Advertentie

Big Oil past groen jasje, maar kiest nog voor kleine maat

Shell baat sinds 2008 samen met Nuon een windmolenpark voor de Nederlandse kust uit. De oliegroep zegt nu haar groene ambities een nieuw elan te willen geven. ©via REUTERS

De grote Europese olie- en gasbedrijven gaan door een existentiële crisis en springen massaal op de groene trein. Kunnen groene projecten de oude oliereuzen redden of is het een façade?

De jongste weken lopen de fossiele energiereuzen elkaar voor de voeten met nieuwe ‘groene’ ambities. Het Brits-Nederlandse olie- en gasbedrijf Shell kondigde donderdag aan jaarlijks 2 tot 3 miljard euro te investeren in hernieuwbare energie. Tegen 2030 wil de oliereus uitgroeien tot het grootste elektriciteitsbedrijf ter wereld. Dat de oliegigant eind januari de Duitse laadpuntenmaker ubitricity overnam, past mooi in het ultieme doel om in 2050 netto geen CO₂ meer uit te stoten.

Shell is niet alleen. Dinsdag liet het Franse Total weten voortaan door het leven te willen gaan als TotalEnergies. Met de naamsverandering wil het bedrijf de transitie van fossiele brandstoffen naar groene energie in de verf zetten.

Ook de Britse oliemultinational BP deed in oktober zijn toekomstvisie met minder olie uit de doeken. Hij beloofde tegen 2030 5 miljard dollar te investeren om 50 gigawatt aan hernieuwbare energiecapaciteit te bouwen. Het Spaanse Repsol en het Noorse Equinor vervolledigen het lijstje. Ook hun oliebonzen zien de toekomst groen.

Tekenend was ook dat Total en BP maandag een groot deel van de rechten binnenhaalden voor offshore windzones rond Engeland en Wales, waar voor 8 gigawatt aan windmolens komen. Beide oliebedrijven troefden de traditionele hernieuwbare-energiebedrijven af met een bod van 1,2 miljard per jaar, zo’n 80 procent meer dan wat de concurrentie bereid was te betalen voor de concessie.

De oude oliereuzen profileren zich niet voor niets als groene jongens. Achter de nieuwe ambities gaan fundamentele commerciële redenen schuil. De coronapandemie liet de energiemarkt daveren. Doordat er minder vliegtuigen vlogen, minder auto’s rondreden en de industrie in een lagere versnelling draaide, was er minder vraag naar olie en gas en stortten de olieprijzen in.

Zeker de grote Europese oliebonzen hebben begrepen dat het menens is.
Thijs Van de Graaf
Hoogleraar energiepolitiek UGent

Maar er is meer. Enorme hoeveelheden Amerikaans schaliegas overspoelden de markt. Het oliekartel OPEC bleek niet in staat de olieprijzen te beheersen en vier dagen voor de Wereldgezondheidsorganisatie Covid-19 uitriep als een pandemie ontplofte de prijzenoorlog tussen Rusland en Saoedi-Arabië.

Het gevolg was een kelderende olieprijs. Op een bepaald moment moesten handelaren betalen om hun olie nog aan iemand kwijt te raken. Geen wonder dat de jaarcijfers voor 2020 bloedrood kleurden.

Forse ingrepen

De crisis noopte tot forse ingrepen. ExxonMobil voerde kostenbesparingen door en zette een grote ontslagronde op poten. In oktober kondigde het concern aan het wereldwijde personeelsbestand met 15 procent in te krimpen, waardoor ongeveer 14.000 banen verdwijnen. Ook Shell schrapt wereldwijd tot 9.000 banen, ruwweg een tiende van het totale personeelsbestand.

Krachtenbundeling lijkt een andere manier om het hoofd boven water te houden. Het gerucht gaat dat de toplui van de Amerikaanse olie- en gasconcerns Chevron en ExxonMobil vorig jaar gesprekken voerden over een fusie.

Maar de opties drogen uit. De simpele formule van boren, pompen, raffineren en gemakkelijke winsten lijkt voorbij. Zeker nu regeringen massaal engagementen aangaan om koolstofneutraal te worden. En met de Amerikaanse president Joe Biden zitten ook de Verenigde Staten opnieuw op de kar van het klimaatakkoord van Parijs dat de temperatuurstijging tot maximaal 2 graden Celsius wil beperken.

De existentiële crisis is totaal en een rebranding in de vorm van een groen jasje moet het tij keren.

De groene voornemens klinken mooi, al is de vraag hoe gemeend het allemaal is. Rond de eeuwwisseling kwam BP met een soortgelijke iconische rebranding. Maar hun ‘beyond petroleum’-plan verdween in een stoffige bureauschuif zodra de prijs in 2008 weer boven 100 dollar per vat schoot.

Ook moeten de ‘groene’ miljarden van de oliegiganten niet overdreven worden. In Shells nieuwe investeringsplan gaat de grootste hap nog steeds naar fossiele activiteiten. Zo’n 17 miljard euro gaat naar olie, chemie en gas, 2 tot 3 miljard euro naar duurzame energie.

Vorig jaar berekende het Internationaal Energieagentschap (IEA) dat de investeringen van de olie- en gasbedrijven buiten hun kernactiviteiten minder dan 1 procent van hun totale kapitaaluitgaven bedragen. ‘Dat cijfer zegt genoeg’, zegt Thijs Van de Graaf, hoogleraar energiepolitiek aan de UGent. ‘Voor 2019 was het duidelijk window dressing. Er waren ongetwijfeld mensen met goede bedoelingen, maar dat was niet te zien in de cijfers.’ Met andere woorden: een groene druppel in de pikzwarte olie-emmer.

Kantelpunt

Toch ziet Van de Graaf een kantelpunt. ‘In 2020 kwam zoveel samen. Corona, de prijzenoorlog tussen Saoedi-Arabië en Rusland en vooral de cascade van wereldwijde engagementen om koolstofneutraal te worden. Dat waait niet over. Zeker de grote Europese oliebonzen hebben begrepen dat het menens is.’

Ook Hans Van Cleef, energie-econoom bij ABN AMRO, ziet wel degelijk verandering. Volgens Van Cleef is het niet eens zo vreemd dat de investeringen vandaag aan de lage kant zijn. ‘Vergelijk het met Tesla. Dat speelde een onvoorstelbaar grote rol bij de ontwikkeling van elektrische auto’s. Maar wat zie je vandaag vooral door de straten rijden? Elektrische BMW’s. Op de energiemarkt is het niet anders. De oliegiganten wachten even en schakelen dan een versnelling hoger door massaal te investeren in nieuwe technologieën. Niet met een paar miljoenen maar met een paar miljarden.’

Dat klinkt valabel, maar wat als olie- en gasprojecten straks onrendabel blijken, hoe betaal je dan de transformatie?

‘Cashflow is het belangrijkste wat die bedrijven hebben’, zegt Van de Graaf. ‘Beleggers moeten tevreden worden gehouden. Soms gaat dat heel ver. Zo steekt ExxonMobil zich in de schulden om dividenden te kunnen uitbetalen. Dat is eigenlijk te gek voor woorden.’ De angst om uit de gratie te vallen van de belegger is enorm.

Al kunnen de dividenden de dans niet blijven ontspringen. Shell verlaagde voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog het dividend voor de aandeelhouders. Ook BP zag zich daartoe genoodzaakt, de eerste keer sinds de olieramp van de Deepwater Horizon in 2010.

‘Mensen denken soms dat supergrote en onaantastbaar lijkende bedrijven niet onderuit kunnen gaan’, zegt Van de Graaf. ‘Vergelijk het met Kodak. Dat bleef vasthouden aan het oude bedrijfsmodel en stortte ineen. Zeker als er nieuwe spelers op de markt komen, gaat het razendsnel.’

Concurrentie

En die nieuwe spelers zijn er zeker. Alleen al de plannen van het Spaanse windenergieconcern Iberdrola om tegen 2025 ongeveer 88 miljard dollar te besteden aan hernieuwbare energie overschaduwen de gecombineerde geplande investeringen in koolstofarme energie van de grootste Europese oliemaatschappijen in diezelfde periode.

Al wil dat niet zeggen dat de ‘supermajors’ gedoemd zijn om te mislukken. Dat een oliebedrijf in tien jaar kan veranderen in een groen bedrijf bewees het Deense olie- en gasbedrijf Ørsted. In 2009 besloot het zijn olie- en gasactiviteiten in te ruilen voor elektriciteitsproductie en -distributie.

Al zijn er kanttekeningen. Ørsted is een staatsbedrijf en op de beurs is het slechts een dwerg in vergelijking met Shell. Bij een groene omslag liggen de winsten ook een pak lager. Hernieuwbare energie levert doorgaans een rendement op van ongeveer 8 tot 10 procent. Bij een conventioneel olieproject loopt dat al snel op tot in de buurt van 15 procent.

Evenwichtsoefening

Het ziet ernaar uit dat het de Europese oliebedrijven menens is geworden met hun omslag richting groene investeringen. Bij de ontwikkeling van windparken op zee, zonneparken en elektrische mobiliteit trekken ze een belangrijk deel van de markt naar zich toe.

Of dat volstaat om de komende decennia de tanker te keren, moet nog blijken. Ten opzichte van de fossiele investeringen blijft het geld dat naar groene projecten gaat nog altijd een peulschil.

Oliebedrijven worden hoe dan ook met een moeilijk dilemma geconfronteerd. Ze moeten voldoende investeren in groene energie om de boot niet te missen, maar ze kunnen het zich niet permitteren de geldkraan naar de aandeelhouders dicht te draaien.

Dat was ook de olifant in de kamer na de aankondiging van Shell donderdag. Het wil meer inzetten op CO₂-opslag, biobrandstoffen en de vervanging van aardgas door waterstof, maar daar hangt een stevig prijskaartje aan vast.

‘Hun plan is zeker een transformatie’, zei David Elmes, het hoofd van het wereldwijde energieonderzoeksnetwerk van de Warwick Business School, ‘maar de vraag is of ze dat kunnen betalen.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie