column

Nieuw blik in de file

De Rekenmeester brengt dagelijks het echte verhaal achter de cijfers.

Nergens in Europa is de dagelijkse file een mooiere showroom dan in België. In de ochtendspits op de E19, E314, E40 of E17 zitten de best gehumeurde forensen ondertussen in een bolide met een kenteken dat begint met ‘1-P’: een kakelvers ingeschreven auto. Ze zijn allesbehalve een uitzondering. Het Belgische wagenpark is het jongste van Europa.

Dat bleek ook gisteren weer uit de jaarlijkse röntgenfoto die de federale overheidsdienst Economie van het Belgische wagenpark maakt. Van de 5,28 miljoen personenwagens die in ons land rondrijden (en dat zijn er meer dan ooit), zijn er ruim 2 miljoen jonger dan vijf jaar. 36 procent van de auto’s is van na 2011.

Als je ook nog eens het half miljoen oldtimers niet meetelt bij het regelmatig rijdende wagenpark, zijn de jonge auto’s zelfs goed voor 43 procent van al het blik dat er in ons land rondrijdt.

Daarmee zijn we een uitzondering in Europa, blijkt uit een blik op de cijfers van de Europese autofederatie ACEA. Nergens is het aandeel jonge auto’s hoger dan in België. Tegenover de Belgische 36 procent komen recente auto’s in Nederland net aan een aandeel van 29 procent. In Frankrijk is het amper een kwart. Zelfs een autominnend land als Duitsland komt niet aan 30 procent.

Dat is in de eerste plaats een gevolg van de autoverslaving van de Belg. Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog kon de auto hier altijd van allerlei gunstregimes profiteren. Die in vergelijking met andere Europese landen soepele fiscale behandeling was voor een deel te danken aan de grootschalige aanwezigheid van de autoindustrie.

Tot in de jaren negentig was België per hoofd van de bevolking de grootste autoproducent van Europa. Maar de meeste autofabrieken hebben ondertussen hun deuren gesloten. Renault, Opel en Ford zijn weg, alleen Volvo en Audi blijven over.

Dat auto’s desondanks fiscaal zo gunstig behandeld worden, is te ‘danken’ aan de hoge loonkosten en de manieren die werkgevers zoeken om hun werknemers een aanzienlijke loonsverhoging te geven die niet grotendeels wordt wegbelast. Die oplossing heet heel vaak ‘bedrijfswagen’. Zo’n auto is voor bedrijven doorgaans voor minstens 75 procent aftrekbaar en de werknemer heeft een 100 procentvoordeel in de vorm van een auto.

Bedrijfswagens zijn steeds vaker leaseauto’s die na drie tot vijf jaar aan vervanging toe zijn. Dat is niet omdat het zo leuk is regelmatig een nieuwe auto uit te zoeken, maar omdat auto’s na een bepaald aantal kilometers of jaren ineens stukken duurder worden in onderhoud.

Met de introductie van de cafetaria-cao’s bij enkele grote bedrijven, zoals de bank BNP Paribas Fortis en de staalgigant ArcelorMittal, kiezen steeds meer mensen voor het gemak en het voordeel van de bedrijfswagen. De federale regering heeft plechtig beloofd in ieder geval deze regeerperiode niet aan het gunstregime voor bedrijfswagens te raken. De rush houdt dus waarschijnlijk nog minstens anderhalf jaar aan.

En zo blijft de Vlaamse ochtendspits nog een tijdje de mooiste showroom van Europa.

Lees verder

Gesponsorde inhoud