Buffalo Frans

De vlijmscherpe column van Koen Meulenaere

Het deed veel plezier vorige week het interview te lezen met Frans Verheeke, nu bezieler van Incofin, eerder van VDK, de Volks Deposito Kas, al eeuwen sponsor van AA Gent. In tegenspraak met de kop boven het artikel: ‘Ik heb een hekel aan liefdadigheid’.

Frans behoort tot het ACV en is nog schepen van de Gentse haven geweest, in de tijd toen daarvoor meer kennis van nautische technieken dan van snuif- en prikmethodes vereist was. Hij zette AA Gent op het spoor van de financiële redding toen de club na het bewind van Jean Van Milders halfweg de afgrond aan een fragiel takje hing te bungelen. Van Milders, de opvliegende baas van Carestel, had in het Ottenstadion twee nieuwe tribunes gezet en zich pas na de oplevering afgevraagd hoe hij die zou betalen. Toen hij bij het stadsbestuur om nóg meer steun ging bedelen, schold hij niet alleen burgemeester Frank Beke maar ook alle aanwezige schepenen de huid vol. Zodat de Gantoise-delegatie buitenstapte met niet meer maar minder subsidies.

In die tijd kreeg Kaaiman van de hoofdredacteur van Knack de opdracht uit te vissen hoe dat zat, met die schulden. Ook toen al liever lui dan moe hadden wij dat proberen af te wimpelen met: ‘Daar wil niemand over spreken’, maar met die poging ving ik bot. Onze goede vriend en chef Justitie Frank De Moor redde ons eens te meer uit de nood: ‘Ik zal wel helpen. Is Frans Verheeke daar nog?’

‘Ja, maar die zegt zeker niets.’

‘We zullen morgenmiddag met hem gaan eten. Kwart over twaalf op de Markt in Oudenaarde. Zorg dat je op tijd bent.’

‘Ja maar, weet Verheeke dat?’

‘Ik zal hem bellen.’

‘En als hij niet kan?’

‘Hoezo, als hij niet kan?’

De volgende middag stapte Verheeke tot onze verbazing effectief het restaurant binnen, waar hij door De Moor enthousiast werd onthaald. ‘Ha Frans, zet u erbij, ge ziet er goed uit, wat drinkt ge?’ Terwijl Verheeke, die zich had voorgenomen de lippen stijf op elkaar te houden, een plat water bestelde om de waakzaamheid geen moment te laten verslappen, nam De Moor het gesprek in handen. ‘Luister Frans, mijne vriend hier zou graag weten hoeveel de schulden van de Gantoise precies bedragen. Zeg eens.’

‘Tja, luister, dat is niet zo eenvoudig...’ opende Verheeke een vat mist, dat door De Moor onmiddellijk werd dichtgeslagen: ‘Frans, we gaan niet zeveren, hoeveel?’

‘Achthonderd vierendertig miljoen frank.’

‘Wablief? Hoe is dat zo hoog kunnen oplopen? En draai niet rond de pot, want dat pakt bij mij niet.’

Tien minuten later had Verheeke alle namen en bedragen genoemd van onvoorzichtige bestuursleden en corrupte politici, had hij een gedetailleerd overzicht gegeven van hoeveel trainers en spelers verdienden, had hij de truc met het pensioenfonds uitgelegd en onthuld hoe je het eenvoudigst btw en sociale lasten kon ontduiken. Tijdens het eten verklapte hij nog een paar bancaire schandalen, ook enkele roddels over beroemde Gentenaars, en waarschuwde hij voor het coöperatieve spaarsysteem van het ACW.

Toen we na afloop buitenstapten, zuchtte De Moor: ‘Ge hebt gelijk jong, die zegt niks. Maar we hebben toch lekker gegeten.’

Lees verder