interview

Stephan Vanfleteren | 'Hoe meer je weet, hoe minder je weet'

©Diego Franssens

‘Elk portret is een zelfportret’, zei een fotograaf ooit. En zo is ‘Present’, het nieuwe boek van Stephan Vanfleteren, misschien wel een autobiografie. In foto’s en in woorden. ‘Maar op het einde sneuvelen we allemaal.’

Voor hij de blauwe parkeerschijf op het dashboard van zijn auto juist draait, kijkt Stephan Vanfleteren (50) even naar de klok op de kerktoren van Veurne. Dat is een detail, een uit het gewone leven geknipte miniseconde, een nooit herinnerd vleugje tijd. Maar ook dit heeft een verhaal. Op bladzijde 69 van ‘Present’ schrijft de fotograaf over een overval door straatkinderen in Nairobi: ‘De Nikon rond mijn hals laat hen vreemd genoeg koud, maar mijn geld, betaalkaarten, paspoort en mijn gloednieuw polshorloge ben ik in twee seconden kwijt.’

Nadien droeg de fotograaf nooit meer een horloge rond zijn pols, maar de tijd bleef hem dierbaar. ‘Ik ben aanwezig’, heeft hij iets eerder verteld, terwijl we in de kelder van zijn huis praatten over de mogelijke vertalingen van ‘Present’. ‘Ik heb goesting, werkkracht en geluk, dat ontken ik niet. Maar het begint elke dag met hetzelfde. Je komt uit je zetel of je stapt uit je bed. Als je dat niet doet, gebeurt er niets. Het is ontzettend vervelend dat de wekker om 4 uur gaat. Maar eens op je plaats, ver weg van alles, is dat vergeten. Ik zou het heel lastig vinden om te denken: ‘Was ik hier maar een uur vroeger geweest.’’

Ik zou het heel lastig vinden om te denken: ‘Was ik hier maar een uur vroeger geweest.’

Enkele dagen voor de opening in het Antwerpse Fotomuseum van zijn overzichtstentoonstelling die bij het boek ‘Present’ hoort, lopen we in zijn atelier tussen dozen, boeken, brieven, herinneringen die u straks tegen muren of in kasten in het FOMU kunt zien. Een gitaarkist met daarin het Elvis-pak waarmee hij met de Zwitserse fotograaf Robert Hubert door Amerika trok. Een boek met zijn foto’s op de cover of van de auteur op de achterflap: Hugo Claus, Paolo Cognetti, A.F.Th. van der Heijden en een cd van Roland Van Campenhout. Soms gewoon werkspullen: ‘Zelfontspanner’ lees je op iets dat in bubbelplastic is verpakt en dat zal er wel in zitten. ‘Kauw & Pimpelmees geraamte’ op een doos - die fotografeerde hij enkele jaren geleden.

Meer goud ligt op een tafel. Het zijn brieven, briefjes, luchtpostomslagen, een eerste stuk dat hij zelf schreef over New York, nota’s, van jaren geleden. ‘Schatje, ik ben terug (terras, zwembad...)’, aan Natacha, zijn geliefde, al meer dan dertig jaar. De print van een mail van haar op papier van Médecins sans frontières, de datum is 17 oktober 2000. ‘Hallo Stephan, liefste papa. (...) Kan je iets doen daar in Peshuar? Moet ik iets opzoeken? (...) Zamiel hoest en ik heb keelpijn, maar we overleven het wel! Denk maar niet te veel aan ons, wij gaan wel aan jou denken.’

Gewone dingen en kijk nu. Op een fotootje dat iemand hem toestuurde, zie je twee oudere mensen in ‘Belgicum’ kijken. Dat is zijn boek uit 2007 en we kennen die twee mensen allemaal, alleen hérkennen we ze niet. ‘Op de opening van de tentoonstelling van ‘Belgicum’ kwam een vrouw op me af. Ze had het boek open en vroeg me het daar te signeren, bij de foto van een koppel dat ik in 2000 fotografeerde op het terras van de basiliek van Koekelberg. Waarom? ‘Dit zijn mijn ouders’, zei ze. ‘Ze hebben de foto nooit gezien, ik wil hen met het boek verrassen.’ Later kreeg ik een briefje van die mensen en de foto, waarop ze in het boek kijken, is gemaakt op het moment dat ze zichzelf ontdekken. Ze schreven: ‘In Koekelberg toonden wij u de achterkant. Deugdelijk opgevoed als we zijn, sluiten we dan graag tegelijk de voorkant bij in. Hartelijk gegroet, opa René en oma Corrie.’

©Diego Franssens

Zij zullen het niet meer zien in het FOMU, René en Corrie zijn intussen gestorven. Maar de foto en het verhaal haalden ‘Present’, een boek van 496 bladzijden waarin meer dan 500 foto’s staan en ook ruim 80 bladzijden tekst. En waar we nu zitten, in zijn kelder, omringd met duizenden en duizenden kleine fotootjes, zien we wat 33 jaar fotograferen en wereldreizen betekenen.

Nog even over Koekelberg. De rok van Corrie waaide op door de wind, en ergens schrijft Vanfleteren: ‘Wind is onzichtbaar en daardoor het mooiste om te fotograferen.’ De fotograaf werd ook schrijver en dat gebeurde in deze kamer. ‘Toen ik de oudste map die ik kon vinden opende en begon te kijken, kwamen vanzelf ingevingen, gedachten en inzichten’, zegt hij. ‘En instant tikte ik op mijn klavier. In een kwestie van seconden. Ik ben blijven kijken en blijven schrijven, de hele tijd. De afstand was heel klein. Dat merk ik ook als ik ga wandelen: dan tik ik een woord en een paar zinnen op mijn iPhone. Zo kan ik veel bijhouden van wat in mijn hoofd spookt.’

U sloot zich hier maanden op tussen oude negatieven en digitale bestanden, schrijft u.
Stephan Vanfleteren: ‘Ik deed maar een paar opdrachten. Voor het blad van Welzijnszorg, waarvoor ik al twintig jaar elk kwartaal een portretje maak, ging ik Guido Belcanto fotograferen. Ik heb wat dode dieren gefotografeerd. Warren Ellis (muzikant bij onder meer Nick Cave, red.) en Delphine Lecompte zijn recent. En ik maakte wat portretten van auteurs van De Bezige Bij. (enthousiast) Zo fantastisch, nog eens naar Amsterdam en al die afslagen met prachtige namen als Hank en Dussen, Ulvenhout en Noordeloos te herkennen. Maar verder schreef ik. (lacht) Wat een ellendig vak toch. Ik heb nu nog meer bewondering voor al die schrijvers die sadomasochistisch binnenzitten.’

Maar u vond het nodig die woorden zelf te schrijven.
Vanfleteren: ‘Je zou kunnen zeggen dat het een commercieel dwaas idee was, ik ken wel schrijvers aan wie ik het kon vragen. Het kostte me maanden. Terwijl mijn gezin op vakantie ging naar Rome, waar ik nog maar één keer twee dagen was, en zij naar de Via Appia en naar Caravaggio en Bernini gingen kijken, zat ik hier in de kelder een pistolet met gekapt te eten. De uitzondering zou een weekje skiën in Tignes zijn, maar net ervoor viel ik met een doos van de zoldertrap en skiën kon ik amper. Ik nam de skilift wel en zat daar op mijn laptop te schrijven. Maar ik wilde dit zelf doen. In het begin was dat tijdrovend, maar vaak was het geestig, nieuw, confronterend, verrassend, verwarrend ook, en heel relativerend.’

Hoezo?
Vanfleteren: ‘Je beseft dat mensen die ooit een tijd heel belangrijk waren dat soms niet meer zijn. Een professor, een acteur, een schrijver. Het gebeurt dat ik hun naam niet meer kende, terwijl ik ze dus had gefotografeerd voor een groot interview in De Morgen. Een toen veelbelovende theaterregisseur kwam ik in mijn archieven tegen. Ik heb er nooit meer van gehoord. Zit hij in het buitenland, is hij gestopt, pleegde hij zelfmoord?’

Als fotograaf cijfer je jezelf weg en kijk je naar de wereld. Maar je doet wel aan introspectie.

Uw boek begint met twee zelfportretten. Op het eerste zie je alleen uw arm die uit de zee steekt, een foto uit 2003. De volgende is een compositie van negen foto’s van dit jaar, waar u wel voluit in beeld bent, maar door de sneeuw zachtjes vervaagt. Wat zeggen die twee beelden van uzelf?
Vanfleteren: ‘Op een foto uit 1988 zie je ook mijn voeten in de laadbak van een auto terwijl ik door Schotland word meegevoerd. En op nog een andere zie je mijn schaduw op het behangpapier. Ik was als persoon wellicht introverter en je vraagt je constant af: wie ben je eigenlijk? Ben je niet een schim van jezelf? (glimlacht) Daar hebben al veel filosofen hun tanden op stukgebeten. Als fotograaf cijfer je jezelf weg en kijk je naar de wereld. Maar je doet wel aan introspectie. Die foto’s zijn daarom typerend voor mijn werk. In die negen zelfportretten van dit jaar heb ik mezelf voor het eerst herkenbaar gemaakt. Al zeggen ze ook dat hoe meer je jezelf zoekt, hoe onduidelijker het wordt. Hoe meer je weet, hoe minder je weet. We kunnen onszelf geweldig vinden, maar op het einde sneuvelen we allemaal en blijft er niets meer over. Zelfs Adolf Hitler, Julius Caesar en Alexander de Grote worden ooit vergeten.’

De Franse fotograaf Bernard Descamps publiceerde ooit een boek met portretten die hij maakte onder de titel ‘Autoportraits’. Is dit een autobiografie?
Vanfleteren: (knikt) ‘Ik snap wat je bedoelt. De fotograaf zit altijd in het portret. Je ziet Stromae, maar je kan niet ontkennen dat het allemaal via jou passeert. Ik maak ook de keuze. In mijn vroegere werk zie ik een honger naar de reportage die bedoeld was ter publicatie. Nu was het interessant daar de meest onbevangen straatbeelden uit te halen. In New York was ik twintig, vandaag vind ik de rare Cadillac in Hanover Street even fascinerend als de dakloze. Maar bij portretten heb ik wel het gevoel dat ik vaak de juiste keuzes maakte. Soms waren ze gewoon niet goed. Weet je dat ik Sonny Rollins en Charles Trenet fotografeerde? Dat is alsof ik Jacques Brel had kunnen maken. Voor onze ouders waren dat de Stromaes van vandaag. Als ze me nu bellen dat ik morgen vijf minuten krijg om Sonny Rollins te fotograferen, vertrek ik meteen naar New York.’

Waar komt talent vandaan? Hij vertelde al vaker dat zijn ouders een tennisclub uitbaatten in Oostduinkerke. In ‘Present’ schrijft hij dat hij 17 was toen hij van zijn vader zijn oude Asahi Pentax kreeg. ‘Daarmee fotografeerde hij zelf rallywedstrijden’, glimlacht Vanfleteren. ‘Op veel foto’s zie je me in een kinderwagen in Zolder en Francorchamps. Mijn vader had die camera voor die rally’s gekocht. Om Jacky Ickx te fotograferen. En Gilbert Staepelaere. Wie kent die nog?’

Wie ouder dan vijftig is, kent hem wel nog. Maar waren die foto’s voor u de vonk?
Vanfleteren: ‘Nee, maar het oog voor schoonheid hadden mijn ouders wel. Mijn papa was eigenlijk edelsmid en had daarvoor in Maredsous een opleiding gevolgd. Hij ontwierp en tekende juwelen. Naar musea namen ze ons nooit mee. Die tennisclub was de hele zomer open, daarbuiten konden we alleen eens gaan skiën of een dag of vijf naar Bretagne en naar de menhirs van Carnac.’

‘Uiteindelijk was de impact van de duinen, en dat is ze tot vandaag, van belang. Ik vind ze van een ongelooflijke schoonheid en film nog altijd zand, helmgras en lichtvlekken. Zoals dertig jaar geleden. (lacht) De eerste prijs die ik won, was een wedstrijd van de gemeente De Panne. In de categorie ‘onder de 18’ won ik met een foto van een ijzeren staaf in een duinlandschap.’

Hij werd, schrijft hij, een beetje fotograaf door eliminatie. Rechten kon niet door zijn dyslexie. Dokter, timmerman, loodgieter, tennisser, truckchauffeur en architect konden om allerlei andere redenen niet. ‘Uiteindelijk bleven alleen gigolo en fotograaf over’, schrijft hij en nu glimlacht hij: ‘Ik zou nochtans een goede gigolo zijn geweest. Maar het zaad droogt natuurlijk op. De foto blijft hangen.’

We zijn 33 jaar verder. Hoe moeilijk was het daaruit te selecteren?
Vanfleteren: ‘Het ging er nooit om te zeggen: ‘Kijk eens.’ Wel over wat waardevol was en een logica heeft. Maar er zijn mensen die ik er niet in kreeg. In de expo zitten maar twee Ibis-kinderen (portretten van leerlingen van de Ibis-zeevaartschool, red.). Een hele reeks foto’s van Etienne, een psychiatrische patiënt, haalde het boek niet. Van Wilfried de Jong (Nederlandse tv-maker, red.) kan ik een boek maken met vijftig sterke portretten. Hij is een goede vriend, elke ontmoeting is een mengeling van fotoshoot, lekker eten, dansen en over vulva’s fantaseren. (schatert) Want we hebben een weddenschap over wie voor het eerst op livetelevisie het woord vulva laat vallen.’

Staan er mensen in uw boek die u niet graag ziet?
Vanfleteren: ‘Dat is een goede vraag. (denkt lang na) Het speelt wel mee. In Cannes maakte ik een portret van een actrice, ik schrijf erover in het boek (‘Ik ontmoet een fantastische actrice die een geweldige teef blijkt te zijn.’, red.), maar haar foto kon er voor mij niet in. Maar ik schuw niets. Jan Fabre zit er wel in. Je zou kunnen zeggen dat dat aangebrand is, maar ik denk: ‘Fuck, ik ga me daarvoor niet inhouden.’ Ik moet toch niet politiek correct zijn of op veilig spelen. Fabre is een fenomeen. Marc Van Eeghem (de acteur die twee jaar geleden overleed, red.) was zo’n warme lieve man, maar hij is er uiteindelijk niet in geraakt.’

Al die duizenden foto’s bekijken, gaf dat zelfvertrouwen? Of blijft twijfel bij elke nieuwe opdracht?
Vanfleteren: ‘Ik weet dat ik iets kan. Anders maak je geen boek en word je niet gevraagd door een museum. Maar het blijft onzeker. Dat is ook schoon. Jacques Brel kotste achter het podium van de zenuwen. Die overgave herken ik. Ik erger me aan gemakzucht. En pas op: ik heb ook veel Waterloos meegemaakt en níét als Wellington.’

©Diego Franssens

Nu zou hier moeten staan dat we in het boek bladeren, maar dat kan niet. Zoals altijd is een boek - en een expo, net als een nieuwe klerenwinkel, een schilderij of een veranda aan je huis - pas klaar als het echt moet klaar zijn. Zo ook met ‘Present’ - vertaald als ‘heden’, ‘aanwezig’, maar ook ‘pre-sent’, de fotograaf wordt gezonden naar waar iets gaat gebeuren - en dus kijken we toch weer naar zijn muren.

Je ziet New York, Caïro, Vlaamse fanfares, Luc De Vos in een bos, een lam als op een schilderij van Francisco de Zurbaran, je ziet de Atlantic Wall, een wolk in Friesland, naakte mannen en vrouwen. De lijm? ‘Je maakt dingen die je persoonlijk interesseren’, zegt hij. ‘Ik heb in mijn héle leven maar één witte raap gefotografeerd, voor een boek van Sergio. Ik ben geen foodfotograaf. Eten vind ik lekker, koken vind ik vaak overschat.’

Drie foto’s duidt hij als heel belangrijk, als kiem van dat oeuvre. Drie studentenfoto’s: een portret van de schilder Paul Delvaux, twee jongens op de metro in Londen en La Reine des Fritures, een frituur in Frans-Vlaanderen. ‘Op school werden ze lauw tot zeer slecht ontvangen, maar ik voelde gelukkig wel dat het iets was. En ik denk dat ik gelijk heb gekregen.’

Veel mensen die u fotografeerde, zijn nu dood. Veel onbekenden, ook bekenden. U fotografeerde Jan Hoet op zijn doodsbed. Maar u fotografeerde ook uw overleden vader, schrijft u.
Vanfleteren: ‘Mijn papa overleed twaalf jaar geleden, ten tijde van ‘Belgicum’. Als ik andere doden fotografeer, dan vond ik dat ik ook dicht bij hem moest komen. Wel in kleur.’

Het wordt even stil. Dan gaat hij voort. ‘We waren bezig hem te verliezen, dat wisten we. En we wisten uiteindelijk wanneer hij zou overlijden. Natuurlijk werd de fotograaf onderdrukt door de zoon. Maar na het sterven en toen mijn moeder en mijn broer naar huis gingen, was ik alleen met hem. Plotseling begon de fotograaf met de zoon te praten. In een gewetensgesprek: ik zou die dode willen fotograferen.’

‘Mijn moeder wist het niet en pas anderhalf jaar geleden, zei ze plots: ‘Ik moet je iets vragen. Heb je papa gefotografeerd? Ik wil het wel zien.’ Ik heb hem afgedrukt, een foto van 10 centimeter bij 10, en hem aan mijn moeder getoond. Ze heeft geen schrik voor de dood en ook geen schrik om te sterven. De dood is geen taboe bij ons.’

De foto staat niet in het boek.
Vanfleteren: ‘Mijn mama wilde dat liever niet. Maar hij mag wel in de tentoonstelling. Natuurlijk begeef je je op glad ijs, zelfs al voel je dat het kan. Jan Hoet was een publiek figuur en hij ging zelf akkoord. Mijn vader heb ik het niet gevraagd. Maar zoals de tijd is dood een thema in mijn werk. Dus als het over jezelf gaat, zou je het plots niet doen? Dat vond ik niet terecht. Toen ik Jan Hoet fotografeerde, was hij al twee dagen overleden. Hij was verzorgd en opgebaard. Mijn papa fotografeerde ik kort nadat hij iets voordien nog had geleefd. De dualiteit fotograaf-zoon was enorm. Ik had dat proces ook nog nooit meegemaakt, hoe iemand in vijf minuten veranderde. Ik zag zijn lichaam marmeren.’

Er staan mooie verhalen in zijn boek. Mooie zinnen. Grappige. ‘Weinigen kunnen zeggen dat ze samen met Merckx tot aan de eindmeet zijn gereden’, over de avond dat hij Eddy Merckx naar huis bracht met de auto. Of: ‘Ik verdenk de Friese boeren ervan ’s nachts stiekem hun koeien te wassen.’

Hij schrijft ook: ‘Wat opvalt: mensen zijn overal hetzelfde. Niet qua uiterlijk of kledij, maar iedereen wil uiteindelijk hetzelfde. Een gelukkig leven, ook en vooral voor hun kinderen. Zo simpel is het.’

©Diego Franssens

Dat geldt dus zowel voor de WestVlaamse visser met de prachtige bijnaam Mestkarre als voor de gevierde acteur Joaquin Phoenix. U fotografeerde hen allebei.
Vanfleteren: ‘En zo is het. Ze groeien op, eten, vinden liefde, werk, hebben kinderen. Mestkarre vindt het fantastisch op zee, Phoenix vindt het fantastisch de rol van de clown te spelen. Zoveel verschil is er echt niet. De ellende, in 2019, is dat als je bij honderd mensen 99 goeie hebt, dat die ene slechte volstaat om de wereld kapot te maken. En dat dat omgekeerd niet zo is. Heb je maar één goeie tegenover 99 slechten, dan is die ene kansloos. Marc Dutroux was die ene slechte. Of de verschrikkelijke paparazzo en die ene zelfmoord-moslimterrorist. Met één kogelslag, één knuppel of één woord op Twitter kan je een spaak in het wiel van de toekomst steken.’

Zou er een soundtrack passen bij dit boek, en dus bij 33 jaar werken?
Vanfleteren: ‘Dat is niet gemakkelijk. ‘Skeleton Tree’ van Nick Cave vind ik een heel belangrijk album en het nummer ‘Distant Sky’ daarop ontroert me hevig. Maar nog liever zou ik een jamsessie bestellen met Jacques Brel die zingt, Warren Ellis die vioolspeelt en Nina Simone op de piano. En later mag Nick Cave op het podium bij Brel komen, met Roland, de fanfare van Hakendover, Melanie de Biasio, Miriam Makeba en Els Pynoo.’

Toen hij op 1 september vijftig werd, na maanden ondergedoken in zijn kelder en de deadlines van boek en tentoonstelling de stress deden opstapelen, boekte zijn uitgever Gautier Platteau voor Vanfleteren een treinticket van Lille naar Avignon, waar Natacha op hem wachtte.

‘Ik was een hulpeloze jongen. Gautier moest me letterlijk op het juiste spoor zetten. In de trein begon ik weer op mijn laptop te schrijven. Tot mijn batterij platviel. Waar waren we? Ergens bij Auxerre, zou dat kunnen? Plots moest ik naar buiten kijken en zag ik weer hoe schoon Frankrijk was. Die twee dagen vrij werden de schoonste dagen van het jaar.’

‘Op de terugweg naar huis, op mijn verjaardag, luisterden we samen in de auto naar de audioversie van ‘Grand Hotel Europa’ van Ilja Leonard Pfeijffer. Ik maakte de foto voor de cover van het boek en nadat Ilja de foto had gezien, paste hij het begin van het boek nog aan. Maar luisterend hadden we hetzelfde gevoel als in de cinema. Lezen is solitair, maar je geluk delen, is toch fantastisch?’

We gaan samen aan tafel in de mooie open keuken van zijn huis in Veurne. Natacha heeft soep gemaakt, het lekkerste vlees en gekapt van West-Vlaanderen komt tussen onze boterham. Maar er blijven vragen. En antwoorden waar hij even moet over nadenken.

Op de vraag waar hij ooit zijn eigen foto’s tegenkwam, antwoordt hij: ‘Het is fijn dat je werk in musea of bij verzamelaars hangt. Maar soms zie ik ook eens een vergeeld krantenknipsel aan de muur. Een van de mooiste was de ontdekking van een werkje van Thierry De Cordier. Hij had een foto van mij met zijn meesterlijke hand overschilderd. Een doofstomme indiaanse vrouw in Chamula bleef het wonder van haar langzaam verschijnend beeld op de polaroid die ik van haar maakte maar bekijken. Ze kuste de foto wel twintig keer en mij vijf keer. En een van de dierbaarste herinneringen was de foto van mijn vroegere buurman Hubert, een oude visser. Hij hing niet tegen zijn muur, maar lag naast zijn ziekbed. Elke dag nam hij hem vast en kuste hij hem Zo vaak dat er een vlek op was gekomen door het zweet en het vet van de muis van zijn hand. Het was dus een afdruk van zijn vissershand op een afdruk van hem. Die foto hangt nu boven de platenspeler van zijn kleinzoon Pieterjan.’

Ik probeer in de hoofden van de mensen te kruipen. Met beelden, weemoed, troost, inzicht en mededogen.

Tot slot: waarom fotografeert u eigenlijk?
Vanfleteren: ‘Omdat ik iets moet doen. Vroeger wilde ik met mijn foto’s de wereld verbeteren. Een schone naïeve gedachte. Op de barricaden staan en de kogel trotseren. Nu sluip ik ’s nachts door de stegen en probeer met schoonheid de geweren van de slapende soldaten te saboteren. Ik probeer in de hoofden van de mensen te kruipen. Met beelden, weemoed, troost, inzicht en mededogen. Ik geloof in de kracht van het individu dat een zaadje plant. Rosa Parks en Forrest Gump zijn mijn helden.’

‘Present’, de expo, is van 25 oktober tot en met 1 maart te zien in het Fotomuseum in Antwerpen. Het boek verschijnt bij Uitgeverij Hannibal, telt 496 pagina’s en kost 69 euro.

Lees verder

Advertentie
Advertentie