column

Cyberkillers op de beurs

Een gemaskerde man met kogelwerende vest rent door een opslagplaats, een machinegeweer schietensklaar. Hij aarzelt aan een hoek, de muren zijn er met bloed bespat.

Ik hoor explosies en schoten, maar bovenal twee commentatoren die enthousiast de bloedige confrontatie beschrijven. Het bloedvergieten lijkt wel een sport, en dat is het in dit geval ook. Het team Astralis speelt de game Counter-Strike: Global Offensive (CS:GO) tegen G2 Esports in het tornooi ESL Pro League Season 10 Finals. Tussen de replays door krijg ik op de videodiensten YouTube en Twitch ook beelden van de spelers te zien in real life: atletisch uitziende jongemannen die geconcentreerd naar hun computerschermen staren.

E-sports heet het fenomeen, en er is steeds meer geld mee gemoeid. Voor het eerst gaat nu ook een e-sportsteam, het Deense Astralis, naar de beurs.

Some of The Smartest Astralis' Strats & Teamplays in 2018! (Highlights)

De Denen staan nummer één in de professionele CS:GO-competitie en waren al goed voor miljoenen dollars aan prijzengeld. Ze hebben commerciële deals met merken als Audi en Logitech. Astralis breidde al uit naar games zoals League of Legends en FIFA. Als alles goed gaat, noteren ze maandag op de Kopenhaagse afdeling van de techbeurs Nasdaq. Daarbij willen ze 125 miljoen tot 150 miljoen Deense kroon ophalen (16,7 tot 20 miljoen euro).

Het leidt tot een fascinerende wending in het verhaal van Counter-Strike. Dat game - eigenlijk een hele reeks games - begon niet als een commercieel project, maar als een ‘act of love’. In 1999 maakte de Vietnamees-Canadese student Minh ‘Gooseman’ Le samen met zijn kompaan Jess Cliffe een modificatie (‘mod’) van de game Half-Life. Hij spendeerde 20 uur per week aan wat Counter-Strike zou worden - meer dan hij aan zijn studies besteedde. De game werd al snel zo populair dat Valve, de maker van Half-Life, de rechten kocht en beide virtuozen aanwierf.

Counter-Strike is een first-person shooter (FPS), een gewelddadige game waarbij de speler de dingen ervaart vanuit de ogen van de protagonist. Het is ook ‘multiplayer’, waarbij teams (‘terroristen’ en ‘anti-terroristen’) het tegen elkaar opnemen. Spelers moeten bommen plaatsen of net onschadelijk maken, gijzelaars bewaken of bevrijden.

Modding

De Amerikaanse mediaprofessor Henry Jenkins vermeldde Counter-Strike in zijn boek ‘Convergence Culture’, waarin hij de nieuwe verhoudingen analyseerde tussen makers en ‘gebruikers’ van nieuwe media. Een van de spectaculairste vernieuwingen was precies ‘modding’, waarbij gamestudio’s ook amateurs de middelen gaven om eigen versies van een game te maken.

'Modding' maakt van de consument een producent.

Dat blijkt een slimme strategie te zijn. Le en Cliffe gaven hun mod van Half-Life gratis weg, maar om hun game te spelen had je wel Half-Life nodig. Iedereen blij dus, de fans zowel als de gamestudio. Le en Cliffe deden ook niet alles zelf: de gamekaarten en personageopties werden bepaald door de fans, die intense discussies voerden op gespecialiseerde sites.

‘Converged culture’ gaat dus over verschuivingen in machtsverhoudingen, over consumenten die ook producenten worden, over poreuze grenzen tussen wat binnen en buiten de studio gebeurt.

Wat is sinds de heroïsche begindagen van Counter-Strike echt veranderd? Welnu, de opkomst van streamingvideodiensten als Twitch (Amazon), YouTube (Google) en Mixer (Microsoft). Miljoenen kijkers, supersterren en commentators bieden ongekende commerciële mogelijkheden die nu leiden tot een heuse beursintroductie. Maar aan de basis ligt het tomeloze enthousiasme van gamers, die de grenzen tussen consumenten, producenten, professionals en amateurs doorbreken.

Lees verder