Brueghelfeesten

De vlijmscherpe column van Koen Meulenaere

Luid de alarmklokken, ontsteek de knipperlichten, start de sirenes: Sven Gatz gaat zich weer met schilderijen inlaten. Zoals onlangs met de Toporovski-collectie in Gent. Hij wil, met uw geld, twee doeken aankopen die in het televisieprogramma ‘Stukken van Mensen’ aan Brueghel werden toegeschreven. Weliswaar niet aan Piet de Oude, evenmin aan Piet de Jonge of Piet de Ieverans Tussenine, maar aan Jan Brueghel de Jonge, kleinzoon van Piet de Oude. Denkelijk bestond er dus ook een Jan Brueghel de Oude. Was er ook geen van fluweel, of van astrakan? Laten we het zo zeggen: het enige wat de Daemsen voor hebben op de Brueghels is dat er maar één Daems schildert. Of dat toch probeert.

Geleerd door zijn Toporovski-wedervaren zal de minister van Cultuur de bewuste werken deze keer voordien in plaats van nadien op hun echtheid laten controleren. En wel door een panel van experten. Dat lijkt nuttiger dan door een panel van kerels die er geen fluit verstand van hebben, al zitten die vaak dichter bij de waarheid. Als de deskundigen een positief rapport opstellen, wordt de mogelijke aanschaf nog voorgelegd aan de leden van de Topstukkenraad. Wij herhalen: de Topstukkenraad. Wat er allemaal aan raden en commissies bestaat onder het dak van het ministerie van Cultuur is een wonder. In sommige ervan zitten zelfs journalisten, en zo is er dus ook een Topstukkenraad. De voorzitter is Thomas Leysen, daar heb je hem weer.

Ben Van Beneden, hoewel directeur van het Rubenshuis ook befaamd als Brueghelkenner, is gewonnen voor de aankoop van de twee tableaus, samen goed voor zo’n 2 miljoen euro. ‘Jan Brueghel de Jonge heeft nog samengewerkt met Rubens en had dus wel degelijk talent’, liet de directeur zich ontvallen in een boulevardkrant. Helaas vloekt de conclusie uit die premisse met alle regels van de logica. Kaaiman heeft nog gevoetbald met Arie Haan. Maar daaruit besluiten dat hij dus wel degelijk talent had, is lachen met de werkelijkheid.

Jan Brueghel de Jonge leefde in de zeventiende eeuw in Antwerpen en deed weinig meer dan de landschappen en stillevens van zijn vader Jan de Oude kopiëren. Dat getuigde van mercantiel verstand, want er gelden in de schilderswereld maar twee gouden regels. Een: de beste manier om een goede schilder te worden is een betere schilder te plagiëren. Twee: een portret is een schilderij waarbij er iets mis is met de mond. Planten en vergezichten zijn dan een listig alternatief, al moet je ook daarvoor over basisvaardigheden beschikken. Volgens Pablo Picasso maakt de slechte schilder van de zon een gele bol, de goede schilder maakt van een gele bol de zon. Die hebben we ook maar gevonden in het grote aforismenboek over kunst hoor, net boven een pareltje van de Britse scenarist Tom Stoppard: ‘Moderne kunst is simpel: als het aan de muur hangt, is het een schilderij en als je errond kunt wandelen is het een sculptuur.’

Ja, er valt wat af te lachen met schone kunsten. Maar het risico dat ook die twee Jan Brueghels van Gatz zelfs als ze echt zijn niet echt zijn, is dus aanzienlijk. Nu we toch bezig zijn, Nobelprijswinnaar Literatuur André Gide schreef ooit: ‘Kunst is een samenwerking tussen God en de kunstenaar. En hoe minder de kunstenaar doet, hoe beter.’ Zullen we het daarbij laten?

Lees verder