenssen: ‘Iedereen praat erover, al is het maar omdat de banken het mecenaat hebben ontdekt als een instrument voor het beheer van grote vermogens. Wij krijgen iedere maand een uitnodiging voor seminaries waarop bankiers willen uitleggen hoe wij onze humanitaire uitgaven kunnen beheren.’

Dan wordt mecenaat toch weer een instrument om minder belastingen te moeten betalen.

Adriaenssen: ‘De fiscale aftrekbaarheid is niet zo gemakkelijk, dat vereist een lange procedure. En ik denk niet dat dat zo essentieel is. Wie veel geld verdient, heeft een identiteitscrisis. Rijke mensen worstelen met de vraag: hoe wil ik bekend zijn? Als een manager of als iemand die heeft bijgedragen tot het algemeen welzijn? Kunst is een fantastisch instrument om die mensen op te vangen. Als je, zeg maar in Engeland, een groot orkest sponsort, word je bekend. Je naam verschijnt in de programmaboekjes, en met wat geluk word je een sir of een lady. Ik ken een Russische miljardair - hij is zeker 12 miljard waard - die heeft besloten dat hij van Claude Monet houdt. Hij gaat er nu een paar kopen, uit overtuiging. Ik ken ook een Fransman die heeft besloten een kunstcollectie uit te bouwen. Hij kent niets van kunst. Twee galerijhouders doen voor hem het werk. Waarom doet hij dat? Omdat hij iets wil nalaten waar zijn naam en reputatie aan verbonden is. Voor veel mensen is dat heel belangrijk.’

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud