Samenwonenden en gehuwden: gelijkschakeling na de belastinghervorming?

In deze bijdrage wordt ingegaan op de fiscale behandeling van samenwonenden. Hierbij wordt vooral stilgestaan bij de invloed van de belastinghervorming, aangezien één van de belangrijke pijlers van deze hervorming betrekking heeft op de neutraliteit ten opzichte van de samenlevingsvorm. We beperken ons hier tot de maatregelen uit deze hervorming gericht op de gelijkschakeling van gehuwden en samenwonenden.

Gezien gelijkschakeling beoogd wordt, worden de voor de gehuwden ongunstige maatregelen geschrapt en worden de fiscale voordelen verbonden aan het huwelijk ook toegankelijk gemaakt voor de samenwonenden. Samenwonenden dient hier echter begrepen te worden als 'wettelijk samenwonenden' (d.w.z. de ongehuwde partners die voor de ambtenaar van de burgerlijke stand een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd). Bijgevolg zal de belastinghervorming ook nieuwe verschillen in het leven geroepen, namelijk tussen de categorie van de samenwonenden en de wettelijk samenwonenden.

Allereerst wordt kort ingegaan op de inhoud van het begrip 'alleenstaande' in het fiscaal recht, alsook op de definitie van wettelijk samenwonenden. Daarna behandelen we de verschillen die vóór de belastinghervorming bestonden tussen de gehuwden en de samenwonenden, waarbij eerst de voor de gehuwden nadelige verschilpunten worden toegelicht om daarna in te gaan op de voor de samenwonenden fiscaal ongunstige regelingen.

Fiscaal gezien zal een belastingplichtige in principe ofwel als alleenstaande, ofwel als gehuwde worden beschouwd. Het Belgisch fiscaal recht hanteert de notie "feitelijk gezin" niet en onderkent dus geen afzonderlijke fiscale categorie voor samenwonenden. Mensen die samenleven onder een andere vorm dan een huwelijk, zullen bijgevolg beiden het fiscaal regime van een alleenstaande ondergaan.

Een belastingplichtige zal voor het aanslagjaar 2002 (inkomstenjaar 2001) fiscaal als alleenstaande beschouwd worden indien hij of zij:

- in 2001 in het huwelijk getreden is;

- vóór 2001 feitelijk gescheiden leefde en deze scheiding in 2001 niet ongedaan is gemaakt; of

- in 2001 uit de echt of van tafel en bed is gescheiden;

- in het jaar is overleden, indien de langstlevende echtgenoot niet geopteerd heeft voor een gezamenlijke aanslag.

Voor het beoordelen van iemands fiscaal statuut (gehuwd of alleenstaand), gaat de belastingwet uit van 1 januari van het aanslagjaar. Indien men op 1 januari van een aanslagjaar aan één van hogervermelde situaties beantwoordt, wordt men voor het hele jaar als alleenstaande beschouwd.

Voor de gelijkschakeling van wettelijk samenwonenden met gehuwden heeft de wetgever voor een pragmatische oplossing gekozen. In het Wetboek Inkomstenbelasting werd één bepaling ingevoerd waarbij wordt gesteld dat wettelijk samenwonenden als gehuwden worden beschouwd voor de toepassing van het WIB, het Koninklijk Besluit ter uitvoering ervan en de bijzondere belastingwetten.

Zoals voor het huwelijk dient voor een definitie aangaande het begrip 'wettelijk samenwonenden' teruggegrepen te worden naar het burgerlijk recht, bij ontstentenis van een fiscale invulling van deze term.

Artikel 1475, §1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat het gaat om de toestand van samenleven van twee personen die een schriftelijke verklaring hebben afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeenschappelijke woonplaats. Er is ook vastgelegd welke gegevens deze verklaring voorts dient te bevatten.

Algemeen kan gesteld worden dat het huidige aanslagstelsel op volgende punten nadelig is voor gehuwden: op het vlak van de regeling voor kinderen ten laste,van de toekenning van belastingvrije sommen, van de vermindering voor vervangingsinkomens, van de cumul van de inkomsten, de bijkomende interestaftrek en tenslotte, op vlak van de invordering van de belasting. Op elk van deze punten wordt hierna kort ingegaan.

Wie welke kinderen ten laste kan nemen, is bij samenwonenden niet altijd even duidelijk.

Door een aantal recente uitspraken van rechtbanken en van de Minister van Financiën werd hierin meer klaarheid gebracht. Deze uitspraken hebben in bepaalde gevallen wederom een voordeel voor samenwonenden ten opzichte van gehuwden gecreëerd.

Om voor inkomstenjaar 2001 als ten laste van een bepaalde belastingplichtige te worden beschouwd, moeten de kinderen in principe:

- deel uitmaken van diens gezin op 1 januari 2002 (met een verblijf aldaar van duurzame aard);

- gedurende het belastbare tijdperk (2001) persoonlijk geen bestaansmiddelen hebben gehad die netto meer dan een bepaald maximum bedragen (zie verder);

- geen bezoldigingen genieten die voor de belastingplichtige beroepskosten zijn.

Onder bestaansmiddelen van een persoon ten laste dient men al de inkomsten - al dan niet belastbaar - van die persoon te verstaan, met uitsluiting van de inkomsten die worden samengevoegd met die van de belastingplichtige omdat deze laatste er het wettelijk genot over heeft (bijv. onroerende en roerende inkomsten van de minderjarige kinderen dienen in principe bij de inkomsten van de ouders te worden gevoegd). De volgende inkomsten worden nooit als bestaansmiddelen beschouwd: studietoelagen, wettelijke kinderbijslagen, kraamgeld, adoptiepremies, onderhoudsgeld dat reeds voor een vorig jaar verschuldigd was, maar pas in 2001 werd uitbetaald op grond van een rechterlijke uitspraak met terugwerkende kracht, premies van voorhuwelijkssparen, enz.

De fiscus houdt steeds rekening met het netto-bedrag aan bestaansmiddelen. In principe dient er rekening te worden gehouden met een forfaitaire aftrek van 20% om rekening te houden met kosten. Wanneer die bestaansmiddelen bestaan in bezoldigingen van werknemers of in baten bedragen de aftrekbare kosten ten minste EUR 330. Er gelden andere regels voor onroerende inkomsten en roerende inkomsten.

De grens van de netto-bestaansmiddelen die door kinderen ten laste niet mag worden overschreden houdt echter weer een verschil in tussen alleenstaanden en gehuwden. Voor inkomstenjaar 2001 ligt de grens van de maximum netto-bestaansmiddelen voor kinderen ten laste van alleenstaanden op EUR 3.390, en op EUR 1.960 voor kinderen van gehuwden..

Vanaf aanslagjaar 2002 worden de door kinderen ontvangen onderhoudsgelden ten belope van EUR 2.350 per jaar niet langer als bestaansmiddelen aangemerkt.

De belastingvrije som voor kinderen ten laste bedraagt EUR 1.140 voor het eerste kind, EUR 1.780 voor het tweede, EUR 3.630 voor het derde en EUR 4.050 vanaf het vierde kind.

Eén of meer kinderen ten laste van een niet-hertrouwde weduwnaar of van "ongehuwden" geven bovendien recht op een bijkomende belastingvrije som van EUR 1.140, hetgeen wederom een voordeel inhoudt ten opzichte van gehuwden. Hoewel het Hof van Cassatie besloot (arrest van 24 oktober 1997) dat het enkel om "ongehuwden" gaat in de zin van personen die nooit gehuwd zijn geweest, laat de fiscus toe dat gescheiden ouders opnieuw in aanmerking komen als "ongehuwde ouder" voorzover het kind verwekt is na de echtscheiding. Vanaf aanslagjaar 2003 (inkomsten 2002) geldt deze laatste bijkomende voorwaarde niet meer, zodat ook uit de echtgescheiden of feitelijk gescheiden ouders kunnen genieten van deze verhoging van de belastingvrije som, ook als de kinderen niet na de echtscheiding zijn verwekt.

Kinderen van gehuwden worden automatisch ten laste genomen door de echtgenoot met het hoogste belastbare beroepsinkomen. Ze kunnen niet door de andere echtgenoot in rekening worden gebracht.

Alleenstaanden met een gezamenlijk kind, kunnen het kind niet meer beiden in hun afzonderlijke aangifte ten laste nemen. In principe kan enkel het gezinshoofd het kind ten laste nemen. Of vader of moeder gezinshoofd is, is een feitenkwestie volgens de fiscus.

Indien het gaat om kinderen, die niet de eigen kinderen van de belastingplichtige zijn, maar van de persoon waarmee de belastingplichtige samenwoont, kan de belastingplichtige deze kinderen ook ten laste nemen voorzover ze aan de hierboven vermelde algemene voorwaarden voldoen (o.a. deel uitmaken van het gezin en het maximum aan bestaansmiddelen niet overschrijden) en ze bovendien :

- volledig of hoofdzakelijk ten laste zijn van de belastingplichtige (daartoe moet hij onder meer aantonen dat zijn effectieve bijdrage in de onderhoudskosten van die kinderen meer dan de helft bedraagt, wat tevens inhoudt dat de bijdrage van de eigenlijke ouder(s), verhoogd met de eigen bestaansmiddelen van het kind, en de voor hem ontvangen onderhoudsuitkeringen, enz., minder bedraagt dan de helft van die onderhoudskosten) ;

- niet terzelfder tijd door de eigenlijke ouder ten laste zijn genomen.

Afhankelijk van de fiscaal meest gunstige situatie, kan het kind wel ten laste genomen worden hetzij bij zijn natuurlijke ouder, hetzij bij de samenwonende partner. Buiten de verhoogde belastingvrije som voor personen ten laste, kan deze overheveling eveneens interessant zijn in het kader van de berekening van de grensbedragen van de belastingvermindering bij bouwsparen en lange termijnsparen en de verhoogde interestaftrek (zie verder).

Samenwonenden worden nu fiscaal als alleenstaanden aangemerkt. Bijgevolg wordt bij de belastingberekening ook de belastingvrije som voor een alleenstaande toegekend. Deze bedraagt voor aanslagjaar 2002 (inkomsten 2001) EUR 5.350 per persoon. Een samenwonend koppel heeft in totaal bijgevolg recht op een belastingvrije som van EUR 10.700. Gehuwde belastingplichtigen hebben elk recht op een belastingvrije som van EUR 4.240. Een eenvoudige rekensom toont aan dat hier reeds een verschil in verschuldigde belasting ontstaat van EUR 555 (2 X het verschil tussen (5.350 X 25%) en (4.240 X 25%), zonder rekening te houden met de gemeentebelasting en crisisbelasting of EUR 604,95 bij 7% gemeentebelasting en 2% crisisbelasting.

Volgens het Arbitragehof (arrest van 6 november 2001) bestaat er wel een redelijke verantwoording om aan alleenstaanden een hogere belastingvrije som toe te kennen dan aan gehuwden: "De vaste kosten voor levensonderhoud van gehuwden liggen namelijk lager dan die van een alleenstaande." Maar volgens het Arbitragehof bestaat er geen enkele redelijke verantwoording om aan ongehuwd samenwonenden een hogere belastingvrije som toe te kennen dan aan gehuwd samenwonenden. Luidens het Hof is deze discriminatie niet te wijten aan het fiscale wetsartikel waarin de belastingvrije sommen staan vermeld. Het Hof vindt dat de discriminatie haar oorzaak heeft in het feit dat er geen specifieke wetsbepaling voorzien is voor ongehuwd samenwonenden. Bijgevolg dienen op hen de bepalingen voor alleenstaanden te worden toegepast.

De nagestreefde gelijkschakeling op vlak van de belastingvrije sommen wordt geleidelijk gerealiseerd. Vanaf aanslagjaar 2004 (inkomsten van 2003) wordt de belastingvrije som voor gehuwden per echtgenoot opgetrokken tot EUR 4.540 (index 2002), terwijl vanaf het daaropvolgende aanslagjaar (inkomsten 2004) de belastingvrije som voor iedere belastingplichtige (ook voor de niet-wettelijk samenwonenden) EUR 5.480 (index 2002) zal bedragen.

Ook de fiscale behandeling van vervangingsinkomsten is nadelig voor gehuwden. Wanneer de belastbare inkomsten uitsluitend bestaan uit pensioenen of andere vervangingsinkomsten hebben de echtgenoten samen slechts recht op één belastingvermindering van maximaal EUR 1.807,49. Deze is evenwel hoger dan de vermindering in hoofde van een alleenstaande (EUR 1.548), maar de toepassing ervan wordt beperkt in functie van de gecumuleerde inkomsten van beide echtgenoten, terwijl deze van een ongehuwd samenwoner enkel op zijn eigen inkomsten wordt berekend.

Vanaf aanslagjaar 2005 (inkomsten van 2004) zal de belastingvermindering voor vervangingsinkomsten en pensioenen niet meer per echtpaar worden berekend, maar per individu. De regeling geldt echter niet voor de werkloosheidsuitkeringen en brugpensioenen nieuw stelsel (die ingaan vanaf 2004).

Onder de huidige regeling geldt de zogenaamde decumul van de inkomsten (d.i. de afzonderlijke belastingheffing) enkel voor de beroepsinkomsten. Bijgevolg worden de onroerende, roerende en diverse inkomsten van de echtgenoten samengevoegd met de inkomsten van de echtgenoot die de hoogste beroepsinkomsten heeft behaald. Deze samenvoeging 'cumul' van de inkomsten heeft tot gevolg dat de gehuwden tegen een hogere marginale aanslagvoet worden belast dan de samenwonenden waar deze cumul achterwege blijft.

De regels inzake volledige decumul zoals ingevoerd door de belastinghervorming zullen pas inwerking treden vanaf aanslagjaar 2005 (inkomsten van 2004).

De bijkomende interestaftrek laat toe de werkelijk betaalde interesten met betrekking tot hypothecaire leningen met een looptijd van ten minste 10 jaar die door de belastingplichtige zijn aangegaan om in België zijn enige woning te bouwen, in nieuwe staat te verwerven of volledig of gedeeltelijk te vernieuwen, onder bepaalde voorwaarden en limieten af te trekken van het totale netto-inkomen. Elke besparing door deze interestaftrek gebeurt aan het marginale belastingtarief (met andere woorden, deze interesten worden afgetrokken van de hoogst belaste inkomsten).

Het nadeel voor gehuwden is dat het moet gaan om de enige woning van beide echtgenoten. Bij samenwonenden wordt de voorwaarde van enige woning enkel getoetst in hoofde van de partner/schuldenaar van de interesten. De andere partner kan dus andere woningen in eigendom hebben zonder het recht op verhoogde interestaftrek van de eerste partner in gevaar te brengen. Of een belastingplichtige meerdere woningen bezit, wordt jaarlijks op 31 december beoordeeld en daarbij wordt ook rekening gehouden met een in het buitenland gelegen buiten- of vakantieverblijf dat hij in eigendom heeft.

Wanneer een woning door twee samenwonenden in onverdeeldheid wordt aangekocht en zij hiervoor samen of afzonderlijk een hypothecaire lening zijn aangegaan, heeft elk van hen afzonderlijk recht op de bijkomende interestaftrek in verhouding tot zijn of haar aandeel in de onverdeeldheid, voor zover het voor hem of haar om de "enige" woning gaat. Zowel het bedrag van de interesten (in geval van een gezamenlijke lening) als de toepasselijke maximumgrenzen (bijv. de eerste schijf van EUR 57.570) worden beperkt in verhouding tot het aandeel in de onverdeeldheid. De in de wet vooropgestelde grenzen worden voor elk van beide partners afzonderlijk vastgesteld, rekening houdend met zijn of haar kinderlast. Het aantal kinderen ten laste wordt definitief beoordeeld op 1 januari van het jaar na het afsluiten van de lening.

In principe (behoudens uitzonderingen) kan bij feitelijke scheiding de belastingschuld van één van de echtgenoten niet alleen ingevorderd worden op diens eigen goederen en de gemeenschappelijke goederen, maar ook op de eigen goederen van de andere echtgenoot. Indien daarentegen ongehuwde samenwoners beslissen om feitelijk gescheiden te gaan leven, kan de ene partner niet aangesproken worden voor de belastingschulden van de andere.

De juridische situatie van een feitelijk gescheiden echtgenoot die wordt aangesproken voor de belastingschulden van de andere echtgenoot werd echter al verbeterd doordat hem/haar een bezwaarrecht werd toegekend, doordat de voorafgaande ingebrekestelling van de belastingschuldige echtgenoot verplicht werd en door het invoeren van een procedure waarbij een echtgenoot kennis krijgt van de aanslag die tegen de ander echtgenoot is gevestigd. Deze maatregelen bleken echter onvoldoende in de praktijk Daarom heeft de belastinghervorming de invorderingsmogelijkheden tussen feitelijk gescheiden echtgenoten verder beperkt: de belasting door een echtgenoot verschuldigd op zijn inkomen verworven vanaf het tweede kalenderjaar na de feitelijke scheiding kunnen niet meer verhaald worden op de andere echtgenoot. Deze regel is van toepassing vanaf aanslagjaar 2002 (inkomsten van 2001).

Vanaf de gelijkschakeling met gehuwden, gelden voor wettelijk samenwonenden dezelfde invorderingsregels als voor gehuwden.

Anderzijds bevinden samenwonenden zich soms vanuit fiscaal oogpunt in een ongunstiger situatie dan de gehuwden. Het betreft hier o.m. de toepassing van het huwelijksquotiënt, de toekenning van meewerkinkomen (toekenning van winsten of baten aan de meewerkende echtgenoot), de belastingverminderingen met betrekking tot onroerende goederen en de onderlinge verliescompensatie.

Huwelijksquotiënt en toekenning van meewerkinkomen

Een samenwonend éénverdienersgezin kan geen aanspraak maken op het huwelijksquotiënt, dat toelaat om tot maximum EUR 7.710 aan beroepsinkomsten af te toppen van de echtgenoot met de hoogste beroepsinkomsten en aan lagere belastingtarieven te laten belasten in hoofde van de andere echtgenoot. Anderzijds geldt ook de toekenning van meewerkinkomen enkel tussen echtgenoten. In deze omstandigheden, dient het huwelijk zich duidelijk als een fiscaal gunstiger alternatief aan.

Gezien de gelijkschakeling van gehuwden met wettelijk samenwonenden, kunnen deze laatsten vanaf aanslagjaar 2005 ook genieten van het huwelijksquotiënt en de toekenning van meewerkinkomen. Met ingang van aanslagjaar 2002 wordt het huwelijksquotiënt niet meer toegepast indien de toepassing ervan leidt tot een hogere belastingaanslag. De administratie zal in principe uit eigen beweging de meest voordelige aanslag toepassen. Dit is voornamelijk interessant wanneer één van beide echtgenoten buitenlandse vrijgestelde beroepsinkomsten heeft en waar de toepassing van het huwelijksquotiënt nadelig is.

Aftrekken en belastingverminderingen met betrekking tot onroerende goederen

Een ander fiscaal struikelblok voor samenwonenden is de toepassing van de regels inzake de aftrekken en belastingverminderingen voor de eigen woning.

De eigen woning wordt in principe belast op basis van het kadastraal inkomen. Dit kadastraal inkomen wordt echter vaak tot nul herleid door toepassing van de woningaftrek of door toepassing van de gewone interestaftrek (interesten van leningen specifiek aangegaan voor het verkrijgen of behouden van onroerende goederen).

Wanneer de bijkomende interestaftrek van toepassing is kan een gedeelte van de hypothecaire interesten onder bepaalde voorwaarden worden afgetrokken van het totale netto-inkomen (de samenvoeging van onroerende, roerende, beroeps- en diverse inkomsten). Kapitaalaflossingen en levensverzekeringspremies betaald met betrekking tot deze leningen kunnen recht geven op een belastingvermindering (bouwsparen en/of lange termijnsparen).

Een belastingplichtige die een woning zelf betrekt waarvan hij eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is, heeft recht op een forfaitaire aftrek voor eigen woning ("woningaftrek" genaamd). Deze forfaitaire aftrek van EUR 3.857 (geïndexeerd) wordt verhoogd met EUR 321voor de echtgenoot en voor iedere persoon ten laste en is enkel aftrekbaar van het kadastraal inkomen van de eigen woning.

Een belastingplichtige die om beroepsredenen (bijv. omdat het te ver verwijderd is van de plaats waar hij zijn beroepswerkzaamheden uitoefent) of om sociale redenen de woning niet zelf kan betrekken, heeft ook recht op de woningaftrek. Enkele voorbeelden van sociale redenen zijn de grote afstand tussen de woonplaats en de plaats waar de kinderen studeren of nog behoeften van huisvesting van de gezinsleden, ouderdom, ziekte, enz. De Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen (27 maart 2002) aanvaardt ook als sociale reden het feit dat een echtgenoot de woning waarvan hij eigenaar is niet zelf betrekt omwille van echtelijke moeilijkheden.

In het geval van samenwonenden waarbij slechts één van de partners eigenaar is van de woning, zal de partner die eigenaar is enkel de basisaftrek van EUR 3.857 in aanmerking kunnen nemen, en dus geen beroep kunnen doen op de verhoging voor de echtgenoot. Anderzijds zal deze partner zich uiteraard wel kunnen beroepen op de verhoging voor personen ten laste. Wanneer de andere partner ook een woning in eigendom heeft maar deze niet feitelijk betrekt (ook al is deze andere partner daar gedomicilieerd), kan hiervoor in principe geen woningaftrek in aanmerking genomen worden.

Indien beide samenwonende partners de woning in onverdeeldheid (mede-eigendom) bezitten, moet iedere eigenaar zijn of haar gedeelte in de onverdeeldheid aangeven als onroerend inkomen. Daartegenover staat dat iedere eigenaar in de onverdeeldheid recht heeft op de hoger vermelde (volledige woning)aftrek van EUR 3.857 die aan te rekenen is op zijn deel van het kadastraal inkomen van het huis, terwijl de woningaftrek voor gehuwde mede-eigenaars slechts eenmaal zal worden verleend.

Kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen komen binnen bepaalde grenzen in aanmerking voor een belastingvermindering indien deze hypothecaire lening is aangegaan om een in België gelegen woning te verwerven, te bouwen of te verbouwen. Belangrijk hierbij is dat, om te genieten van de verhoogde vermindering voor bouwsparen, sedert aanslagjaar 2001 geen schuldsaldoverzekering meer vereist is om het belastingvoordeel te kunnen genieten in verband met kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen. Het moet nog wel steeds gaan om een hypothecaire lening die vóór 1 januari 1993 is aangegaan om uw eigen woonhuis te verwerven of te (ver)bouwen of vanaf 1 januari 1993 is aangegaan om uw enige woning, op het tijdstip van het aangaan van de lening, te verwerven of te (ver)bouwen.

Het totale bedrag van de aflossingen dat recht geeft op een belastingvermindering mag per belastingplichtige niet meer bedragen dan 15% van de eerste schijf van EUR 1.440 van de netto-beroepsinkomsten en 6% van de overige netto-beroepsinkomsten, dit met een absolute limiet van EUR 1.730 per echtgenoot. Bovendien moet eveneens een beperking worden toegepast in functie van het bedrag van de hypothecaire lening. Per woning komen slechts de kapitaalaflossingen in aanmerking die betrekking hebben op de eerste schijf van EUR 57.570 (leningen aangegaan in 2001). Ingeval het bouwsparen van toepassing is, wordt dit grensbedrag verhoogd in functie van het aantal kinderen dat ten laste is op 1 januari van het jaar na het afsluiten van de lening.

Wat samenwonenden betreft, geldt ook hier het principe dat de kapitaalaflossingen slechts voor belastingvermindering in aanmerking komen in verhouding tot hun aandeel in de eigendom van de woning. De grensbedragen moeten eveneens worden beperkt in verhouding tot het aandeel mede-eigendom. Aangezien de verhoging van de grensbedragen op grond van kinderen ten laste wordt beoordeeld op 1 januari van het jaar volgend op het sluiten van de lening, kan een samenwonend koppel aan fiscale planning doen. Indien één van de kinderen slechts afstamt van één van beide partners en ook door die partner fiscaal ten laste wordt genomen, dient te worden nagegaan of het fiscaal niet interessanter is om de tenlasteneming over te hevelen naar de andere partner. Die andere partner kan immers een hoger beroepsinkomen hebben (nuttig voor de berekening van de EUR 1.730 grens) of een grotere lening afgesloten hebben, zodat juist die andere partner alle baat heeft bij een verhoging van het grensbedrag van EUR 57.570 voor kinderen ten laste. Die andere partner zal dan wel moeten aantonen dat hij het kind hoofdzakelijk ten laste heeft.

Gehuwden die samen hoofdelijk en ondeelbaar een lening aangaan, mogen het bedrag van de betaalde kapitaalaflossingen fiscaal optimaliseren en in een door henzelf gekozen verhouding onder elkaar verdelen. Alhoewel ongehuwd samenwonenden eveneens vaak een hoofdelijke en ondeelbare lening aangaan, kunnen zij enkel een belastingvermindering krijgen voor betalingen die door de belastingplichtige zelf zijn verricht voor de aflossing van zijn deel in het ontleende kapitaal en, zoals hierboven reeds vermeld, slechts in de mate waarin dat deel zijn aandeel in de eigendom van de verworven, gebouwde of verbouwde woning niet overtreft. Na hun huwelijk, verwerven zij evenwel het recht de gedane terugbetalingen vrij onder elkaar te verdelen.

Wanneer een echtgenoot vóór zijn huwelijk reeds persoonlijk een hypothecaire lening heeft gesloten voor een woning, heeft de andere echtgenoot na het huwelijk eveneens recht op een belastingvermindering voor kapitaalaflossingen vanaf het moment dat de woning in de huwelijksgemeenschap is gebracht en van zodra de bestaande lening is omgezet in een lening die hoofdelijk en onverdeeld door beide echtgenoten is aangegaan. Het louter inbrengen van de hypothecaire lening en de schuld in de huwelijksgemeenschap volstaat niet om recht te hebben op een belastingvermindering.

Ook ten aanzien van de belastingvermindering met betrekking tot premies betaald voor een individuele levensverzekering/schuldsaldoverzekering tot dekking van de bovenvermelde hypothecaire lening dienen samenwonenden aandachtig te zijn. Artikel 1459 WIB bepaalt immers dat deze vermindering alleen geldt indien de begunstigde bij overlijden de echtgenoot of een bloedverwant tot de tweede graad is. Indien bijgevolg de begunstigde de samenwonende partner is, voldoet de levensverzekering niet aan de nodige voorwaarden om voor een belastingvermindering in aanmerking te komen.

Het compenseren van het geleden verlies in hoofde van een echtgenoot met de door de andere echtgenoot behaalde inkomsten, waardoor een lagere belastingschuld in hoofde van het gezin ontstaat, is enkel weggelegd voor gehuwden.

Vanaf aanslagjaar 2005 wordt deze compensatie ook mogelijk voor wettelijk samenwonenden partners.

Deze artikelreeks is tot stand gekomen dankzij de medewerking van de belastingconsulenten van PricewaterhouseCoopers.

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud