Night at the museum

De vlijmscherpe column van Koen Meulenaere

Om de zomermaanden toch enigszins draaglijk te maken heeft de weekendredactie van De Tijd weer een schitterende nieuwe rubriek bedacht. Waar blijven ze het halen, waar blijven ze het halen? Onder de kop ‘Het favoriete museum van...’ wordt aan interessante mensen, altijd beter dan aan oninteressante, gevraagd wat hun favoriete museum is. Tot op zekere hoogte logisch, want als bij die figuren was gepolst naar hun lievelingsgerecht, zou het dwaas zijn de reeks ‘Het favoriete museum van...’ te noemen.

Mogen wij u nu één goede raad geven? Ga dat nooit bezoeken, hè. Er zouden lezers kunnen denken: ‘Tiens, als die of die dat een inspirerende tent vindt, zullen we daar ook eens passeren.’ Niet doen. Zoals u ook nooit een boek moet lezen dat in het kader van een andere zomerse serie wordt aangeprezen door een of andere bekende kwiet, die het meestal zelf niet heeft gelezen.

In het algemeen gesproken zijn er twee soorten musea waar u moet wegblijven: die waar niemand voor de deur staat aan te schuiven, en die waar iedereen voor de deur staat aan te schuiven. In de eerste is blijkbaar niets te zien. In de tweede is blijkbaar zoveel te zien dat u het niet gezien zult krijgen.

Museumdirecteurs hebben namelijk maar één doelstelling: de klant zo snel mogelijk van de kassa aan de ingang naar de kassa aan de uitgang te escorteren. Die laatste staat in de snuisterijenshop. Doorgaans sta je eerst buiten in zo een slingerrij van in het pretpark drie kwartier in de regen, passeer je eindelijk de inkom, staat er binnen in de gang een nieuwe rij voor de ticketbalie, en daarachter nog een tot aan de deur van de eerste zaal.

Daar moet dan iedereen in zeven haasten doorheen worden gejaagd, want achter elke vermoeide sukkel die eindelijk binnen is geraakt, staan er honderd anderen die er nog bij gestouwd moeten worden. Dat lukt niet als iedereen op zijn gemak alles gaat bewonderen. Om dat asociale gedrag te ontmoedigen staan er negens stoelen of banken. Waardoor elke gast na de eerste paar doeken al zo moe is dat hij enkel nog naar buiten wil om op een terras een koffie te gaan drinken.

Nu zijn de meeste exposities van die aard dat je er het best op een Ducati doorraast, maar nu en dan sta je toch voor een grootmeester van wie je elk werk afzonderlijk zou willen bestuderen, vanop een comfortabele stoel, met een glas wijn in de hand. Wel, dat is dus de nachtmerrie van de conservator. ‘Het zwien deur de bjèten joagen’, luidt zijn opdracht. Verboden te talmen, immer voort. Na twee vertrekken ben je zo uitgeput dat je ook de prachtigste schilderijen geen blik meer waard acht.

Kent u ‘The Family of Man’, die fantastische fotoverzameling in Clervaux in Luxemburg? Geen idee hoeveel prenten daar hangen, zeker vijfhonderd, stuk voor stuk juweeltjes van fotografie. Bij elk ervan zou je een dag moeten doorbrengen. Onmogelijk, geen zitplaats te bekennen, tenzij hier en daar voor een slaperige cipier, de juiste vakterm schijnt ‘suppoost’ te zijn. Ook daar strompel je dus maar gauw langs, met meer oog voor de uitgang dan voor de unieke beelden.

Is het dat wat ze willen, dat museumgajes? Wij eisen stoelen! En banken! En rap! Enfin, veel lol met de nieuwe rubriek. En een zwembad met een cocktailbar ernaast is ook prettig, in de zomer.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content