reportage

‘We hebben bankiers gemakshalve afgeschilderd als monsters'

Joris luyendijk in London ©Timothy Foster

Na twee jaar en tweehonderd heimelijke gesprekken in de Londense City heeft de Nederlandse journalist-antropoloog Joris Luyendijk de puzzel van de financiële sector gelegd. ‘De natuurwetten van het economisch systeem werken niet meer. Alsof de zwaartekracht plots opgeheven zou zijn.’

St Pancras International, 14.05 uur

Joris Luyendijk (43) staat me leunend tegen een paal op te wachten aan St Pancras International. Vlak bij het Londense station is ook de redactie van The Guardian gevestigd, de prestigieuze krant waarvoor hij twee jaar lang op zoek ging naar de verhalen van de City. Ik stap op hem af, maar pas als ik hem aanspreek, reageert hij. ‘Neem me niet kwalijk. Ik had een man van vijftig verwacht, geen vrouw, omdat je zei dat je voor een financiële krant werkt.’ De journalist-antropoloog corrigeert zichzelf: ‘Mijn fout. Zie je, ik ben al twee jaar ondergedompeld in de financiële wereld en nog altijd kamp ik met vooroordelen.’

Die lui in de City zijn niet gek anders dan u en ik. Het zijn geen zelfingenomen sociopaten. Maar dat willen mensen niet horen.

Toen Luyendijk aan zijn opdracht begon, had hij niet veel meer dan enkele stereotypen in zijn broekzak. ‘De beginvraag van mijn blog luidde: wie zijn jullie, hoe kunnen jullie met jezelf leven? Daar kwamen reacties op. Zo ging de bal aan het rollen.’ Van de 250.000 mensen die in de City werken, sprak Luyendijk er zo’n 200. Hij leerde dat hebzucht tekortschiet om te verklaren wat misloopt. ‘Dat is wellicht de grootste misvatting’, zegt hij. ‘We hebben bankiers gemakshalve afgeschilderd als monsters met een geldverslaving. Dan moesten we geen rekening houden met die andere - veel ongemakkelijkere - verklaring: dat het systeem stuk is.’

Maar de bankiers die Luyendijk ontmoette, waren geen monsters. ‘Die lui zijn niet gek anders dan u en ik. Gewone mensen die me bijna allemaal zwoeren: ‘It wasn’t me.’ Het waren geen zelfingenomen sociopaten, geen Gordon Gekko’s. Maar dat willen mensen niet horen. Telkens als ik het over griezels en engerds had op mijn blog, telkens als de woorden coke of alcohol vielen, schoten de leescijfers omhoog. Het is net omdat we problemen personaliseren dat we niet zien waar de echte problemen liggen. En dus ook de oplossingen niet.’

Joris luyendijk in London ©Timothy Foster

Monument Station, 14.25 uur

De metro brengt ons naar Monument station, voor een wandeling in de buurt rond Saint Paul’s Cathedral, het hart van de City, de biotoop van de soort die Luyendijk bestudeerde. Als we uit het metrostation komen, doemen glazen paleizen op. We wandelen langs de monumentale gebouwen van Lloyds, RBS en Goldman Sachs. De pubs, de koffiebars, de verborgen hoekjes in de schaduw van die torens, Luyendijk kent ze als zijn broekzak.

Als het geen monsters waren, wie of wat heeft dan wel de financiële crisis veroorzaakt die de wereld op zijn grondvesten deed daveren? En vooral, kan het zomaar opnieuw gebeuren? Het heeft twee jaar geduurd voor Luyendijk zijn puzzel had gelegd. ‘In de financiële wereld heerst zwijgplicht. Wie met de pers praat, riskeert zijn job plus een schadeclaim. Dus moest ik wel incognito afspreken, thuis of op anonieme plekken zoals Starbucks. Over bijna elk gesprek hing een wolk van angst en stress. Het gesprek opnemen kon vaak niet, daar werden ze bloednerveus van. Rode vlekken in de hals. Soms gebeurde het dat mijn gesprekspartner bleek wegtrok en fluisterde: ‘We staan nu op en lopen de zaal uit. Nu!’ Op zo’n moment was er een collega binnengekomen die hetzelfde koffietentje gebruikte voor zijn clandestiene ontmoetingen, bijvoorbeeld met een headhunter.’

Misschien begint de volgende crisis met een IT-crash, waardoor een grote bank plots niet meer aan haar data kan.

Voor een antropoloog is de City een boeiende plek. ‘Met alle ongeschreven wetten, taboes en interne hiërarchieën is dit net een dorp, of een stam. Ik leerde dassen, schoenen, horloges en ringen decoderen. Traders vinden Hermès-dassen voor mietjes. Bankiers die beursgangen voorbereiden, komen voorrijden in de duurste auto die er bestaat. Dan denkt de ondernemer: die bankier heeft vast al meer bedrijven succesvol naar de beurs gebracht. Advocaten die een langetermijnrelatie met klanten opbouwen, laten hun peperdure horloge thuis. Anders denken hun klanten: betaal ik niet te veel?’

‘Ongemerkt begon ik hun taal te spreken. Die types spreken in zinnen waar je elk derde woord niet van begrijpt. Nul bonus is een doughnut, en fat finger het fatale moment dat een handelaar een nulletje te veel intikt. Na een tijd moest ik niet meer aan Tolkien denken als iemand zei dat hij in The Magic Circle werkte - zo worden de vijf dominante advocatenkantoren genoemd.’

Joris luyendijk in London ©Timothy Foster

Starbucks, Lombard Street, 15.38 uur

Als we bij Starbucks binnenspringen voor een kop koffie, demonstreert Luyendijk dat hij een broker’s ear heeft ontwikkeld, de kunst om vijf gesprekken tegelijk te beluisteren. ‘Sst, luister eens. Die kerel naast ons heeft een boze klant aan de lijn. Hij heeft hem aangeraden een product te verkopen dat zopas enorm in waarde is gestegen.’

De man tokkelt verwoed op zijn tablet, zijn lichaamstaal verraadt stress. Sussend zegt hij tegen zijn klant: ‘Toch geloof ik dat we de juiste beslissing hebben genomen. We hebben er goed over nagedacht. Markten maken soms rare sprongen.’ Luyendijk: ‘Let op hoe strategisch hij het woordje ‘wij’ gebruikt. Wíj hebben verloren. De realiteit is dat alleen de klant verliest. De financiële wereld zit vol met wat ze in de psychologie perverse prikkels noemen: beloningen voor ongewenst gedrag. Een ervan is dat het altijd andermans geld is.’

‘De sector is meedogenloos gericht op winst, en op het naaien van de klant’, vernam Luyendijk uit eerste hand. ‘Individuele consumenten zijn redelijk beschermd. Maar met professionele beleggers en grote spelers geldt: anything goes. Zij horen te weten wat ze doen, ze moeten de kleine lettertjes maar lezen. De verkoper ligt er niet van wakker als een pensioenfonds in de problemen komt, of als een ziekenhuis een vleugel moet sluiten na slechte investeringen.’

Na een tijd moest ik niet meer aan Tolkien denken als iemand zei dat hij in The Magic Circle werkte.

Dat bracht Luyendijk tot de volgende conclusie: ‘De wereld van de City is amoreel. Dat betekent niet slecht of immoreel, maar wel dat goed en kwaad in de discussie niet voorkomen. Winst is het enige criterium, niet hoe je die boekt. Alle relaties zijn transacties.’ Hij geeft een voorbeeld: ‘Jaren geleden hebben bankiers Griekenland geadviseerd hoe het land met derivaten zijn schuldenlast kon verbergen. Daarna adviseerden hefboomfondsen hoe je munt kon slaan uit de chaos in Griekenland. Vandaag proberen zakenbankiers contracten binnen te halen bij Europese overheden voor het opruimen van de rotzooi.’

Luyendijk kijkt nog eens links van zich, waar de man die net nog een boze klant aan de lijn had, een laatste slok latte macchiato neemt. ‘Ook deze man heeft zero job security. Hij kan op elk moment van de dag een telefoontje krijgen: ‘Hallo, zou je even naar de twintigste verdieping kunnen komen? Zo’n ontslaggesprek duurt vijf minuten, daarna begeleidt de security hem naar buiten. Zijn badge wordt in beslag genomen. Hij moet vanop de stoep naar een collega bellen om zijn jas en tas te komen brengen.’

Executies, zo worden die plotselinge ontslagen genoemd. Banken als Goldman Sachs en JPMorgan ontslaan elk jaar de slechtst presterende werknemers, ook in jaren van enorme winst. ‘Cull’, heet dat, hetzelfde woord voor het ruimen van zieke koeien op een veehouderij. Iedereen in de City is wel al een keer ontslagen, het is haast een ritueel waar je door moet om erbij te horen. Het gevolg is wel dat er nul loyaliteit is en er een klimaat van angst heerst.’

We stappen Lombard Street af, de halsslagader van de City. Het is er nog rustig. ‘Als de markten straks sluiten, zwermen bankiers de gebouwen uit en de pubs in. ‘Veel mensen die ik interviewde, vroegen me: ‘Zou jij niet in the City willen werken?’ Sommige banen lijken me echt wel fantastisch. Maar de werkomstandigheden zijn afschuwelijk. Ok, ze verdienen goed hun boterham, maar de meesten moeten zo hard werken dat ze geen leven meer hebben. De bankiers die ik sprak, begrepen dat niet. Ze konden niet vatten dat niet iedereen aan de top van de voedselketen wil staan.’

Joris luyendijk in London ©Timothy Foster

Bank Station, 16.55 uur

B ank Station, het oude beursgebouw, is verlicht. Luyendijk wijst naar een gebouw wat verderop. ‘Dat is de Coq d’Argent, een hotspot onder bankiers. Het restaurant heeft een privélift en een grote daktuin.’ De reputatie van het restaurant raakte de jongste jaren besmeurd, omdat het ook een hotspot werd voor bankiers met zelfmoordgedachten. Vorig jaar nog sprong er één de zeven verdiepingen naar beneden omdat hij de schoolrekeningen van zijn kinderen niet meer kon betalen. ‘Ik heb verschillende bankiers gesproken die hun baan wilden opgeven, maar dat niet konden. Wonen in Londen kost een fortuin. Bovendien zitten de kinderen in dure privéscholen. Als je wilt stoppen, moet je je kinderen van school halen.’

De wind snijdt genadeloos, maar niet zo genadeloos als Luyendijks conclusie na zijn vele gesprekken en omzwervingen. ‘Niemand kan nog het volledige overzicht hebben, laat staan de controle of de eindverantwoordelijkheid. Niet over een individuele megabank en al helemaal niet over het mondiale systeem als geheel’, zegt hij. ‘De cockpit is leeg. We hebben het niet meer in de hand. Als het toestel crasht, zit er niemand aan de stuurknuppel. Het is belangrijk dat we dat erkennen, benoemen.’

Vorig jaar ging Luyendijk nog naar de voorstelling van de jaarresultaten van een grote bank. Daar kreeg hij een heel ander verhaal te horen. ‘Ik liet me samen met andere journalisten bedelven onder cijfers, percentages en taartdiagrammen. ‘Wij hebben het volste vertrouwen in onze kapitaalratio’s’, was de boodschap van de CEO. Pas achteraf besefte ik: dat is een ritueel. De toplui en de financiële pers ensceneren samen een voorstelling die impliceert: het is weer business as usual, het financiële systeem is opnieuw veilig. Nu alleen nog die bonussen fiksen, en dan is alles opgelost.’

Joris luyendijk in London ©Timothy Foster

Ontkent Luyendijk dan dat er de voorbije jaren een en ander is gebeurd om de financiële wereld schoon te maken? ‘Dat hangt van je perspectief af. Als je er middenin zit, kan ik me inbeelden dat je denkt: ‘Er is best wel wat gerealiseerd.’ Als je op een klein canvas kijkt, zijn er reuzenstappen gezet. Als je het grotere geheel bekijkt, is het niet genoeg. De financiële wereld is een soort Gulliver, die met tientallen touwtjes in bedwang wordt gehouden.’

Waar hij het meest van geschrokken is de voorbije jaren? Luyendijk aarzelt geen moment: ‘Toen ik besefte waaraan we zijn ontsnapt in 2008. Toen ik in het Midden-Oosten werkte, zei iedereen: ‘Joris, zo gevaarlijk!’ Maar in de City zeggen bankiers zelf dat de potentiële schade van een financiële meltdown veel groter is dan wat Al Qaeda kan aanrichten. Als er een financiële ramp komt, zal er in elke persoonlijke biografie, ook in de jouwe, een voor en een na zijn. Dat besefte ik niet toen ik eraan begon. Maar bankiers vertelden me verhalen over hoe bang ze waren: ‘That was scary mate. I mean, not film scary. Really scary.’ Sommigen belden hun vrouw om te zeggen dat ze de kinderen moest klaarmaken om te evacueren. Ik hoorde van mensen die aan het hamsteren gingen, anderen belden hun ouders om te zeggen dat ze hun geld in cash moesten gaan ophalen. Iemand zei: ‘Zo voelt oorlogsdreiging.’’

De avond valt. De lichten in de financiële tempels floepen aan, door de vensters van de pubs valt een gezellige gloed. Waar was iedereen dan zo bang voor geweest? ‘Het faillissement van een grote en wereldwijd vertakte bank kan een domino-effect veroorzaken waardoor het mondiale systeem als geheel tot stilstand komt, verlamd raakt en instort. Behalve dat niemand nog bij zijn geld kan, bevriest de financiering van de handel, daarmee de handel zelf en dus de voedselbevoorrading.’

‘Als je dat snapt, snap je plots ook waarom zoveel banken met belastinggeld zijn gered. Geen enkele politicus wil zoiets op zijn geweten hebben. Het verklaart ook waarom de echte risico’s binnenskamers zijn gehouden. Niemand wilde paniek zaaien. Bovendien kwam na de financiële crisis meteen de eurocrisis. Het resultaat van dat alles: er is geen politiek kapitaal om dingen echt te veranderen. De perverse prikkels in de sector zijn niet aangepakt. Je kan daar als journalist een stuk over maken, maar bij het twintigste artikel zegt je hoofdredacteur: ‘Nu is het wel genoeg.’ Je klaagt iets aan en er komt geen reactie. Dat is misschien nog wel het meest enge.’

Joris luyendijk in London ©Timothy Foster

Lamb Tavern, Leadenhall Court, 17.30 uur

De zon is ondergegaan. We duiken een galerij en dan een pub in. De bankiers stromen toe. We zijn lichtjes underdressed tussen alle pakken in de Lamb Tavern. ‘Geeft niets. Ik vermoed dat dit verzekeraars zijn. Ze hebben goedkope pakken aan, van het soort dat ik ook kan betalen.’

Of het niet frustrerend is dat iedereen zijn boodschap stilaan moe gehoord is? Mensen willen niet horen dat hun wereld naar de haaien gaat. Luyendijk lacht. ‘Woede zonder uitweg slaat naar binnen. Het is volgens psychiaters het ideale recept voor een depressie. We weten dat het weer misgaat, maar niet wanneer en waar. Misschien gebeurt er wel iets met de flitshandel. Een quant (iemand die ingewikkelde wiskundige modellen gebruikt om te beleggen, red.) vertelde me: ‘Bij paniek besef je hoe ongrijpbaar onze programma’s zijn. Als laatste redmiddel trekken we de stekker eruit. Letterlijk.’ Misschien begint de volgende financiële crisis met een grote IT-crash, waardoor een grote bank plots niet meer aan haar data kan.’

Joris luyendijk in London ©Timothy Foster

Luyendijk drinkt vrolijk van zijn bessensap. ‘Eerst was ik onwetend, daarna ongelovig. Dit kan toch niet waar zijn? Dan kwam de boosheid.’ En nu? Onverschilligheid? ‘Misschien zit daar mijn echte ontkenning. Mensen zijn niet perfect, de wereld is niet perfect. Veranderingen gaan traag. Ik zou willen dat het anders was, maar ik kan ermee leven. Ik ben geen pessimist. De financiële wereld zoals we die vandaag kennen, is relatief jong. Alle grote veranderingen kosten tijd. Alleen wilde ik dat we er al aan begonnen waren.’

Een oplossing ziet hij niet meteen. ‘Ik heb geen blauwdruk voor verandering. Maar met voldoende afstand zie je dat de politiek in grote mate uitvoert wat de financiële lobby dicteert. Als we zo doorgaan, groeit de kloof tussen de financiële elite en de werkende middenklasse. Dan gaat die zwijgende massa uiteindelijk naar nationalisme grijpen, vrees ik.’

Net voor we de pub verlaten, heeft Luyendijk toch nog een positieve boodschap voor me. ‘Er beweegt iets. Thomas Piketty, die Franse econoom die een saai en onleesbaar boek heeft geschreven, laat zalen vollopen. Mensen zijn er meer mee bezig dan vijf jaar geleden. Ze beseffen dat er iets niet klopt. Overheden blijven maar geld bijdrukken en de rente laag houden. En toch komt er geen inflatie, geen hogere prijzen. De natuurwetten van het economisch systeem gelden niet meer. Alsof de zwaartekracht plots zou zijn opgeheven.’

We stappen de metro in en nemen de Northern Line. Ik stap af aan St Pancras, Luyendijk moet nog verder. Als de deuren sluiten, wenst hij me een vlotte terugreis. En dan, met een monkellachje: ‘It was very nice to meet you, sir.’

Luyendijks boek ‘Dit kan niet waar zijn’, over zijn ervaringen in de City, verschijnt op 19 februari in het Nederlands.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud