Advertentie
Advertentie

Zeeslag om de toegang tot Suez

In het woestijnzand van Djibouti hebben medewerkers van de Verenigde Naties de eerste tenten voor de vluchtelingen uit Jemen gebouwd. ©Harald Doornbos

De escalerende oorlog in Jemen doet de spanning stijgen rond Bab al-Mandeb, een van ’s werelds meest strategische zeestraten waar dagelijks 3,8 miljoen vaten olie passeren. In het nabije Djibouti vangen ze vluchtelingen op en houden ze de wacht. Met soldaten... en twee vogelverschrikkers.

Terwijl Ali een auto en water regelt, gooit chauffeur Abdu benzine in de tank. Hij wil ons van Djibouti-stad - een stoffig samenraapsel van weinig indrukwekkende gebouwen en hutten - naar Bab al-Mandeb brengen. ‘Het is een verre tocht hoor’, klinkt het waarschuwend.

De Arabische naam Bab al-Mandeb betekent ‘Toegangspoort tot de Tranen’, een naam die goed past bij de huidige situatie rond deze belangrijke en strategische gelegen zeestraat. Gelegen tussen Jemen en Djibouti is Bab al-Mandeb zo’n 29 kilometer breed. Eigenlijk is die afstand nog een stuk kleiner, want er ligt een eilandje in het midden (Perim).

Tientallen schepen passeren dagelijks door de 20 kilometer nauwe zeestraat. In totaal gaan er dagelijks zo’n 3,8 miljoen vaten olie doorheen. Hiermee is Bab al-Mandeb de op twee na belangrijkste zeestraat ter wereld, na de Straat van Hormuz (17 miljoen vaten) en de Straat van Malakka (met 15,2 miljoen vaten).

Leven of dood

Bab al-Mandeb is vooral van groot strategisch belang omdat alle schepen die gebruik maken van het 1.900 kilometer noordelijker gelegen Suezkanaal door Bab al-Mandeb moeten. Als de zeestraat dichtgaat, geraakt er ook niemand meer bij het Suezkanaal. Egypte, dat het Suezkanaal exploiteert, heeft bij monde van president Abdul Fattah al-Sisi al laten weten dat het openhouden van Bab al-Mandeb ‘een zaak is van leven en dood voor Egypte’.

De Jemenitische zijde van Bab al-Mandeb is op dit moment in handen van de Houthi-rebellen, die door het sjiitische Iran worden gesteund. Dit tot grote irritatie van de door Saudi-Arabië geleide coalitie van soennitische moslimlanden, waaronder Egypte, die al twee weken bezig zijn de oprukkende Houthi’s te bombarderen.

De Houthi’s zeggen dat ze er niet op uit zijn om Bab al-Mandeb te sluiten. Maar Saudi-Arabië en Egypte vrezen dat de Houthi’s, en hun Iraanse bondgenoten in de toekomst het verkeer in de zeestraat zullen platleggen door de schepen onder vuur te nemen. Vandaar dat het op dit moment druk is rond Bab al-Mandeb. Egyptische oorlogsschepen patrouilleren er terwijl Saudische straaljagers bombardementen uitvoeren op doelen op het Jemenitische vasteland.

Aan de andere kant van het water, hier in Djibouti, bevindt het leger zich in de hoogste staat van paraatheid. Amerika en Frankrijk, westerse bondgenoten van de Saudische coalitie, hebben allebei militaire bases in Djibouti, een bewijs dat ze beseffen hoe belangrijk het kleine Djibouti is. Iran heeft al aangekondigd dat het twee schepen naar het gebied wil sturen. De kans op een escalatie in de nauwe wateren van Bab al-Mandeb is duidelijk reëel.

Djibouti, dat een kwart kleiner is dan België, is een moslimland waar de mensen vrij relaxed zijn. Vrouwen in kleurrijke gewaden lopen over straat. Mannen kopen en kauwen khat, een verdovend middel dat wordt ingevoerd uit het naburige Ethiopië. Religie speelt een rol in Djibouti, maar geld, stabiliteit en tradities zijn belangrijker. De meeste mensen hier leven in bittere armoede. Maar je hoort weinig geklaag. Want er is vrede en min of meer stabiliteit. En dat is een groot goed in een regio waar je buren Somalië, Jemen, Ethiopië en Eritrea zijn.

Terwijl Abdu de witte jeep vakkundig Djibouti-stad uitstuurt, wordt al snel zichtbaar hoe strategisch Djibouti is gelegen. De havens van Djibouti, deels gebouwd met geld uit de Golfstaat Dubai, zijn enorm. Omdat het buurland Ethiopië na de afscheiding van Eritrea geen toegang meer heeft tot de zee, worden alle goederen voor Ethiopië ingevoerd via de haven van Djibouti. De toegangsweg tot Djibouti-stad staat dan ook vol met honderden trucks die af en aan rijden tussen beide landen.

Maanlandschap

Na uren rijden door soms een maanlandschap van vulkanisch gesteente en dan weer steenachtige woestijnen bereiken we uiteindelijk het dorpje Obock, dat zo’n 50 kilometer verwijderd ligt van de zeestraat Bab al-Mandeb. Veelvuldig moeten we stoppen voor kuddes kamelen die traag over de weg sjokken en voor geiten. In een bocht zit een apenfamilie op de weg gemoedelijk te eten. Mensen wonen hier amper. De Obock-provincie is twee keer zo groot als de provincie Antwerpen, maar er leven slechts 40.000 mensen. Het zijn voornamelijk Afars die nomaden zijn en in simpele hutten leven in kleine nederzettingen nabij de zee.

‘Normaal vissen we of we gaan met de boot naar Jemen voor handel’, zegt Hammad, een jongen in de haven van Obock terwijl hij in de richting van Jemen wijst. ‘Maar vanwege de oorlog in Jemen durven we het water niet meer op. Je weet nooit of je gebombardeerd wordt.’

Na een nacht in een touwbed in een houten hut op het strand proberen we ‘s ochtends Bab al-Mandeb te bereiken. Maar soldaten van het leger van Djibouti hebben de laatste kilometers ernaartoe afgesloten voor buitenlanders. De militairen zijn erg op hun hoede vanwege de opgelopen spanning in Jemen.

We nemen dan maar een sluipweg door de woestijn naar de vuurtoren van Ras Bir, die uitkijkt op de strategische zeestraat. Terwijl de jeep door het zand ploegt en chauffeur Abdu soms flessen water gooit naar nomaden die met hun vee door de woestijn lopen, lukt het om de vuurtoren te bereiken. De bewaking van de vuurtoren, die nochtans van zeer groot strategisch belang is voor alle schepen die de zeestraat van Bab al-Mandeb passeren, is weinig imposant: drie slapende mannen. En buiten twee ineengeknutselde poppen. De ‘vogelverschrikkers’ moeten het van op afstand doen lijken alsof er bewakers zitten.

We betalen zes euro en nemen de tweehonderd treden naar boven. Daar wacht ons een helder uitzicht over een van ’s werelds meest strategische en legendarische zeestraten. Turend zien we een bootje van de kustwacht van Djibouti patrouilleren om dit belangrijke water schoon te houden van ongewenste indringers.

Vluchtelingen

Ondertussen arriveren nabij Obock de eerste vluchtelingen uit Jemen. Enkele witte tenten van de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties, worden in het woestijnzand gebouwd. Andere vluchtelingen uit Jemen worden ondergebracht in een leegstaand weeshuis.

‘We komen van het eiland Perim in Bab al-Mandeb,’ zegt Sami Saeed Muhammad, een Jemenitische vluchteling die water pompt uit een bron. ‘Ons eiland werd bestookt met zo’n dertig bommen’, zegt hij. ‘Overal explosies, overal straaljagers. Toen zijn we met onze families in onze vissersboten maar naar Djibouti gevlucht.’

Naast Muhammad staat Khalid, zijn kleinkind. De jongen kijkt sip en lijkt niet te snappen dat hij vluchteling is. ‘Hopelijk komt alles goed en kunnen we snel terug’, zegt Muhammad. Ook een andere vluchteling, Muhammad Ameen Muhammad, hoopt zo snel mogelijk terug te gaan naar huis. ‘Ik hoop dat de Saudi’s korte metten maken met de Houthi’s’, zegt hij, ‘Zij hebben ons land in dit onheil gestort.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud