Murakami doet een Murakamitje

©rv

In de verhalenbundel ‘Eerste persoon enkelvoud’ graaft de Japanse schrijver Haruki Murakami in zijn eigen leven. Daarin duikt Charlie Parker op. En ‘de lelijkste vrouw ter wereld’.

Voor Haruki Murakami zijn kortverhalen net zo belangrijk als vuistdikke romans. De kwaliteit en de intensiteit zijn dezelfde, alleen de lengte verschilt. Op zijn best haalt de Japanner werkelijkheid en fantasie zo door elkaar dat een uniek magisch-realistisch universum ontstaat. Als een zachte balsem voegt hij daar meestal wat melancholie aan toe, waardoor in die onmogelijke wereld toch veel herkenbaarheid schuilt. Het is die mix die hem wereldwijd zo populair maakt.

In ‘Eerste persoon enkelvoud’ lijkt Murakami op twee gedachten te hinken. Zoals de titel enigszins aangeeft, graaft hij dit keer in zichzelf. Alsof hij de behoefte voelt een terugblik op zijn leven te delen. Tegelijk werpt hij de lezer af en toe een surrealistisch of filosofisch been toe, om te tonen dat hij het nog kan. Natuurlijk kan hij het nog, al zijn twee van de acht verhalen in ‘Eerste persoon enkelvoud’ ongewoon banaal en maniëristisch. Murakami doet een Murakamitje. Zoiets.

De bundel telt ook pareltjes. ‘Charlie Parker plays bossanova’ is een heerlijke vertelling over een droomontmoeting tussen de schrijver en de jazzsaxofonist. Realiteit en fictie gaan naadloos in elkaar over. Als student schreef Murakami een recensie over een ingebeelde bossanovaplaat van Charlie ‘Bird’ Parker. Alsof die bossanova zou spelen. De recensie werd niettemin echt afgedrukt in een muziekblad, zo geloofwaardig was ze.

Murakami gedraagt zich in zijn eigen boek als een wat eenzame figuur die het leven stoïcijns neemt zoals het komt.

Tot zover de realiteit. Jaren later ontmoet Murakami Parker in zijn droom. De saxofonist bedankt hem voor de plaat. ‘Je hebt me bossanova laten spelen. Er is niets waar ik blijer van word.’ Waarna een hilarisch gesprek volgt over Beethoven en de dood. Je voelt aan elk woord met hoeveel plezier dit verhaal is bedacht. Ooit runde Murakami een jazzclub.

Nooit afgerond

Muziek speelt ook de hoofdrol in ‘Carnaval’, over de relatie tussen Murakami en een melomane. ‘Ze was de lelijkste vrouw die ik ooit had ontmoet’, schrijft hij plompverloren in de eerste zin. De twee leerden elkaar toevallig kennen tijdens een concert en bleken elkaars liefde voor het pianowerk ‘Carnaval’ van Robert Schumann te delen.

Het verhaal ontvouwt zich als een bespiegeling over schoonheid en lelijkheid, tot het een vreemde twist krijgt. De melomane en haar echtgenoot, die verder in het verhaal afwezig was, blijken oplichters en worden in de gevangenis gestopt. Vintage Murakami. Je voelt het helemaal niet aankomen. De schrijver ook niet. Het verhaal stopt abrupt. Het gebeurt vaker in de bundel. Murakami spot zo met de regels van het literaire genre. Het leven is ook nooit afgerond, lijkt hij te suggereren.

Murakami - of zijn alter ego, want je weet nooit helemaal zeker of de autobiografische elementen toch niet helemaal of deels verzonnen zijn - gedraagt zich in zijn eigen boek als een wat eenzame figuur die het leven stoïcijns neemt zoals het komt. De bundel verhaalt over identiteit en introspectie. In de achtste vertelling, het titelverhaal, komen veel losse eindjes samen, wat de andere verhalen in perspectief zet. Wie is wie? Wat betekent zichzelf zijn precies?

Murakami draagt een pak dat hij ooit kocht maar eigenlijk niet wil aantrekken, omdat het hem maakt tot iemand die hij niet is. Het wordt er niet beter op als hij in een bar wordt aangesproken door een vrouw die hij niet kent. Maar zij kent hem wel. ‘Ik ben een vriend van een vriendin’, zegt ze. En ze beschuldigt hem van vreselijke dingen, drie jaar geleden aan de waterkant. Murakami weet niet waarover ze het heeft en vlucht weg. Van haar. Of van hem. Of van zichzelf. ‘Op straat lag een enkelhoge laag as, geen van de mannen en vrouwen die er liepen had een gezicht en diep uit hun keel kwam gele, zwavelige adem.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie