Zorbart de Griek

De vlijmscherpe column van Koen Meulenaere

Onze leider heeft zich bekeerd tot de Griekse beginselen! Het was te denken met Annick De Ridder in het college. Waar het vroeger al Rome was wat de klok sloeg, heeft hij nu in de bijlage van de Van Dale de Griekse oneliners ontdekt, en is volledig in de ban van de Trojaanse oorlogen. Het vergt niet veel verbeelding om in te zien wie de hedendaagse Helena van Troje is, en wie prins Paris.

Kaaiman heeft ooit de eer gehad voor Humo een interview af te nemen van Laocoön, de Trojaanse priester die zijn stadsgenoten waarschuwde voor de list met het houten paard. En wiens uitspraak ‘Timeo Danaos et dona ferentes’ opnieuw door elke scholier zal gekend zijn zodra Theo minister van Onderwijs is. Dat artikel hebben wij trouwens met plezier misbruikt om enkele sneren te geven naar Vergilius, een ordinaire broodschrijver die zonder gêne precies schreef wat zijn politieke betaalheren wensten te lezen. De Paul Goossens van zijn tijd. We zijn zo vrij weer eens een dito dagje te nemen en u te verblijden met een uittreksel uit dat interview.

- U kwam molenwiekend van de berg gestormd.

- Laocoön: Molenwiekend? Wie zegt dat?

- Vergilius. Laocoön ardens summa decurrit ab arce.

- Laocoön: Tsjonge jonge. Weet ge hoe Vergilius de Aeneis begint?

- Ja. Arma virumque cano, Troiae qui primus...

- Laocoön: Neenee, het tweede boek, met het perdje.

- Inde toro pater Aeneas sic orsus ab alto?

- Laocoön: C’est ça. Zo kunt ge natuurlijk schrijven wat ge wilt. Alle historische onjuistheden, het is Aeneas die het zegt. Dat is zoals columnisten die zich achter ‘satire’ verschuilen. Laf is dat.

- Maar u hebt in elk geval een emotionele toespraak gehouden?

- Laocoön: Dat wel, stel u in mijn plaats. Ik heb uitgeroepen: ‘Burgers van Troje, wat een waanzin! Hoe groot is uw onvoorzichtigheid!’

- O miseri, quae tanta insania, cives?

- Laocoön: Juist. Ik heb gevraagd, retorisch dan: ‘Denken jullie nu echt dat de vijand vertrokken is?’

- En dan hebt u geroepen: ‘Timeo Danaos et dona ferentes.’

- Laocoön: Ikke? Bijlange niet. ‘Timeo Danaos et dona ferentes’, haha, dat heeft die Vergilius zelf bedacht. Klinkt niet slecht, moet ik toegeven. Ik heb wel een speer gegrepen en in de flank van dat paard geslingerd. Een ferme worp, al zeg ik het zelf. Hadden ze toen niet zo veel kabaal gemaakt, ze hadden de wapens van de Grieken binnenin horen kletteren.

- En wat was dat met die slangen?

- Laocoön: Awel, ik wou ne stier offeren aan Poseidon, om de rede alsnog over mijn landgenoten te laten nederdalen. Kwamen er toch ineens twee slangen uit de zee zeker. Hun ogen schoten vier, en hun sissende tongen flitsten in en uit hun schuimende bekken.

- Moeder!

- Laocoön: Voor ik iets kon doen hadden die monsters zich om mijn beide zoons geslingerd en wurgden ze onder mijn ogen het kostbaarste wat ik bezat.

- Had u ook geen dure viool?

- Laocoön: Maar nee, waar haalt ge dat nu weer? Daarna spoten die slangen ook mij met hun gif dood. En dan moet ge weten: ik was priester van de zee. Ge zou voor minder van uw geloof vallen. En vaneigens zagen de Trojanen daarin een teken dat ik het fout had en haalden ze het paard toch binnen. Met alle gevolgen van dien.

- Het zal hen leren, stommeriken.

- Laocoön: Ge neemt me de woorden uit de mond.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Partner content