Steenkool voor vrouwenstemrecht

©Photo News

Getalm, uitstelgedrag en politieke draaikonterij kenmerken het energiedossier en de beslissing over de kernuitstap. Het lijkt wel een herhaling van het steenkoolbeleid, gecontroleerd door een subsidieverslaafd mijnpatronaat.

De invoering van het vrouwenstemrecht in ruil voor het openhouden van verlieslatende Waalse steenkoolmijnen. Het is een opmerkelijke illustratie van de manier waarop in België politieke beslissingen tot stand komen. Ze is te vinden in ‘L’Etat, un mauvais industriel?’, de doctoraatsverhandeling van de jonge VUB-historicus Guy Coppieters over het Belgische steenkoolbeleid tussen 1901 en 1951. Dat steenkoolbeleid was een voortdurende krachtmeting tussen de machtige, subsidieverslaafde mijneigenaars en de opeenvolgende regeringen, die vooral blijk gaven van een hardnekkige onbeslistheid. De eigenaars waren verenigd in de Fédération des Associations Charbonnières de Belgique (Fedechar), die gecontroleerd werd door de grote holdings en families als Boël en Coppée.

De politieke koehandel rond het vrouwenstemrecht, een strijdpunt van de toenmalige CVP, vond in 1948 plaats in de rooms-rode regering van Paul-Henri Spaak. Het ondanks de opstapelende verliezen openhouden van de bedreigde steenkoolmijnen was een eis van BSP-minister van Brandstof en Energie Achille Delattre, zelf een oud-mijnwerker.

Guy Coppieters heeft voor het eerst het Belgisch steenkoolbeleid grondig ontgonnen. Zijn verhaal roept onwillekeurig vergelijkingen op met het jarenlange getalm, het uitstelgedrag en de politieke draaikonterij in het elektriciteitsdossier en de kernuitstap. De afgelopen dagen werden weer studies over de gevolgen van de kernuitstap neergelegd. Binnenkort volgt ook het resultaat van de door de regering bestelde analyses door het Planbureau en door UGent-professor Johan Albrecht.

Die academicus publiceerde vorig jaar het boek ‘Energietrilemma’ in samenwerking met de denktank Itinera. Maar die verkenning van het Belgische elektriciteitslandschap in 2030 botste op de onverschilligheid van zowel de media als de politiek.

Deze keer begon de cijferslag nog voor de inhoud van de verschillende studies, waaronder die van EnergyVille, bekend werd. Welke parameters werden in aanmerking genomen en welke niet? Naargelang hun herkomst werden de gebruikte cijfers als geloofwaardig of ongeloofwaardig afgedaan. Of de federale regering, die stilaan wegglijdt in lopende zaken en verkiezingsmodus, de nodige energie heeft om naast het Arco-dossier ook het Energiepact in een vaste vorm te gieten, moet de komende weken blijken.

Ook in het steenkoolbeleid werd voortdurend met cijfers gegoocheld. Jammer genoeg beschikte alleen Fedechar, gesticht in 1926, als enige instelling over de echte cijfers. De mijneigenaars hielden die strak tegen de borst, zodat de opeenvolgende regeringen hun beleid als het ware op de tast moesten voeren.

In de 19de eeuw was de Waalse steenkoolindustrie het fundament van de industriële ontwikkeling in België. De ontdekking van de Limburgse steenkool resulteerde al vrij snel in complicaties. Ook communautaire, want de ontwikkeling van de Limburgse steenkoolmijnen bedreigde de oude Waalse bekkens.

Na de Eerste Wereldoorlog bracht de invoer van vooral Duitse steenkool de sector in moeilijkheden. In 1925 ging het eerste alarm af, toen mijningenieur Alexandre Delmer in de Revue Economique Internationale openlijk de crisis in de steenkoolindustrie aankaartte. Volgens Delmer moest een twintigtal uitgeputte mijnen worden gesloten. Dat kwam neer op het schrappen van de productie van nagenoeg 3 miljoen ton, waarvan de kostprijs gevoelig hoger lag dan de gangbare marktprijs. Delmers waarschuwing werd volkomen genegeerd, om niet te zeggen verdrongen. Met de onvermijdelijke gevolgen. Enkele jaren later volgden de eerste ‘marktcorrigerende’ maatregelen - een eufemisme voor subsidiëring.

Achille Charbon

Sindsdien was het voor de politiek een kwestie van aanmodderen. De echte macht zat bij het mijnpatronaat en bij de holdings Generale Maatschappij, Brufina en Cofinindus, waarvan sommige bestuurders tegelijk zetelden in de verwerkende bedrijven, vooral de staalfabrieken. Het mijnpatronaat hanteerde een strategie, gericht op lage loonkosten en de verhoging van de steenkoolprijs, die destructief zou blijken. Zeker na de Tweede Wereldoorlog hypothekeerde de hoge energieprijs de concurrentiekracht van het Belgische bedrijfsleven, zoals vandaag overigens.

De Tweede Wereldoorlog veranderde niets aan de machtsverhoudingen. Achille Van Acker zette in 1945 met zijn regering de Kolenslag in, waarbij in het raam van de wederopbouw de steenkoolproductie opgedreven werd. Hij werd vooral electoraal gedreven. Hij was begaan met de restauratie van de vooroorlogse machtsdeling en met de strijd tegen het communisme, dat even een bedreiging leek maar dat in werkelijkheid minder sterk was georganiseerd dan later werd beweerd. Van Acker dankt aan de Kolenslag zijn bijnaam Achille Charbon.

Toch miste hij de kans om de steenkoolsector onder controle te krijgen en hervormingen door te voeren. ‘Spreek mij niet van nationaliseringen’, zei hij in 1945 tijdens een toespraak in Luik. ‘De staat is een slechte industrieel en een slechte zakenman.’

Van Acker zat op de lijn van het mijnpatronaat en legde zelfs de arbeidersbeweging aan banden om zijn Kolenslag thuis te halen. Om die slag te winnen werden Duitse en Oost-Europese krijgsgevangenen ingezet, maar ook veroordeelde collaborateurs en zelfs politieke vluchtelingen en staatlozen. Buitenlands protest bleef niet uit. Toen naderhand de krijgsgevangenen werden vrijgelaten, ging Fedechar Italiaanse mijnwerkers rekruteren. Zo kwam een eerste migratiegolf op gang. Bij het begin van de jaren 1950 was de meerderheid van de mijnwerkers in Waalse mijnen van buitenlandse herkomst: 74 procent in Charleroi en 71 procent in Luik, tegen slechts 37 procent in de Kempen.

De Kolenslag was een geslaagde propagandastunt, maar economisch een pyrrusoverwinning. De steenkoolproductie zou pas in 1951 opnieuw het niveau van 1939 halen. Het naoorlogse Belgisch economisch mirakel was overigens van heel korte duur. Het werd vooral aangedreven door de muntsanering, maar ook door de Antwerpse haven, die een vitale militaire bevoorradingsrol speelde waarvoor de Verenigde Staten België stevig vergoedden. Maar Van Acker installeerde wel een subsidiecultuur. Tussen 1945 en 1957 schoof de Belgische overheid zo’n 40 miljard frank naar het mijnpatronaat, dat zich in die periode voor maar liefst 7,24 miljard frank aan dividenden uitkeerde.

Tot 1992 werd de mijnsector kunstmatig in leven gehouden. Tijdens de periode 1901-1992 lieten de Limburgse mijnen alleen al een gecumuleerd verlies optekenen van 7,44 miljard euro. Eigenlijk had men de Limburgse mijnen in 1960-1962 al moeten sluiten, toen de gecumuleerde winst nog 2,16 miljard euro bedroeg. De Waalse mijnen had men meteen na de Tweede Wereldoorlog moeten sluiten.

Maar de subsidiehonger van het mijnpatronaat was niet te stillen. Zelfs na de verschrikkelijke mijnramp in Marcinelle publiceerde Fedechar eind 1956 een bijzonder cynische brochure met als titel ‘Qui a bénéficié des 31 milliards’? Volgens de opstellers profiteerde niet het mijnpatronaat maar de consument van de te lage steenkoolprijs. Dat de consument via de belastingen die subsidies financierde, werd er niet bij verteld. Ook in het huidige energiedossier wordt dat al eens onder de mat geveegd.

Guy Coppieters - L’Etat, un mauvais industriel? De strijd om het Belgische steenkoolbeleid, 1901-1951 - 2017, Vrije Universiteit Brussel.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content