'Schilders kunnen niet meer origineel zijn'

©Tim Van Laere Gallery, Antwerp.

Adrian Ghenie kopieerde als kind beroemde schilderijen om wat zakgeld te verdienen. Nu is de Roemeen een van de belangrijkste hedendaagse kunstenaars. Bij Tim Van Laere Gallery toont hij zijn nieuwe collectie schilderijen. Met dank aan de Vlaamse oude meesters.

Stel je Roemenië voor ergens in de jaren 80. Het stadje Sibiu, ooit de hoofdstad van Transsylvanië. De toeristische trekpleister is het Nationaal Brukenthalmuseum, ondergebracht in een paleis dat baron Samuel von Brukenthal, de Habsburgse gouverneur aan het eind van de 18de eeuw, liet optrekken.

‘Sibiu heeft een middeleeuws karakter, te vergelijken met Brugge. Met de familie bezochten we het vaak. In de cafetaria van het paleis stopten we om een ijsje te eten. De familie bleef daar zitten, ik niet. Ik ging naar het museum. Daar ontdekte ik een fantastische collectie Vlaamse meesters. ‘De man met de blauwe kaproen’ van Jan van Eyck. ‘De kindermoord van Bethlehem’ van Pieter Bruegel de oude. Een paar schilderijen van Rubens. In Sibiu is mijn liefde en bewondering voor de Vlaamse schilderkunst ontstaan.’

De adoratie is nooit meer weggegaan bij de Roemeense schilder Adrian Ghenie (43). Hij neemt ons mee naar de laatste zaal in de galerij van Tim Van Laere. Hij wijst naar twee imposante schilderijen. ‘Dit noem ik mijn Rubens-muur’. Je moet het niet al te letterlijk nemen, het gaat om het barokke gevoel dat de schilderijen oproepen. Ze zijn geïnspireerd op jachttaferelen van de Vlaamse barokschilder Paul De Vos. Hij zoekt op zijn smartphone een van de originele schilderijen. ‘Zie je de beweging? Die wil ik in mijn doeken ook overbrengen.’

Je kan als schilder vandaag niet anders dan collages maken van bestaande stijlen. Een nieuwe stijl zal niet meer worden uitgevonden. Daar ben ik van overtuigd.

Ghenie doet dat op een volstrekt eigen manier. Zijn schilderijen zijn opgebouwd uit collages van verschillende vormen en figuren. Het resultaat is een verbluffende esthetiek met een explosie van kleuren en vormen die hun geheimen nooit helemaal prijsgeven. Je zoekt naar de onderliggende verbanden tussen alle elementen. Maar het is geen quiz die hengelt naar het juiste antwoord.

‘Mijn doel is niet dat je ontdekt wat ik bedoel, welke betekenis ik erin leg. Dat is volstrekt onbelangrijk. Ik wil bij de kijker een kettingreactie op gang brengen die ertoe leidt dat hij zich het schilderij eigen maakt. Als je bent uitgekeken, is het niet meer mijn schilderij maar dat van jou.’

Hij geeft wel aanwijzingen mee. Er zijn veel raakvlakken met de kunst- en de wereldgeschiedenis. In ‘Medusa’ verwerkt hij Hitlers hond en Eva Braun op het buitenverblijf van de dictator in Berchtesgaden. ‘Untitled (After Henri Rousseau)’ is dan weer een interpretatie van een schilderij van de 19de-eeuwse Franse kunstenaar. Ghenie toont op zijn smartphone opnieuw het origineel (een jungletafereel met een vechtend luipaard) en een eerdere interpretatie. Het nieuwe schilderij maakt de afstand met het origineel nog groter. De abstractie haalt de bovenhand. ‘Dat klopt. Mijn schilderijen evolueren steeds verder naar de abstractie. In het begin van mijn loopbaan domineerde de figuratie.’

9 miljoen
Vier jaar geleden werd ‘Nickelodeon’ van Adrian Ghenie voor 9 miljoen euro geveild bij Christie’s. Ter vergelijking: de duurst geveilde Michaël Borremans bracht 2,2 miljoen op.

Zakgeld

Die carrière begon al heel vroeg. Als prille tiener schilderde hij op vraag van buren en familie bekende schilderijen na. Het leverde hem wat zakgeld op. Jaren later vinden zijn schilderijen de weg naar grote musea voor hedendaagse kunst, inclusief het M UHKA en het S.M.A.K. Ook Tate Modern, het Centre Pompidou en een rist Amerikaanse musea bezitten schilderijen van Ghenie. Het is de maatstaf waaraan je het succes van een hedendaagse kunstenaar afmeet. In 2015 vertegenwoordigde hij Roemenië op de Biënnale van Venetië. Vorig jaar toonde hij in de Dogenstad met veel succes nieuw werk in Palazzo Cini.

De kunstmarkt volgt. Drie weken geleden werd zijn schilderij ‘Lidless Eye’ bij Sotheby’s in Hongkong afgehamerd op 6,5 miljoen euro. Het is geen record. Vier jaar geleden bracht ‘Nickelodeon’ op een veiling bij Christie’s 9 miljoen euro op. Voor een nog levende kunstenaar is dat veel, tenzij voor supersterren als Jeff Koons of David Hockney. Ter vergelijking: de duurst geveilde Michaël Borremans bracht 2,2 miljoen euro op, de duurste Tuymans 1,7 miljoen.

De veiling van ‘Nickelodeon’ baarde enig opzien. De Franse verzamelaar François Pinault, de eigenaar van Christie’s, had het in 2009 gekocht voor minder dan 100.000 pond bij de Londense galerie Haunch of Venison. Die was ook eigendom van Christie’s toen. De waarde van ‘Nickelodeon’ was voor de veiling geschat op ongeveer 1,2 miljoen euro. Het werk bracht vijf keer zoveel op.

Ghenie maalt niet om de strapatsen van de kunstmarkt, zegt hij. Tim Van Laere nuanceert enigszins. ‘Hij heeft eraan moeten wennen.’ Ghenie zei het zo: ‘Ik kan niet wakker liggen van de kunstmarkt. Ik heb daar geen enkele greep op. Ik vind het ook ongepast om te klagen over het succes. Duizenden kunstenaars zouden in mijn schoenen willen staan. Ik vind het niet erg dat mensen geld verdienen met mijn schilderijen, zo werkt de markt nu eenmaal. Als ik daar niet tegen kan, moet ik niets verkopen en alles bijhouden. Je kan de kunstmarkt beschouwen als een realitycheck. Hoe overleef je die jungle? Soms lijkt het op Russische roulette.’

Battlefield

Bij Tim Van Laere Gallery loopt zijn vijfde Antwerpse solotentoonstelling met negen schilderijen en drie tekeningen. Ze zijn allemaal verkocht. De wachtlijst voor nieuwe Ghenies is lang. De prijzen schommelden tussen 350.000 euro voor de kleine en 1,6 miljoen euro voor de grootste schilderijen.

De samenwerking tussen Ghenie en Van Laere gaat ver terug. ‘Hij stuurde me een mail’, zegt de kunstenaar. Van Laere corrigeert hem. ‘Nee, Adrian. Ik heb je gebeld, in 2007. Ik wilde naar Cluj komen om je te ontmoeten.’ (tegen ons) ‘Ik had in 2007 een klein werk van hem gezien. Ik vond het bijzonder en heel eigen voor zo’n jonge kunstenaar. Daarom wilde ik hem spreken.’

(tegen Adrian) ‘Je zei: ik ben niet in Cluj, ik ben op de Biënnale van Praag.’ Ghenie knikt. ‘Ik heb toen het eerste vliegtuig genomen. In een café in Praag hebben we vijf uur met elkaar gepraat. Hij had het toen al over Antwerpen. ‘Antwerp is the battlefield for painting, waar alles begonnen is’, zei hij. Tijdens dat lange gesprek zijn de plannen voor de eerste show in de galerij gesmeed’, legt Van Laere uit.

De samenwerking gaat twaalf jaar later nog altijd voort. ‘Je komt het verst met loyauteit. Als mensen nu met me willen samenwerken, ligt het succes aan de basis. Je weet dat het om geld draait. In het begin was er geen geld. Wie toen met me wilde werken, deed dat door het geloof in mij en mijn kunst. Ik heb nooit een contract getekend. Met niemand. Er staat niks op papier. Dat hoeft voor mij niet. Ik vertrouw mijn galeristen’, vertelt de kunstenaar.

Schilderen is niets anders dan trial-and-error. Dag in dag uit. Het is een lang en moeizaam proces waarbij iets lange tijd slecht is.

Ghenie werkt wereldwijd met verschillende galeries. Er is geen onderlinge concurrentie. ‘Het werk van Adrian moet overal getoond worden. Als hij mij een nieuwe show belooft, komt die ook. Dat is het belangrijkste. Hij is een man van zijn woord’, duidt Van Laere.

Twee jaar na zijn eerste show bij Van Laere was het S.M.A.K in Gent het eerste museum ter wereld dat een solotentoonstelling met Ghenie organiseerde. Directeur Philippe Van Cauteren geloofde in 2010 al in de kunstenaar. ‘Wat ik vandaag in hem zie, was toen al in de kiem aanwezig. De kern is dat hij de kunstgeschiedenis en de recente politieke geschiedenis als essentiële lagen in zijn werk assembleert tot composities die figuratie en abstractie in elkaar laten verglijden. Een schilderij van een fictief doodsbed van Marcel Duchamp, de kunstenaar die de schilderkunst dood verklaard heeft, is een goed voorbeeld van zijn vernuftige schilderkunstige eloquentie’, laat hij weten.

We verhuizen van de tentoonstellingszalen van de galerie naar een vergaderzaal boven. Ghenie heeft de schilderkunst nooit dood verklaard. Maar hij is er wel van overtuigd dat alles al gezegd en gedaan is. ‘Je kan niet meer origineel zijn. Dat is het verschil met cinema. Niemand weet hoe film over 2000 jaar gemaakt wordt. Ik weet wel hoe over 2000 jaar wordt geschilderd: zoals nu en in het verleden. Aan het begin van de 20ste eeuw is met het modernisme de allesomvattende revolutie gebeurd. Zo’n revolutie komt maar één keer voor.’

‘Alle stijlen zijn in een rotvaart gepasseerd, te beginnen met het impressionisme. De rest is gevolgd. Kubisme, surrealisme, dadaïsme, expressionisme, fauvisme, abstractie. Je kan als schilder vandaag niet anders dan collages maken van bestaande stijlen. Een nieuwe stijl wordt niet meer uitgevonden. Daar ben ik van overtuigd.’

Na een jaar had ik al door dat ik niet in de wieg was gelegd om een galerie te runnen. Ik ben dan maar opnieuw beginnen te schilderen.

Voor Ghenie heeft de 21ste-eeuwse schilderkunst niet aan waarde ingeboet omdat ze niet anders kan dan terugvallen op het verleden. ‘Dat heeft er niets mee te maken. De essentiële vraag is: waarom willen mensen nog altijd zo graag naar schilderijen kijken? Er zijn zoveel andere moderne middelen om een beeld weer te geven. Het antwoord is: een schilderij confronteert de mens met zijn eigen fragiliteit en kwetsbaarheid. Ik spreek puur over het gebruik van het materiaal, hoe de verf op het canvas wordt aangebracht. Daar zit imperfectie in.’

Ghenie wijst naar een dikke horizontale groene verfstreep op het schilderij ‘Wolfmask’ van Tall R dat achter hem aan de muur hangt. ‘Je ziet de strepen, de punten. De schilder heeft daarmee geworsteld. Die imperfectie raakt de kijker, los van het onderwerp. Een schilderij zet op die manier aan tot nadenken. Tot contemplatie. Dat is de essentie van een schilderij.’

Hij trommelt met zijn vingers op de glazen tafel waaraan we zitten. Hij wijst naar de afbeelding van de Oostenrijkse kunstenaar Franz West die onder het glas ligt. ‘Die is interessant door de cracks die je ziet. Weer die imperfectie. Ik vergelijk de kwetsbaarheid van een schilderij graag met een date. Als iemand voortdurend perfect lijkt te zijn, word je bang of zelfs verveeld. De afstand tussen de perfectie en jezelf is onoverbrugbaar. Dat geldt ook voor schilderijen. Ze worden pas interessant als ze imperfect en dus kwetsbaar zijn.’ We vragen of hij altijd al zo filosofisch over schilderen heeft nagedacht. Hij schudt het hoofd. ‘In het begin schilder je gewoon. Het denken komt veel later.’

Hooimijt

Ghenie glimlacht even als we het woord inspiratie laten vallen. ‘Alleen niet-kunstenaars praten over inspiratie. Het bestaat niet. Alsof ik een ingeving krijg, naar mijn studio ga en twee uur later een schilderij klaar heb. Schilderen is niets anders dan trial-and-error. Dag in dag uit. Het is een lang en moeizaam proces waarbij iets lange tijd slecht is. Pas als je stopt, is het slechte goed geworden. Anders zou je niet stoppen. Nee, ik vraag nooit aan iemand raad. Zo werk ik niet. Soms stop ik voor een paar weken als ik met een schilderij vastzit. Daarna neem ik de draad weer op.’

Hij komt terug op zijn evolutie naar steeds abstractere vormen. ‘In het begin schilder je figuratief omdat het een eenvoudige manier is om met je publiek, dat jou niet kent, te communiceren. Maar na een tijd is dat niet meer nodig. In mijn optiek is wat je schildert helemaal niet van belang. Het gaat om hoe je schildert. Kijk naar de impressionisten. Claude Monet schilderde meer dan 70 keer een hooimijt. Na 30 keer zou je kunnen zeggen: dude, we weten het nu wel met je hooimijten. Maar dan mis je de essentie. Monet wil die hooimijten telkens op een andere manier weergeven, in steeds andere combinaties. Daar gaat het om, niet om het hooi. In het oeuvre van Mark Rothko zie je dat ook. Hetzelfde maar telkens anders. ’

El Greco

Ghenie is doordrongen van de kunstgeschiedenis. Met lede ogen ziet hij hoe jonge kunstenaars die verloochenen of zelfs niet meer kennen. ‘Nieuw is goed, oud is slecht. Dat is het mantra. Het is echt onzin. Als hedendaagse schilder moet je de oplossingen die al eeuwen bestaan net omarmen en toepassen. In de geneeskunde en de scheikunde gebeurt dat ook. Daar wordt ook niet alles iedere dag opnieuw uitgevonden. In de schilderkunst mag je stelen. Iedereen doet het. Picasso, toch de grote vernieuwer, greep terug naar El Greco. Hij zag die niet als een ouderwetse 16de-eeuwse schilder. Hij zag die als een probleemoplosser voor schildertechnische issues.’

In zijn zelfportretten grijpt Ghenie misschien het duidelijkst terug naar het verleden. In de nieuwe reeks is er ‘Self-Portrait with Piccassoesque background.’ In het verleden ‘Self-Portrait as Charles Darwin’ of ‘Self-Portrait as Vincent van Gogh’ of als Elvis Presley (zijn vader was een Elvis-imitator). ‘Het gaat niet om mezelf. Maar het is wel gemakkelijk dat ik mezelf altijd bij de hand heb. (lachje). In de zelfportretten onderzoek ik hoe je na 2000 jaar schilderkunst de menselijke figuur nog kunt weergeven. Het woordje ‘as’ in de titel is veel belangrijker dan ‘Self-portrait’. Het gaat om de relatie met de anderen.’

Op de show in Venetië in 2019 waren drie portretten van Donald Trump te zien. Maar dat was geen politiek statement. En eigenlijk waren het ook geen portretten, zegt Ghenie. ‘Ik gebruikte de contouren van zijn hoofd als een picturaal vehikel. Iedereen kent dat ondertussen. Het is uitgegroeid tot een archetype. In dat vehikel schilderde ik mijn verhaal. Andy Warhol deed dat ook. Je neemt als startpunt iets dat al bekend is en dan ga je daarmee aan de slag.’

‘Er zijn wel meer voorbeelden van archetypes in de recente geschiedenis. Een cirkel met een snorretje? Adolf Hitler. Een cirkel met een snorretje en een bolhoed? Charlie Chaplin. Dat zijn iconen geworden. Ook in de portretkunst draait het om hoe je schildert en niet wie. Caravaggio en Velazquez hebben best wat pausen geschilderd. Wie kent nog de geschiedenis van die figuren? Niemand. Je kijkt alleen maar naar de manier waarop die mensen zijn afgebeeld.’

Wanhopig

We vragen hem met welke grote kunstenaar uit het verleden hij graag over schilderkunst zou praten. ‘Oh, daar heb ik nog nooit over nagedacht. Ik had misschien wel graag het begin van de 20ste eeuw meegemaakt, met al die artistieke revoluties. De romantiek was ook interessant. Eugène Delacroix en zo. De 19de eeuw, toen nog zoveel te ontdekken viel. Dat lijkt me een opwindende periode. Waar staken rijke Britten en Amerikanen toen hun geld in? In ontdekkingsreizen en archeologische expedities. De wereld zat toen nog vol mysteries. Elke verre reis droeg iets exotisch in zich. Lees de boeken van Jules Verne, dat bedoel ik. Vandaag zijn we de mysteries kwijt.’

Ghenie haast zich erbij te zeggen dat hij best blij is met de tijd waarin hij leeft. Zonder de Roemeense revolutie van 1989 was hij allicht geen bekende schilder geworden. In 2001 studeerde hij af aan de Kunst en Design Universiteit van Cluj. Hij vertrok daarna naar Wenen, op zoek naar een betere toekomst. ‘Ik was zoals zoveel Roemenen toen. Wanhopig. Het leven was echt niet gemakkelijk. Maar in Wenen vond ik mijn draai ook niet. Ik stopte met schilderen omdat ik daar besefte dat ik niets afwist van de moderne en hedendaagse schilderkunst.’

‘Voor Roemenië in 2005 lid werd van de Europese Unie konden we niet zomaar reizen. Baselitz, Kiefer, Richter, Bacon, Rothko, ik had nooit iets van hen gezien. Tot ik in Wenen was. Het sleutelmoment was de expo ‘Lieber Maler, male mir’ in 2002 in de Kunsthalle in het MuseumQuartier. Dat was een geweldige tentoonstelling over hedendaagse kunst. Ik herinner me de poster in de straten met werk van Martin Kippenberger. Toen ik die expo had gezien, begon ik inzicht te krijgen in de moderne schilderkunst. Ik ben nog tot 2005 in Wenen gebleven. Daarna keerde ik terug naar Roemenië. Ik opende er met een paar vrienden de galerij Plan B. Maar na een jaar had ik al door dat ik niet in de wieg was gelegd om een galerie te runnen. Ik ben dan maar opnieuw beginnen te schilderen. Mijn tubes verf lagen er toch nog. Twee jaar later zat ik met Tim in Praag koffie te drinken.’

De expo van Adrian Ghenie loopt tot 28 november bij Tim Van Laere Gallery in Antwerpen. Mondmasker verplicht, er mogen 40 mensen tegelijk binnen.

Adrian Ghenie (43)

Adrian Ghenie werd geboren in 1977 in Baia Mare in Roemenië. Hij studeerde in 2001 af aan de Kunst en Design Universiteit van Cluj. Daarna verhuisde hij naar Wenen.
In 2005 keerde hij terug naar Roemenië, waar hij met enkele vrienden de galerie Plan B oprichtte. Na een jaar trok hij zich terug en begon te schilderen.
Hij werd internationaal opgepikt op de Biënnale van Praag in 2007. Een jaar later hield hij zijn eerste solotentoonstelling bij Tim Van Laere.
Zijn werk hangt in grote musea als Tate Modern in Londen, de Hermitage in Sint-Petersburg, het Centre Pompidou in Parijs en het Metropolitan Museum in New York. Ook het M UHKA en het S.M.AK. bezitten werk.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud