Erik Wieërs: ‘Met architectuur kan je de ontmoeting stimuleren’

©SISKA VANDECASTEELE

Als architect-filosoof waakt hij over de kwaliteit van de bebouwde ruimte in Vlaanderen. De ruimtelijke ordening moet radicaal anders, en hij gelooft dat het niet te laat is. Ontbijt met De Tijd.

Sinds Erik Wieërs (57) afgelopen zomer de zesde Vlaamse Bouwmeester werd en zijn werkplek van zijn architectenbureau Collectief Noord in Antwerpen naar de Ravensteingalerij achter Brussel-Noord verhuisde, pendelt hij regelmatig naar de hoofdstad. Ziet hij dan ook ‘het lelijkste land ter wereld’, zoals Renaat Braem het in 1968 omschreef in zijn aanklacht tegen de wanordelijke bouwgewoontes in Vlaanderen? Hoeveel pijn doen de koterijen en de lintbebouwing aan de ogen van iemand die belast is met ‘het bevorderen van de architectuurkwaliteit van de gebouwde omgeving’?

Ontbijt met De Tijd

Westkapelle, 8.00 uur, in de verluchte veranda van Piet De Groote. Met de opvolger van Leopold Lippens praten we over uitgesteld verdriet, belangrijke mensen en tweedeverblijvers.

‘Ik vind het niet echt zo’n probleem dat mensen hun eigen ding in elkaar timmeren’, zegt Wieërs. ‘Het heeft wel iets dat mensen inspiratie vinden in een haciënda. Ik ben niet zo’n designfreak op dat vlak. Maar we hebben uiteraard een dramatische ruimtelijke ordening. We hebben nooit op grote schaal over ons landschap nagedacht, zoals in Nederland. We hebben wel kasseien vervangen door asfalt maar ook alle bomen weggedaan, dorpspleinen dichtgegooid en er parking van gemaakt. Allemaal uit een soort pragmatiek: toch makkelijk om overal met de auto heen te gaan, van de kerk naar de bakker.’

Het probleem is acuut en bekend, al tientallen jaren. Waar ging het ook weer mis? ‘In de jaren zestig is, vanuit christendemocratische hoek, hard ingezet op het gezin als essentie van de samenleving: leven op het platteland onder de kerktoren. Het vooruitgangsideaal van een eigen huis op een eigen terrein is na de Tweede Wereldoorlog actief gepromoot en gestimuleerd. Dat was toen een visie, in tempore non suspecto. Maar zo is het landschap stilaan dichtgeslibd. En nu is dat moeilijk terug te draaien. Maar het zal toch moeten, denk ik.’

Architectuur moet niet vernieuwend zijn. Je moet iets bouwen voor diegenen die het moeten gebruiken.

We spreken elkaar bij koffie en croissants aan de brede, door Bob Van Reeth ontworpen houten tafel in de keuken van het verder lege Atelier van de Bouwmeester. Het is maandagochtend en het kantoor in de rotonde van de gaanderij is nog koud na het vriesweekend. Een medewerkster is extra vroeg gekomen om de verwarming aan te zetten. Op een van de vensters staat een gedicht van Maud Vanhauwaert gedrukt, opgedragen aan Leo Van Broeck, de voorganger van Wieërs en de man over wie hij sinds zijn aantreden al veel vragen moest beantwoorden. Gaat hij ook zo zijn been strekken? Vindt hij het ook crimineel om in 2021 nog een villa te bouwen?

Wieërs is minder militant. De Vlaamse regering legde ook op dat de volgende Bouwmeester zich zou ‘terugplooien op de kerntaken’. Maar zijn boodschap is wel dezelfde: we moeten dichter bij elkaar gaan wonen. ‘En niet allemaal in hoge torens in de stad, dat is de karikatuur die er vaak van gemaakt wordt’, zegt hij. Wel in kernen met een goede aansluiting op openbaar vervoer en genoeg open ruimte.

©SISKA VANDECASTEELE

‘Je kan de mensen in de verkavelingen niet beschuldigen. Dichter op elkaar wonen hoeft niet te betekenen: iedereen op elkaar stapelen. Maar wel meer overlappen, en kijken naar wat je kan delen.’ Hij noemt het Groen Kwartier in Antwerpen, de reconversie van het oude Militaire Hospitaal, een goed voorbeeld met een gezonde mix van betaalbare en dure woningen. ‘Maar of daar dan ook een sterrenrestaurant (The Jane, red.) moest komen... Ik weet het niet.’

‘Het klinkt waarschijnlijk idealistisch, maar ik geloof dat een grote switch in een generatie mogelijk is. Er komt een belangrijke afspraak aan: tegen 2050 moeten alle woningen CO2-neutraal zijn. Als je ergens in Schoten een villa uit de jaren zeventig hebt: begin er maar aan, dan kom je er niet met 100.000 euro. Wat als je op dat moment kan kiezen om in een volledig CO2-neutraal collectief woonproject te gaan wonen in de kern van je dorp? Er is wel nog veel werk aan financiële regelingen. Er zijn wel wat ideeën rond landruil, maar daar zijn we nog niet uit. Het kan wel dat die afgelegen woningen op termijn minder waard worden door de hoge kosten en de slechte connecties.’

Zijn rol is vooral adviserend, benadrukt Wieërs. Een Bouwmeester moet alle Vlaamse administraties en lokale overheden bijstaan op het vlak van architectuurkwaliteit. In zes maanden zag hij de geesten al rijpen, bij de overheid en zelfs bij de projectontwikkelaars. Dat sterkt hem in het idee dat het niet te laat is, ook al wordt al decennia gezegd dat Vlaanderen te vol is. ‘Het besef is doorgedrongen van de specialisten dertig jaar geleden naar het hele beleid. De hele Vlaamse regering is ervan overtuigd. Ook daar weet iedereen wat moet gebeuren.’

©SISKA VANDECASTEELE

Om echt tot veranderingen te komen moeten politici wel onpopulaire beslissingen nemen. Keer op keer trekken ze zich terug achter het gebrek aan draagvlak. De weerstand is ook groot bij delen van de bevolking. Kijk naar de lancering van de mobiscore in 2019, meteen gedrenkt in controverse. ‘Toen is te snel gesuggereerd er beleid aan te koppelen door mensen met laag scorende huizen fiscaal te bestraffen. Dan is het niet verwonderlijk dat mensen schrik hebben dat hen iets zal worden afgenomen. Maar we leven in een tijd waarin iedereen rap op zijn paard zit. Over alles ontstaan direct twee kampen.’

Ik vind het niet echt zo’n probleem dat mensen hun eigen ding in elkaar timmeren.

Het probleem is voor Wieërs tweeledig. ‘We zien wonen als een particulier probleem in plaats van een collectief, en als een verdienmodel. In Zwitserland zijn er coöperaties waarbij je een aandeel koopt in een gebouw en in ruil krijg je een woning. Op termijn, als de kinderen het huis uit zijn, kan je dat inruilen voor een kleinere woning. Het gebouw en de grond blijven eigendom van de coöperaties. Dus je haalt de grondspeculatie eruit. Vandaag is op sommige plaatsen een woning op die manier al goedkoper dan op de gewone markt.’

Wieërs is zelf een kind van de verkaveling. Hij groeide op in een villa in Hove, in de zuidrand van Antwerpen. Hij werd stedeling toen hij architectuur ging studeren. Daarna volgde een opleiding filosofie. ‘Wat ik theoretisch had meegekregen, vond ik wat mager. Ik had altijd het gevoel dat ik niet echt wist hoe de dingen in elkaar zaten. En een beschouwende blik helpt dingen te relativeren. Als iedereen alles te ernstig neemt, lukt dat niet.’

©SISKA VANDECASTEELE

Hij verslond Nietzsche, Heidegger, Kant en andere denkers die ‘honderden jaren geleden al zeiden wat jij nu vindt’. Het vormde ook zijn visie op architectuur. ‘Hoe kan je door een gebouw te ontwerpen het een betekenis geven die het doel overstijgt? Hoe geef je grotere projecten een sociale dimensie? Tegen een burgemeester die een nieuwe bibliotheek plant, zeg ik: ‘Wat hebben mensen eraan die geen boeken lezen?’ Dat is een cruciale vraag. En het antwoord kan niet zijn: niets.’

Architectuur vanuit het ego, om een naam achter te laten, begrijpt Wieërs niet. ‘Het is een fout idee om als architect een herkenbare stijl te hebben. Dan ben je meer met jezelf bezig dan met architectuur. Bij de beste bureaus is elk gebouw anders. Omdat ze bij elke opdracht opnieuw denken: wat is de vraag? Ik hou er ook niet van als mensen op zoek gaan naar hip of hedendaags. Onlangs zaten we in een jury voor een opdracht, en een schepen vond geen van de voorstellen vernieuwend genoeg. Wat is dat nu voor een criterium: vernieuwend? Daar dient architectuur niet voor. Je moet iets bouwen voor mensen die het moeten gebruiken.’

Er wordt veel aan zijn mouw getrokken om na te denken over de impact van de pandemie op hoe we gaan wonen. Hij zegt er nog niet uit te zijn of corona wel een schokeffect zal hebben. ‘Het zou zomaar eens kunnen dat iedereen over twee jaar weer in de file staat en dat de prijzen voor vrijstaande huizen nog blijven stijgen.’

Als één ding is scherpgesteld, dan wel dat we nood hebben aan sociaal contact in de collectieve ruimte. ‘Het klinkt nu dat de villa met tuin weer aantrekkelijk is geworden, maar is het probleem andersom. Je moet er voor zorgen dat in de stad meer collectieve ruimte ontstaat. Daar hebben mensen recht op. Ruimte waar je mensen kan ontmoeten die je kent, zoals vroeger in een dorp.’

Het collectieve is een stokpaardje van Wieërs, die met zijn tweede vrouw en tienerdochter in een cohousingproject in Antwerpen-Noord woont. ‘Heel Vlaanderen is opgedeeld in privaat en publiek. Iets tussenin kennen we niet. Waar ik woon, wordt alleen de tuin gedeeld. Er is geen privacyprobleem. En er zijn geen verplichtingen, ik moet niet elke donderdag voor iedereen koken of zo. Maar het gedeelde geeft buurtschap, iets tussen een intieme en een neutrale relatie. En dat heb je volgens mij nodig om je goed te voelen.’

Is dat het model voor de toekomst? ‘Het kan in elk geval een oplossing zijn. Maar Vlaanderen heeft daar ongelooflijk veel schrik van. Iedereen denkt: collectief wonen, dat is iets voor hippies, dan ga ik inboeten op mijn privacy. Als je mensen in een verkaveling vraagt waarom ze ergens graag wonen, is het precies vanwege het buurtgevoel. Maar juist die kwaliteiten worden niet ruimtelijk georganiseerd. De manier waarop je elkaar ontmoet of samenleeft, heeft met een ruimtelijke lay-out te maken. Je kan met architectuur die ontmoeting stimuleren en dat samenleven bevorderen.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie