Goedheilig man

De vlijmscherpe column van Koen Meulenaere

We zijn weer in ons edel Brabants land. Tegenover de elektrozaak die u allen zo goed kent. Bij de warme bakker die u ook stilaan kent. Waar wij onlangs een ballonvaart hebben geweigerd en ooit 87 koffiekoeken hebben besteld uit balorigheid omdat de gepensioneerden vóór ons alle tijd van de wereld namen voor het kiezen van hún koeken, het zoeken van pasmuntjes in hun portemonee, en de vergeefse pogingen om zes broden, twee cakes, vijf eclairs, en vier taartjes in een te kleine tas te proppen.

- Dag madam.

- ‘Aiai, gij weer. Hoeveel koeken moet ge deze keer hebben?’

- Nul. Die chocolade Klaas daar.

- ‘Sinter Klaas?’

- Nee, Ernest Klaas.

- ‘Wie is dat?’

- Die van ‘De Witte’.

- ‘Moet ge er ene in witte chocolade? Ik weet niet of we dat...’

- Maar nee, madam, die daar.

- ‘Dat is pure chocola, hè. We hebben er ook in mel...’

- Madam, die. Hoewel, als ik er over nadenk: Sinterklaas is niet zwart maar wit. Het is zijn knecht, Zwarte Piet, die zwart is. Daar gaat de hele discussie net over.

- ‘Welke discussie?’

- Laat maar. Eigenlijk moet dat paard ook wit zijn, hè, madam. Want Sinterklaas heeft een schimmel tussen zijn benen. Geen moor maar een lipizzaner, gelijk in de Spaanse Rijschool in Wenen. Ik heb een vriend, Rik Van Cauwelaert, ge kent hem misschien van op de televisie, en die heeft ooit een artikel geschreven waarin hij de dressuurruiters van de Spaanse Rijschool vergeleek met pedofiele priesters in katholieke jeugdinternaten. Een paard moest volgens hem dampend uit de bocht komen galopperen op de renbaan, en geen walsen of polka’s dansen met een Oostenrijker in een pofbroek op zijn rug.

- ‘Als ge dat paard niet wilt, we hebben er vanachter ook nog waar de Sint gewoon met zijn staf rechtop staat.’

- Madam, let op uw woorden, ge spreekt over een heilig man. Hebt ge geen chocolade schoorsteen waar dat paard in duikelt terwijl de Sint eraf valt?

- ‘Dat denk ik nu niet direct. Ik wil wel eens gaan vragen of ze dat kunnen maken.’

- Maar nee, madam, hoe is dat nu toch mogelijk, die daar.

- ‘Is het om op te eten?’

- Is het om op te eten?! Nee, het is om in mijn zilverkast te zetten.

- ‘Jamaar, ik bedoel: is het om direct op te eten?’

- Nee. Ik had gedacht te wachten tot Pasen.

- ‘Dan zijn er eieren, hè, meneer.’

- Eieren?

- ‘Ja, paaseieren, van de klokken.’

- Welke klokken?

- ‘De klokken van Rome. Enfin, die kent toch iedereen.’

- Madam, dat stond niet in onze inburgeringscursus. Wij Afghanen kennen dat niet. Bij ons leggen de kiekes eieren, niet de klokken.

- ‘Bent u een Afghaan?’

- Yep. Uit Afghanië.

- ‘Amai. Dat kunt ge bijna niet horen. Moet ik hem inpakken?’

- Nee. Hij kan op zijn paard achter mij rijden.

Lees verder