reportage

‘Het was de hel, zelfs op zee schoten ze'

©Anadolu Agency

Luchtaanvallen, sluipschutters en honger. Duizenden Jemenieten ontvluchtten al hun thuisland. Velen per boot naar veiliger oorden. ‘Onlangs hielp ik nog vluchtelingen, nu ben ik er zelf één.’

Hoog boven het water torent een met zeil en touw omspannen boot boven de territoriale wateren van Djibouti uit. Twee speedboten van de kustwacht begeleiden het logge oude gevaarte de haven van Djibouti-stad in. Op het voordek zitten mannen opeengepakt onder een plastic zeil te roken, achterin klitten gesluierde vrouwen samen rond een stapel koffers. Op de achtersteven wapperen twee vlaggen: een van Djibouti, het ministaatje dat de eindbestemming is van het schip, en een van Jemen, het land dat de opvarenden met gevaar voor eigen leven ontvluchten.

‘Wat zijn we dankbaar dat we hier aan land mogen komen’, zucht Zakaria Hassan uit de hoofdstad Sanaa als hij aan land springt. Thuis heerst de angst. Er is een groot gebrek aan voedsel, water en veiligheid, zegt hij. ‘Er zijn dagelijks bombardementen en mensen sterven. Houthirebellen schieten willekeurig op mensen. Je kan niet meer veilig over straat.’

Poort van Tranen

'Jemen stort in elkaar', waarschuwt het Rode Kruis. De humanitaire toestand is na een aanslepende bloedige strijd 'niets minder dan een catastrofe'. Bijna 13 miljoen van de 24 miljoen inwoners hebben door het gewapend conflict en door importbeperkingen geen toegang tot elementaire voedingsmiddelen. 'Ook geneesmiddelen mogen niet door, zodat de gezondheidszorg ineenstuikt. Veel ziekenhuizen worden overigens massaal aangevallen en zijn zwaar beschadigd', aldus het Rode Kruis.

18 uur lang waren ze onderweg. ‘Mensen schreeuwden. We waren zo bang. De boot na ons werd beschoten door Houthirebellen. Mensen en kinderen stierven’, zegt Ashwak Abdullah (49) uit de havenstad Aden die met haar man en dochter de oversteek maakte. Het stormde toen ze de smalle zeestraat Bab el-Mandheb - Poort van Tranen in het Arabisch - overstaken. Mensen huilden en baden tot God dat ze de tocht zouden overleven. Ze zucht: ‘We zetten ons leven op het spel, maar we moesten weg zien te komen. Het is niet veilig in Jemen. Aden is een spookstad geworden.’

Inmiddels zijn meer dan 100.000 mensen het land ontvlucht. 20.000 van hen vonden een veilig heenkomen in Djibouti, waar de hotels in de hoofdstad Djibouti-stad uitpuilen met vluchtelingen. Aan de andere kant van de baai, even buiten het havenstadje Obock, is in alle haast een opvangkamp gebouwd. De vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties UNHCR verwacht dat het inwonersaantal zal groeien van 1.700 nu naar 15.000 aan het einde van dit jaar.

De leefomstandigheden in het kamp zijn zwaar, de stemming is somber. De inwoners zijn een leven in - relatieve - luxe gewend, met airconditioning, winkelcentra, internet, stromend water. Hier is het heet en ’s nachts klinkt het gejank van wolven uit de omliggende woestijn. Inwoners klagen over schorpioenen, het water is warm en smaakt zout.

Kaart ©Mediafin

Moeder Ashwak zit met haar man Hani Al-Khamri (52) en dochter Julia Hani (17) aangeslagen voor een van de tenten. Drie matrassen liggen netjes opgestapeld in de hoek, een kleine radio staat op een koffer. Het leven van het liberale middenklassegezin - vader Hani werkte 13 jaar met Somalische vluchtelingen in Jemen - sloeg op 21 maart radicaal om. ‘Het is nauwelijks te bevatten wat dan in het echt gebeurt. Het ging allemaal zo plots,’ zegt moeder Ashwak.

Dochter Julia was die dag op school. Haar ouders hadden in de weken daarvoor - toen de Houthi’s steeds meer naar de stad optrokken - de schooldirectie gesmeekt de leerlingen naar huis te sturen, maar de leraren wilden dat de scholieren zich zo goed mogelijk zouden voorbereid op de examens die voor de deur stonden.

Toen de Houthi’s op 21 maart aanvielen, werden de leerlingen in alle haast geëvacueerd. Julia was een fractie van een seconde blij dat ze vrij kreeg, maar hoe meer schoten er klonken, hoe banger ze werd. Thuis trof ze haar ouders in paniek aan. Overal reden tanks door de straten en klonken schoten. Via hun telefoon en WhatsApp volgden ze wat er in de stad gebeurde. Die dag stierven 30 jongens uit hun wijk die de wapens oppakten om hun stad te verdedigen.

©AFP

Ashwak: ‘Niemand verwachtte dat er oorlog zou komen. Ons land ging door een moeilijk politieke periode. We hadden jaren geen president, geen overheid, niets. Maar we dachten dat er verkiezingen zouden komen en dat alles beter zouden worden.’ Niet dus.

Wat volgde, waren ‘drie weken in de hel’, zegt vader Hani. Een vrouw werd door een sluipschutter doodgeschoten terwijl ze de was aan het ophangen was. Een buurman werd door zijn hoofd geschoten toen hij door het raam naar buiten keek. Er was 17 dagen geen elektriciteit en amper voedsel en drinkwater. Hun huis werd geraakt door granaten.

Het gezin besloot te vluchten. Na een zware tocht wisten ze de haven te bereiken en vonden ze een boot die hen naar Djibouti kon brengen. Zonder bezittingen verlieten ze hun thuisland de gevaarlijke zee op. Op de boot bereidde Hani zijn gezin voor op wat zou komen: ‘Het zal niet het leven zijn dat we gewend zijn. Maar we hebben geen andere plek om naartoe te gaan. We moesten weg van de dood.’

‘En kijk nu waar we zijn’, zegt hij terwijl hij met een cynische blik naar de tenten om zich heen kijkt. ‘Een paar maanden geleden hielp ik zelf nog vluchtelingen, nu ben ik er zelf een. Dat is hoe het leven kan lopen.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud