interview

Alex Mottrie: ‘We vallen nog liever dood dan dat we verliezen'

Robotchirurg Alex Mottrie: 'We zijn onze welvaartsstaat aan het opeten, maar de politici zorgen, uit schrik voor hun eigen jobke, niet voor een oplossing. Dat maakt me zeer kwaad.' ©Karoly Effenberger

‘Hier ben ik nog nooit geweest’, zegt Alex Mottrie op een paadje in het Somergembos in Aalst, en misschien vat dat zinnetje veel samen. De dokter die met robots ging opereren en CEO werd, liep wel vaker langs ongebaande paden. ‘Ik heb geleerd dat je het pleit niet altijd wint.’

We beginnen met het nieuws: bij Orsi Academy is een kapitaalverhoging doorgevoerd. De European Association of Urology (EAU) injecteerde 3,1 miljoen euro, en krijgt zo 25 procent van de aandelen van Orsi.

Zo. We komen er straks nog wel op terug, maar eerst zitten we even aan de tuintafel bij de familie Mottrie. Dat het gras ondertussen met zacht gezoem bijgeknipt wordt door een robotmaaier, is geen verrassing. Hij ziet zijn tuin graag, maar met zijn vrouw Hélène was de afspraak al snel: de verzorging is voor haar. ‘Toen we hier pas woonden in 1996 heb ik één keer de haag gesnoeid’, zegt Alex Mottrie. ‘Ik had bij een vriend een elektrische haagschaar geleend en, inderdaad, het gebeurde: ik zaagde de draad doormidden. Ik moest nooit meer iets doen in de tuin.’ Voor het eerst verschijnt de brede Mottrie-lach op dat gezicht, niet voor het laatst. Over die tuin, met een vijver met tien grote kois zegt hij nog dit: ‘Mijn vrouw is voor de flora, ik ben voor de fauna. Af en toe hebben we reetjes op bezoek in de tuin en dat vind ik prachtig. Maar nu wil Hélène toch dat we de tuin afsluiten. De fauna eet de flora immers af en toe op.’

De Zomerwandeling

Een zomer als geen andere na
een gestold voorjaar: de paden op,
de lanen in. Rondom het huis.
Een langere tocht, een uitgebreider gesprek. De Zomerwandeling.

Aalst. Wie het woord hoort, denkt meteen veel. Carnaval natuurlijk en Louis Paul Boon, ‘De helaasheid der dingen’, Okapi en den Eendracht, ajuinen, priester Daens, zelfs Remco Evenepoel werd er geboren. Je denkt ook aan Ilse Uyttersprot, de betreurde ex-burgemeester. Rijdend naar waar Mottrie woont, zien we in Moorsel een spandoek: ‘De pijn van afscheid nemen, hoort toe aan mensen die Ilse liefhebben.’

Hij noemt haar ‘een supertoffe madame’, zegt dat het ‘superjammer’ is wat gebeurde en dat die foto’s typisch zijn voor de stad waar hij in 1996 als West-Vlaamse inwijkeling kwam wonen. Een sociale stad, noemt Mottrie het. ‘Het is veel gemakkelijker om als West-Vlaming in Aalst aanvaard te worden dan als buitenstaander in West-Vlaanderen. Ik sloot aan bij De Ronde Tafel (een internationale vereniging voor jonge mannen, red.), mijn vrouw richtte een afdeling van De Zilveren Passer op, maar ik ging ook basketten in een club die samenkwam aan café ’t IJzeren Hol. De cafébazen waren twee homo’s en dat vond iedereen oké. Ik heb de eenvoud van deze stad graag. Op café praat de CEO met de kuisvrouw. Toen Ilse (Uyttersprot dus, red.) op carnaval verscheen met een toren op haar hoofd (verwijzend naar een privétafereel dat stiekem gefilmd was en de wereld rondging, red.) zei ze zoals Mitterrand: ‘Et alors?’ Voor Aalst was dat meteen goed. Verkleden vind ik zelf niet gemakkelijk, maar op carnaval loop ik ook als een ‘voil Jeanet’ rond. Als je een paar pintjes gedronken hebt, lukt dat wel. Ik houd daar heel erg van. Maar carnaval is tegelijk de troef én het probleem van Aalst. Zolang het als het belangrijkste wordt gepromoot, zijn er mensen die al hun geld eraan geven, die in die dagen te veel drinken en zich zo in de miserie werken. De lokale politici zouden dat moeten inzien. Carnaval is geen probleem, maar als enkel carnaval uw leven is, is het wel een probleem.’

Alex Mottrie (56)

Afkomstig uit Ieper, waar hij in het middelbaar Latijn-wiskunde volgde. Hij is de oudste van vier broers. Aan de Kulak en later aan de KU Leuven studeerde hij geneeskunde. Uiteindelijk werd hij uroloog. Hij ging aan de slag in de Johannes-Gutenberg Universität in het Duitse Mainz en werkte nadien in de Washington University in Saint-Louis, Missouri, in de Verenigde Staten. In 1996 ging hij als uroloog aan de slag in het Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis in Aalst. In 2013 richtte hij de Orsi Academy op. Als gastprofessor geeft hij les aan de Universität des Saarlandes Homburg-Saar in Duitsland, aan het Global Robotic Institute of Florida Hospital in het Amerikaanse Orlando en aan de universiteiten van Gent en Leuven.
Hij is getrouwd en vader van drie kinderen.

Het klinkt alsof de taferelen die Dimitri Verhulst in ‘De helaasheid der dingen’ beschreef nog bestaan.

Alex Mottrie: ‘Ik heb de film twee keer gezien en soms is hij nog realistisch. Aalst heeft veel troeven en ligt, zo vlak bij Brussel, Gent en de snelweg, ideaal. Maar het is een slaapstad van Brussel geworden. Het ziekenhuis is de grootste werkgever, daar stel je je toch vragen bij? Het is jammer. Ik vind dit écht een fantastische stad en dat carnaval is prachtig. Maar politici, die er een enorm potentieel aan stemmen zien, zouden daar af en toe abstractie moeten van maken en op de risico’s durven te wijzen.’

Zou dat iets voor u zijn, die politiek?

Mottrie: ‘Ik heb uitgesproken ideeën, maar of ze uitvoerbaar zijn, weet ik niet. Ik stel me grote vragen bij de politiek van vandaag. Kijk naar Poetin, Bolsonaro, Trump en Erdogan, maar ook naar België. Midden in een zware crisis krijgen ze het niet gedaan een regering te vormen. Dat is toch onbegrijpelijk? We zijn onze welvaartsstaat aan het opeten en zij zorgen, uit schrik voor hun eigen jobke, niet voor een oplossing. Dat maakt me zeer kwaad. Het is bedroevend dat men er nu niet in slaagt de degens op te bergen om constructief aan een oplossing te werken. Integendeel. Maar iemand moet dat wel betalen. Ik las vanmorgen dat 1,4 miljoen jobloze Belgen tussen 25 en 65 jaar geen werk zoeken. Leg dat eens uit.’

We herhalen de vraag: zou politiek iets voor u zijn?

Mottrie: ‘Ik heb al veel op mijn bord met zaken die wereldwijd consequenties hebben. In het verleden bood ik ook al dingen aan. Toen ik Orsi Academy (het trainingscentrum voor robotchirurgie waarvan hij CEO is en dat naast de E40 in Melle ligt, red.) wilde starten, stapte ik eerst naar Aalst. Men wilde het faciliteren, maar niet participeren. Melle wilde dat wel, dus zitten we daar. Ik bepleit al lang een fusie tussen het Onze-Lieve-Vrouwziekenhuis en het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis. Twee grote ziekenhuizen in zo’n klein stadje, dat is een aberratie en niet van deze tijd. Alles is dubbel, terwijl je in plaats van onder de kerktoren te vechten, veel samen zou kunnen doen. Maar vanwege geld - het ene ziekenhuis heeft schulden en het andere niet - kan dat niet. Ook politiek is het een probleem. Het is superkatholiek tegen superloge. Ik ga daar niet op wachten en op een dag probeer ik de twee diensten urologie te fuseren.’

We zijn onze welvaartsstaat aan het opeten, maar de politici zorgen, uit schrik voor hun eigen jobke, niet voor een oplossing. Dat maakt me zeer kwaad.

©Karoly Effenberger

De hemel is dichtgetrokken, de grasrobot keert naar zijn hok, Aalst wordt even overspoeld. Op een tafel verdringen familiefoto’s elkaar, het is een tafeltje nostalgie als surrogaat voor de bubbels. In deze woonkamer ligt maar één boek: een kunstuitgave over Leonardo da Vinci. Op de vensterbank drie beeldjes van Koen Vanmechelens project ‘ComingWorldRememberMe’. Zo zijn we in zijn Ieper. Toen we er in april waren voor de eenzame Last Post tijdens de lockdown praatten we met Benoit Mottrie. Voorzitter van The Last Post Association. Salesmanager van de Opel-familiegarage Bariseau Mottrie Ieper. Zijn broer.

Zijn jeugd speelde zich daar af: Ieper centrum, een grootvader die tijdens de Eerste Wereldoorlog voorzitter van het Rode Kruis was, een jeugd tussen de kerkhoven, oude bunkers als speeltuin. Al die verhalen. ‘We gingen loodjes zoeken in de velden, die we dan probeerden te verkopen. In de bunkers vonden we halve veldflessen en bajonetten van geweren. In de bossen weet ik bunkers liggen die nog niemand ontdekt heeft. Die oorlog heeft me altijd geboeid. Op een avond, ik was een jaar of tien, had het gesneeuwd. Met mijn fiets ben ik naar de Menenpoort gereden en op de twee klaroeners na was ik de enige toeschouwer. Dat kippenvel vergeet ik nooit.’

Maar u koos voor geneeskunde, en niet voor geschiedenis.

Mottrie: ‘Jacques Gruwez, een nonkel, was professor chirurgie in Leuven en als kind al was ik enorm geïnteresseerd in het menselijk lichaam. Het boek ‘Het menselijk lichaam. Hoe, wat en waarom’ heb ik nog altijd. Waarom? Geen idee. Zoals elke rechtgeaarde West-Vlaming ging ik in Leuven studeren, 80 procent van de jongeren deed dat toen. Allicht omdat het katholiek was. Eerst naar de Kulak (toen de naam van de Kortrijkse campus van KU Leuven, red.), dan naar Leuven. (lacht) Dat heeft mijn leven gered. Stel je voor dat ik meteen naar het oord des verderfs in Leuven was gegaan.’

Was het zo erg?

Mottrie: (met een glimlach) ‘Ik heb er vrienden voor het leven aan overgehouden. Boezemvrienden zelfs. Lieven Danneels van Televic. Antoine Van Eeckhout, die stafhouder werd van de balie in Kortrijk en nadien van de gefuseerde West-Vlaamse balie. Met Moeder Kortrijkse zaten we in De Wink, die niet meer bestaat, en In den Boule. Die van Reuzegom zaten daar ook, maar tussen de Antwerpse en de West-Vlaamse clubs boterde het nooit. Wat ik daar nu van lees, is onaanvaardbaar. Natuurlijk doopten wij ook, ik mag daar niet veel over vertellen, maar het respect bleef. En natuurlijk dronken we graag. Ik herinner me een tramcantus in Brussel, waarbij we één wagon als café gebruikten.’

Allemaal onder de neus van nonkel Gruwez.

Mottrie: ‘Hij leeft nog, is 94 nu en was echt een leermeester. Zoals Rudolf Hohenfellner, professor in Mainz, later. Hij heeft me alles geleerd. Dat was nog de oude school met de open snede, van robotchirurgie was nog geen sprake. Dat is pas gekomen door Hugo Vanermen, die een robot gebruikte bij hartchirurgie, en die me vroeg: ‘Alex, teken mee, vroeg of laat ga jij er ook mee werken.’ Dankzij hem heb ik die keuze gemaakt.’

Hoe kwam u in Mainz terecht?

Mottrie: ‘Alles in het leven is toeval, maar je moet ervoor openstaan. Leuven kon, maar men had daar schrik voor mij, omdat ik een neef van Gruwez was. Ik schreef naar verschillende centra in de wereld en kon naar Mainz. Opnieuw toevallig moest ik er op de private afdeling werken, waar je de prof iedere dag ziet en waar ik met mijn ogen kon profiteren. Ik werkte er tot
’s avonds en ’s nachts, ook in het weekend. Normaal zou ik daar een jaar blijven, maar toen zei Hohenfellner: ‘Alex, why don’t you stay one year longer, your pastures will be greener.’ Dat werd vier jaar. Nog een toeval: een 37-jarige dokter met wie ik goed bevriend raakte en met wie ik samen op vakantie naar Ischgl ging, kreeg iets later maagkanker. Toen hij twee jaar later overleed, nam ik zijn plaats in als staflid. Ik wil niet spreken over de een zijn dood die de ander zijn brood is. Het gaat om toeval. Bij Hugo Vanermen, een visionair, terechtkomen was dat ook.’

©Karoly Effenberger

Gingen we niet wandelen? Met rode schoenen, blauwe broek en rozig hemd stapt hij buiten. Kleurrijke man met grijze kop, 56 jaar, aan energie geen gebrek. Het pad begint vanuit zijn doodlopende straat die Negen Dagwand heet. Negen Dagwand. ‘Een oppervlaktemaat uit de middeleeuwen. Die drukt de oppervlakte uit die een werkman met een os kon ploegen in een dag. Dat verschilde: hoe fertieler de grond, hoe dichter het koren groeide, hoe meer tijd nodig was.’ Het pad leidt naar De Faluintjes, waar de pas gevallen regen de wandelaar die zich niet diep genoeg bukt om de overhangende bomentakken te ontwijken een douche geeft. Het is uitkijken voor plassen en leibanden van honden. Mottrie wijst: ‘Is dit wat je van Aalst dacht?’

‘Het was een zwaar jaar geweest. Een tijdlang waren de goden de familie welgezind, ze lachten ons toe. Zouden ze misschien over sommigen van ons waken, zoals goede feeën in sprookjes doen? Maar toen veranderde hun glimlach in een grimas.’

Dit zijn de eerste woorden van ‘Ongebaande paden’, een boek van de Fransman Sylvain Tesson, maar iedereen kan in die zinnen zijn eigen leven in 2020 herkennen. De glimlach die een grimas werd toen de lente eraan kwam. ‘Ook Orsi Academy is door Covid-19 geteisterd. Er werken vijftien mensen, tegen volgend jaar zouden dat er dertig zijn. Maar 95 procent van de mensen die we opleiden, komt uit het buitenland. We konden niets doen. Gelukkig hebben we genoeg cash en, dit is een primeur, vorige week maandag konden we een kapitaalverhoging doorvoeren. De EAU stapt met 3,1 miljoen euro in en wordt voor 25 procent aandeelhouder. Dus we komen hieruit. Maar we hopen dat Covid-19 stilaan genoeg schade aangericht heeft en ik sakker op de virologen.’

Ja?

Mottrie: ‘Men moet enorm oppassen dat men de economie niet om zeep helpt. Dat de beurs weer omhooggaat, begrijp ik niet. Mensen zijn crazy. Wie investeert nu als je weet dat binnenkort zoveel meer mensen werkloos zijn? Kijk naar Brantano, naar restaurants, naar hotels. Ik verwijt de politiek dat ze de virologen een verantwoordelijkheid gegeven hebben omdat ze zelf geen positie durven in te nemen. Die virologen moeten elke dag in het journaal uitleg geven, maar virologen zijn bureaucraten. Die zie je nooit op de vloer.’

Dat de beurs weer omhooggaat, begrijp ik niet. Mensen zijn crazy. Wie investeert nu als je weet dat binnenkort zoveel meer mensen werkloos zijn?

Zegt u dat de maatregelen overdreven zijn?

Mottrie: ‘Hoeveel doden telt ons land? 10.000? Ik twijfel of dat allemaal door corona is. Zeker in de woon-zorgcentra is dat niet altijd het geval. Die 10.000 hadden misschien nog tien jaar levenskwaliteit voor de boeg. Zo is 100.000 jaar levenskwaliteit verloren. Maar zoals de economie nu ineenzakt, riskeert 5 procent van de bevolking onder de armoedegrens te zakken. Dat zijn 500.000 mensen. Men weet dat de levensverwachting met tien jaar daalt, als je onder die grens zakt. Dan spreken we over 5 miljoen jaar verloren levenskwaliteit. 100.000 of 5 miljoen, dat is een groot verschil hé?’

Maar wat nu?

Mottrie: ‘Men beseft de gevolgen die de lockdown heeft gehad niet. Men heeft natuurlijk veel te laat gereageerd. Al die jongeren die uit de bergen kwamen (de skiërs in de krokusvakantie, red.), had men moeten tracen. Maar dan is overgereageerd en dat doet men nu opnieuw. We spreken van een ‘nieuwe piek’ met 500 besmettingen per dag. Maar hoeveel ziekenhuisopnames zijn er? En hoeveel doden? Zeven per dag? Dat heb je met griep ook, hoor. Wat ik bepleit, is gezond verstand. Die mondmaskerplicht is overdreven. In een winkel wil ik nog begrijpen en met duizend man in een winkelstraatje, oké. Maar verder op straat? Dit is een opbod van burgemeesters, gouverneurs en politici. Ik zag vorig weekend de burgemeester van Vleteren. Hij vertelde me dat hij in het bos twee mensen met een mondmasker zag lopen. Hij heeft die mensen gezegd: ‘Doe dat toch af.’’

We spreken van een ‘nieuwe coronapiek’ met 500 besmettingen per dag. Maar hoeveel ziekenhuisopnames zijn er? En hoeveel doden? Zeven per dag? Dat heb je met griep ook hoor.

Viroloog is hij niet, wel dokter, uroloog, chirurg, robotchirurg. Je eerste robot vergeet je nooit: in 2000 vloog Mottrie naar het Egyptische Sharm-el-Sheikh voor een congres over endoscopie, speciaal voor één voordracht. Die van Mani Menon, een uroloog uit Detroit, die als eerste met robots ging werken. Al snel begon Mottrie te testen op lijken. Zelfstudie was dat. Pionierswerk. ‘A fool with a tool is still a fool’, zegt hij. ‘Het is niet omdat je een Stradivarius hebt dat je viool kan spelen.’ Dan ging het snel: waar ze in het begin per jaar 30 patiënten met prostaatproblemen behandelden, zijn dat er nu 400. In 2012 richtte hij met dokter Geert Vandenbroucke Orsi Academy op om mensen op te leiden (‘ik zat altijd maar in het buitenland voor opleidingen, het idee was de mensen naar hier te halen’).

Vandaag is Orsi in zijn woorden ‘ontveld tot een innovatieve bruisende meltingpot’ waar mensen uit de hele wereld opgeleid worden. ‘We werken met twee peteruniversiteiten, Leuven en Gent, zo zijn we nu een soort Vlerick. Een superspecialisatie van de robotchirurgie, een concept dat we willen franchisen in het buitenland. Dat is een milestone: we willen een inclusief platform worden waar wetenschappelijke verenigingen binnen onze structuren hun taak vervullen. In samenwerking met grote bedrijven zoals Intuitive.’ Orsi goes international? ‘Ik zie een enorm potentieel.’ Hij noemt contacten met Modena, China, Brazilië, Australië, Griekenland, Frankrijk, de Verenigde Staten, het Midden-Oosten. ‘Dit overtreft mijn stoutste dromen. We plannen er zelf geen brick and mortar, maar we willen wel onze kennis naar daar overbrengen.’

In uw kast zag ik net een boek over Leonardo da Vinci liggen, naar hem is de robot waarmee u werkt genoemd. Een goede naam?

Mottrie: ‘Wat Leonardo in zijn tijd deed, was ongelooflijk. Hij tekende vliegtuigen, was een krijgsheer en had interesse in het menselijk lichaam. Hij was een genie zoals Einstein dat was.’

Vanop de snelweg zie je voor Orsi Academy een beeld van Jan Fabre. Dat wijst op een hart voor kunst.

Mottrie: ‘Dat is niet van ons, daar hebben we het geld niet voor. We zochten kunst en Guy Pieters (van de galerie in Knokke, red.) belde me: ik mocht niemand anders meer bellen, hij zou ervoor zorgen. (lacht) Het frustreert me wel dat veel mensen aan Guy vragen: wat is dat gebouw achter dat beeld van Fabre? Binnen staat een werk van Wim Delvoye waarop kritiek kwam. Het is een voetbalgoal met daarin een glasraam met Sint-Stefanus. Dat vond men te katholiek. (grijnst) Ik antwoordde maar dat het over de fragiliteit van het geloof gaat. We hebben ook lithografieën van Magritte en onze zalen zijn genoemd naar Belgische grote namen. Naar Adolphe Sax bijvoorbeeld. En Hergé.’

Waarom?

Mottrie: ‘Ik lees sowieso graag strips, een cultuur die wat vergeten raakt. Ik heb thuis alle Kuifjes, maar ook XIII en Largo Winch. De allermooiste strip vind ik ‘Op zoek naar Peter Pan’ (van tekenaar Cosey, red.). Die gaat over het leven en iemand die naar zijn eigen waarheid zoekt. Dat vind ik fantastisch.’

We zijn onze welvaartsstaat aan het opeten, maar de politici zorgen, uit schrik voor hun eigen jobke, niet voor een oplossing. Dat maakt me zeer kwaad.

‘Maar die Belgische grote namen zijn geen toeval. Als ik buitenlandse contacten ontvang, neem ik ze mee naar restaurants waar onze keuken op het menu staat: tutjespap, stoofvlees met frieten en een dame blanche. Die mensen willen niet altijd naar het zoveelste sterrenrestaurant met een wolkje en een schuimpje. Ik neem ze ook graag mee naar Den Babbelaar, een volks café in Aalst, en allemaal nemen ze een Duvel of een Westvleteren als ze die hebben.’

©Karoly Effenberger

Terwijl hij dit zegt, hebben we het bospad verlaten en lopen we op een wegje langs een veld vol prei in de grond. De gids vertelt ons nu al wat we nog zullen zien: een wijngaard, een golfterrein, een domein van de onlangs overleden bingokoning Willy Michiels ‘d’n chipper’ en De Kluizerij, een seminariecentrum in een oud benedictijnerklooster. Waarmee we al in Affligem zijn. Maar hij zit met zijn hoofd weer in Ieper. ‘We waren met vier broers, maar ik was de enige die niet op internaat zat. Dus maakte ik op vrije namiddagen wandelingen met mijn hond en mijn pony. De hond heette Dundee en de pony Pirate. Dat was een shetlander, die ging liggen waar ik in het gras ging liggen, hij at frisco’s en dronk een pint. Een fantastische jeugd was dat.’

Vorig jaar vertelde u in De Tijd dat u altijd met een Opel zult rijden. ‘Anders word ik onterfd’, lachte u. Maar u meent het.

Mottrie: ‘Geen haar op mijn hoofd die eraan denkt ooit met een ander merk te rijden. De auto’s die we bij Orsi kochten, zijn Opels. Allemaal gekocht bij mijn broer Benoit. Waarom zou je het hem niet gunnen? Onze Emmanuel is CEO bij TMC en ook al hun bedrijfswagens komen van bij Benoit. We werken samen. Emmanuel en Mathieu, mijn jongste broer die CEO is bij CREAX, werken met hun bedrijven mee aan projecten van Orsi.’

De legendarische West-Vlaamse familieband. Ook typisch zijn hard werken en ambitie.

Mottrie: ‘We zijn allemaal competitief, ook onder elkaar. Twee broers fietsten ooit de Ventoux op. Natuurlijk was er een sneller, maar boven zei de andere: ‘Ik pak u in de descente.’ (lacht) In de zevende bocht viel hij en hij nam de andere mee in zijn val. Het typeert ons: nog liever doodvallen dan verliezen.’

U fietste niet mee?

Mottrie: ‘Nee, maar ik fiets wel. Tochtjes van een kilometer of 80, met 25 tot 27 kilometer per uur. Op een Eddy Merckx-fiets. (lacht) Met een truitje van Mottrie Opel. Maar ik golf nog liever. Tijdens de lockdown verbeterde mijn golfswing trouwens fel, maar kom, ik heb een handicap van 13. Dat is niet belangrijk. Ik ben er niet voor het golf, het golf is er voor mij. Al 21 jaar organiseren mijn vrouw en ik een competitie die East-West heet. Zes koppels uit West-Vlaanderen tegen zes koppels uit Oost-Vlaanderen. (schatert:) Dat is met het mes tussen de tanden hé. Maar ’s avonds gaan we goed eten. Dan is het met het mes in de handen.’

Drie jaar geleden was hij een van de topdokters in de gelijknamige tv-serie op VIER. Vorig weekend vroeg iemand hem in Oostduinkerke nog om samen op de foto te gaan. Hij verstopt het niet: Alex Mottrie geniet daar wel van. We zijn 16 jaar nadat zijn naam in de verst terug te vinden krant is opgedoken. Op 20 augustus 2004 schreef Het Volk: ‘Stress teistert teelballen’. Mottrie kwam aan het woord. De krant bestaat niet meer, maar hij meer dan ooit, al herinnert hij zich het artikel niet meer. ‘Het klopt wel. Ik vergelijk het met een spastische darm. We leven te gestresseerd en pijn in de teelballen is soms psychosomatisch. Het is mijn taak als arts er te zijn voor mensen. Ook al is er medisch geen probleem, als ze die pijn voelen, moet je daarover met hen praten en dat ernstig nemen.’

Toen vorig jaar de sultan van Oman naar Leuven kwam en een hotel afhuurde, vond u ook dat we daar in België niet al te lacherig moesten over doen.

Mottrie: ‘Respect is heel belangrijk. Het stuit me tegen de borst dat een sjeik of een moslim die bij ons behandeld wordt in een kamer moet liggen waar een kruisbeeld hangt. Dat wil niet zeggen dat wij onze levensstijl moeten aanpassen, maar waarom zou je daar niet aandachtig voor zijn? En wat kun je ertegen hebben dat een sultan een heel hotel afhuurt? Iedereen is gelijk, maar als die man onze gezondheidszorg
- de sociaalste en de toegankelijkste ter wereld - wil gebruiken, waarom zou je hem dan weigeren? Hij zal dat niet voelen om 20.000 euro meer te betalen voor een vipkamer en het levert onze gezondheidszorg die onder druk staat iets extra op.’

Hoe gaat u om met de dood? Als jonge dokter moet u ooit voor het eerst geconfronteerd zijn met de grenzen van de geneeskunde.

Mottrie: ‘Ik heb geleerd dat je het pleit niet altijd wint, maar je geraakt het nooit gewoon. Je vecht samen met je patiënt en je probeert hem te betrekken: waarom opereren, waarom bestralen, waarom chemo? Natuurlijk verlies je mensen en iedereen gaat dood. Soms kun je mensen gewoon niet meer genezen. In het begin vond ik dat nog lastiger. Ik herinner me mijn eerste operaties in Aalst. ’s Nachts denk je dan: ‘Die gaat toch geen nabloeding krijgen?’ Ik heb patiënten wel altijd meteen de waarheid gezegd, al is dat niet voor iedereen gemakkelijk te aanvaarden. Maar je kan niet altijd winnen.’

Wat doet u om tegenslag van u af te zetten?

Mottrie: ‘In mijn schulp kruipen en bij mijn familie zijn. Of ik zet muziek op. Ik ben verstokt aan psychedelische muziek. Pink Floyd. ‘Comfortably Numb’, hé.’

U liet in het begin van de namiddag iets vallen over het geloof, maar kunt u nog geloven als u zo vaak met de dood geconfronteerd wordt?

Mottrie: ‘Ik weet niets, maar het gemakkelijkst is wel te geloven. De dood zien heeft voor mij niets met geloof te maken. Ja, ik ben wetenschapper en ik ben sceptisch. Maar aan iemand die net gestorven is, heb ik nog nooit kunnen vragen of er nog iets is. Dus waarom zou ik niet kunnen geloven?’

Aan iemand die net gestorven is, heb ik nog nooit kunnen vragen of er nog iets is. Dus waarom zou ik niet kunnen geloven?

‘Goede vrienden, kennissen of verre familie opereer ik. Maar eigen familie niet. Dat mag ik volgens de eed van Hippocrates niet doen en dat kan ik ook niet. Mijn ouders, mijn drie broers, mijn kinderen: stel je voor dat dan iets misloopt. Dat gaat niet.’

‘Hier ben ik nog nooit geweest’, zegt hij dan, en zo denken we weer aan Sylvain Tesson en die ongebaande paden. Na Mainz (‘Als stad te mijden’, glimlacht hij, ‘51 weken per jaar niets te beleven, die andere week is er alleen carnaval’) werkte hij ook in Saint-Louis, Missouri. ‘Een vréselijke stad, daar is helemaal niets. Ik ging er ooit een pint drinken in een Irish pub, drie blocks van waar ik woonde. De politie hield me tegen: ‘You better take a cab, it’s too dangerous’, zeiden ze. Voor de gezondheidszorg is Amerika een ramp. Op een ochtend kwam een zwarte man bij me binnen met zijn arm in een handdoek. Hij was gevallen, had die gebroken, maar op de spoedafdeling mochten ze hem alleen wat eerste zorg toedienen. En dan heeft Trump met één pennentrek Obamacare nog tenietgedaan. Onbegrijpelijk.’

Wat is u bijgebleven van al dat reizen?

Mottrie: ‘Op reis ben ik niet zo voor steden en bakstenen. Ik vond niets mooier dan in Botswana ’s morgens met de rangers op pad te gaan om sporen van beesten te zoeken. Ik vind ook dat we allemaal veel meer moeten meebetalen voor het onderhoud van het Amazonewoud. Dat is net zo goed onze long hé. Hoe gaan we het anders aanpakken? We moeten de CO₂-uitstoot met 30 procent verminderen, maar over 30 jaar is de wereldbevolking met 40 procent gestegen. De enige oplossing is geboortebeperking. Dat klinkt misschien egoïstisch, maar ik zie geen andere mogelijkheid.’

We zijn terug in Negen Dagwand. Deze wandeling voorbereidend dachten we aan een citaat uit Johan Harstads prachtige boek ‘Buzz Aldrin, waar ben je gebleven?’ Dat gaat zo: ‘Niet iedereen wil een bedrijf leiden. Niet iedereen wil tot de beste sporters van het land behoren (…). Sommige mensen willen publiek zijn. Sommige mensen willen radertjes zijn. Niet omdat ze dat moeten, maar omdat ze dat willen.’

Hij? Hij schudt het hoofd. ‘Ik ben ambitieus. Ik wil met Orsi de wereld veroveren. Misschien dat dat ertoe leidt dat ik mijn tijd moet herschikken. Minder opereren, meer CEO zijn. Misschien ga ik naar fiftyfifty. Aan ‘Topdokters’ meedoen gaf mijn carrière een ongelooflijke boost. Natuurlijk streelt het je ego en is erkenning fijn, maar het is vooral goed voor Orsi. Ook een artikel in Humo, onder de titel ‘Kameraad Prostaat’, genereerde bekendheid. Wilfried Hendrickx, die dat schreef, schreef ooit ‘De solipsist’. Een boek over een man die gelooft dat hij alleen bestaat. Zelfs jij, die nu naast mij loopt, zou dan niet bestaan. Ik geef het je straks mee.’

De robot heeft het gras gemaaid, de kois krijgen eten en hij vertrekt naar de raad van bestuur van Orsi. De poort draait open en Mottrie rijdt buiten. In een cabrio, de zon schijnt, het dak naar beneden. Jazeker, een Opel.

©Karoly Effenberger

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie