Philippe Blondin: ‘Ik werd immuun voor tegenslagen'

Philippe Blondin, voorzitter van het Joods Museum in Brussel. ©Dieter Telemans

Hij keek de verdachten van de aanslag op ‘zijn’ Joods Museum in de ogen en zo zal hij het proces volgen. Zijn vertrouwen in de mens behoudt hij. Ontbijt met De Tijd.

‘C’est plus ou moins sa cantine’, glimlacht Chouna Lomponda, de communicatieverantwoordelijke van het Joods Museum. Samen wachten we bij Wittamer op de Zavel in Brussel op Philippe Blondin. Aan de muur bij de trap naar de verbruikszaal van de prestigieuze patissier hangt nog geen foto van hem met de bakkers - paus Johannes-Paulus II hangt er wel - maar de voorzitter van het Joods Museum is een graag geziene gast. Hij bestelt ‘mon thé habituel’ en krijgt earl grey. Van het dienblad met viennoiserie neemt hij een ‘tortillon’, een gevlochten lekkernij.

Ontbijt met De Tijd

Brussel, 10 uur, bij Wittamer.

Met Philippe Blondin praten we over het Joods Museum, kind zijn in de oorlog en viool leren spelen op je zestigste.

Het is stil op woensdagochtend. Reserveren was niet nodig. Uit de papieren onder zijn arm haalt Blondin een eenzijdig bedrukt A4’tje. Het is een persbericht naar aanleiding van de start van het proces tegen Mehdi Nemmouche en Nacer Bendrer, die terechtstaan voor de aanslag op het Joods Museum op 24 mei 2014. Er vielen vier doden: de Israëlische toeristen Myriam en Emmanuel Riva en de medewerkers Alexandre Strens en Dominique Sabrier. We lezen: ‘C’est un musée ému et déterminé qui reste debout en mémoire de nos disparus.’

Eind december werd de lijst met getuigen samengesteld, maandag de jury, donderdag begon het proces echt. ‘Bij die jury was het soms grappig’, zegt Blondin. ‘Iemand zei: ‘Ik versta u niet, mevrouw de voorzitter, want ik ben doof.’ En ik geloof ook echt dat die doof was. (lacht) Ik wilde erbij zijn ter ere van de slachtoffers. Het is een proces dat in de annalen van de geschiedenis komt, want het is het eerste tegen iemand van IS.’

Desinformatie

De feiten zijn bekend en gezien, want gefilmd door beveiligingscamera’s en zomaar op YouTube te bekijken. Maar maandag liet de advocaat Sébastien Courtoy, die samen met Henri Laquay de beschuldigden verdedigt, optekenen dat Nemmouche onschuldig is. ‘We hebben harde DNA-bewijzen’, zei Courtoy.

Blondin zucht: ‘Die twee advocaten zijn specialisten van de desinformatie. Laquay was ooit lid van het Front National. En Courtoy was advocaat van Laurent Louis (gewezen Waals Parlementslid dat aangeklaagd werd voor antisemitische uitspraken en in het parlement toenmalig premier Di Rupo aansprak als ‘Monsieur le pédophile’, red.). Ze kregen allebei een Quenelle d’Or van de Franse komiek Dieudonné. Deze advocaten willen de maatschappij ontwrichten. Het zal wel de rol zijn van een advocaat om zoiets te zeggen en daarin zie ik ook de schoonheid van het gerecht. Iedereen krijgt het woord. Maar volgens onze advocaat is de kans dat Nemmouche ontsnapt aan zijn straf miniem. On verra. Het onderzoek werd grondig gevoerd en het verslag van 185 bladzijden is zeer goed geschreven en leest als een politieroman.’

In december zag Blondin Nemmouche voor het eerst echt. ‘Hij maakt een ontspannen indruk, het leek hem weinig uit te maken, hij kon zelfs lachen. Je ziet dat hij een intelligente man is. Hij citeert verhalen uit de geschiedenis, het is geen imbeciel of een instinctieve moordenaar. En dat is zorgwekkend, want hij koos het Joods Museum bewust uit. Onze advocaat pleit dat hij België viseerde, omdat ons land in de coalitie tegen IS vocht. En het museum, omdat wij volgens hem mensen zijn die niet in ‘zijn’ Allah geloven en dus het recht hebben geëxecuteerd te worden. Voor die mensen moeten we terug naar het tijdperk van de woestijn.’

Dit museum wil kunst en cultuur promoten, maar ook de geschiedenis niet vergeten.

Blondin drinkt van zijn thee, van zijn tortillon neemt hij niet meer dan twee happen. Er is te veel uit te leggen. Met een volle mond mag je niet praten, leerde ook mijnheer Blondin.

In 2014, net voor de heropening van het Joods Museum, en toen bij de ingang nog de inslag van een kogel te zien was, spraken we elkaar. Toen wees hij er al op dat de dader niet alleen een Joods koppel doodde. Maar ook mevrouw Sabrier, die niet gelovig was. En baliemedewerker Alexandre, die Marokkaanse roots had en dus moslim was. Net als verdachte Nemmouche. ‘Een dag eerder was hij op verkenning gekomen en had hij met Alexandre gepraat. Hij wist dat dus. Voor hem was Alexandre een onverlaat omdat hij als moslim bij Joden werkte. Koelbloedig heeft hij hem twee kogels door het hoofd gejaagd.’

Het Joods Museum werd zo’n dertig jaar geleden door de Brusselse baron Georges Schnek opgericht. Het doel was archieven te verzamelen over de Joodse gemeenschap in dit land en herinneringen te bewaren. Een van de oudste stukken is een grafsteen uit 1250 uit Tienen van de Joodse mevrouw Rebecca. ‘Toen al was hier dus een Joodse gemeenschap. Die sporen willen we bewaren. Maar wel met een open geest. Enkele jaren geleden exposeerden we foto’s van Henri Cartier-Bresson, die helemaal geen Jood was. Vorig jaar liep een tentoonstelling rond Amy Winehouse. We brachten ‘Bruxelles: Terre d’Acceuil?’, over de 180 nationaliteiten in deze stad.’

‘Dit museum wil kunst en cultuur promoten, maar ook de geschiedenis niet vergeten. We hebben het register van de Joodse gemeenschap in Brussel uit 1940, we hebben archieven van Joodse families die de geschiedenis van België hebben bepaald. Denk aan de familie Lambert (van de Bank Brussel Lambert, die later opging in ING, red.), de familie Errera, de families Löwenstein...’

Oorlog

Hij noemt die namen, zelf heeft de gepensioneerde ‘ingénieur commercial’ Oekraïens-Franse roots. Zijn grootmoeder heette Berditcheff, de vaderlijke stamboom Blondin - zijn originele naam - groeide in Bordeaux. In 1920 streek vader Blondin in Brussel neer. ‘Maar toen ik vier was, brak de oorlog uit en vluchtten we naar Frankrijk. Mijn grootouders hadden een appartement in Nice. Daar bleven we een tijdje, maar later reisden we door het land op de vlucht voor de Duitsers.’

‘In 1942 woonden we in Malemort, een dorpje tussen Tulle en Brive-la-Gaillarde. Ik was zes en op school leerde ik ‘Maréchal, nous voilà!’, het officieuze volkslied van collaborerend Frankrijk, zingen. En in 1944 kwam in ons straatje met amper vier huizen de Divisie Das Reich aankloppen om soldaten te laten logeren. Met onze naam Blondin vielen we als Joden niet op, maar mijn moeder was eigenlijk een Berlijnse en antwoordde: ‘Wir haben keine Zimmer.’ Gelukkig kon mijn grootmoeder die soldaten overtuigen dat mijn moeder maar toevallig wat Duits kon.’

Pas toen een jongen op school 'sale Juif' naar me riep, besefte ik dat ik Joods was.

Plots zegt hij dit: ‘Ik ben een beetje immuun geworden voor tegenslagen.’ De oorlog, de vlucht, de angst, de klank van de laarzen van Duitse soldaten tekenden het kind van vier toen de oorlog begon en negen toen die eindigde. Het is niet voor te stellen. ‘Die soldaten van Das Reich richtten het bloedbad in Oradour-sur-Glane aan.’ Op 10 juni 1944 werden in dat dorp 642 mensen vermoord. ‘Ik draag de geschiedenis. Al kwam ik na de oorlog op een katholieke school in Brussel terecht en kwam ik uit een milieu laïque: we waren met vier kinderen en over onze Joodse identiteit spraken onze ouders niet. Ik was me er amper van bewust. Pas toen een jongen op school, de broer van een later bekende autocoureur, sale Juif naar me riep, besefte ik het. (lacht) Ik verkocht hem een slag op zijn gezicht en brak zo zijn neus. De prefect eiste excuses, maar ik weigerde.’

Aan de universiteit haalde Blondin een ingenieursdiploma en na de medische tests in het Klein Kasteeltje zag een legermajoor in hem een ideale officier. ‘Ik had een IQ van 140. Maar ik wilde niet commanderen. Ik wilde voelen hoe het is om gecommandeerd te worden. Die man was razend en stuurde me als ‘straf’ naar een kazerne in Duitsland. Dat maakte me niets uit en het was ook na de oorlog geen trauma. In die tijd waren veel jongens nog analfabeet, ik organiseerde lees- en schrijflessen en museumbezoeken in heel Duitsland. Ging fantastisch. (lacht) Alleen die keer dat we een wijndomein in Rüdesheim bezochten, was niemand op het afgesproken uur terug aan de bus.’

Nu is hij 82. Blondin maakte carrière bij onder meer het accountantskantoor dat destijds Arthur Andersen heette, en als ondernemer en bestuurder in onder meer de schoenen- en de diamantbusiness. Sinds 2012 is hij voorzitter van het Joods Museum, dat twee jaar later die vier dode mensen moest betreuren. Ayeled en Shira, de twee tienerdochters van het Israëlische koppel, werden in de familie opgevangen en hervatten het leven. Ook de familie van Alexandre Strens en Dominique Sabrier moest vooruit.

Helaas lees je dat niet in de kranten. Maar geloof me: er is nog veel warmte.

Kon Blondin makkelijk vooruitkijken? Levend in dit land, in dit Europa, in deze wereld? Allemaal harder, vaak rechtser, populistischer, zelfs met leiders die door de Israëlische premier Benjamin Netanyahu worden ontvangen. Sommigen spreken van de terugkeer van de jaren dertig. ‘Daar geloof ik niet in. Toen had je dictators als Stalin en Hitler, vandaag leven we in democratieën met algemeen aanvaarde waarden.’

‘Natuurlijk zie ik wat in Hongarije, Italië en andere landen gebeurt. Er is Donald Trump, een vreselijke man. Maar ik heb vertrouwen in de mensheid en ik geloof dat de bevolking intelligent genoeg is om dat niet toe te laten. Bovendien hebben we Europa, waar we zeventig jaar vrede aan danken. Ik heb dus geen schrik. Ik ben optimist. Je móét wel. Ook voor onze gemeenschap. Samen met de Marokkaanse gemeenschap vierden we het einde van de ramadan. We moesten mensen weigeren, zoveel belangstelling was er. Het museum is een brug tussen culturen. Helaas lees je dat dan weer niet in de kranten, maar geloof me: er is nog veel warmte.’

De tortillon raakt niet op. Met de koffiechocolaatjes in zijn tas haast Blondin zich kwiek naar zijn museum in een zijstraat van de Zavel. In zijn beide oren zit een hoorapparaatje, maar hij is net terug van een skivakantie in Crans-Montana, speelt nog tennis en gaat straks wat viool spelen. ‘Heb ik geleerd toen ik zestig was. (lacht) Zie je wel dat je altijd optimist moet zijn.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content