Kunst na 11 september: van huurauto's tot Prozac

(tijd) - De gerenommeerde Duitse operacomponist Karlheinz Stockhausen omschreef de instortende WTC-torens als 'Lucifers grootste kunstwerk' en haalde zich daarmee de banvloek van de Amerikaanse goegemeente op de hals. Rock-'n-roll-veteraan Bruce Springsteen componeerde met 'The Rising' dan weer een cd vol odes aan de WTC-slachtoffers en zag zich tot zijn eigen verbazing prompt weer in de armen gesloten als Amerika's verloren zoon. 11 september had en heeft ook op de Amerikaanse kunstwereld een grote impact.

De spontane creativiteitsdrift van de Amerikaanse burgers staat in schril contrast met dat van hun New Yorkse gezagsdragers, die er volgende week woensdag vooral het zwijgen toe zullen doen. Noch burgemeester Michael Bloomberg noch gouverneur Pataki acht het opportuun op die dag met een speech van eigen makelij naar buiten te treden. In de Amerikaanse kunstwereld is de behoefte om naar buiten te treden des te groter.

De Amerikaanse museumindustrie grijpt de verjaardag van 11 september aan om met een project naar buiten te treden. In januari kwamen de conservatoren van zo'n veertig Amerikaanse musea in Chicago bijeen voor een brainstormsessie over het koepelproject 'America's freedoms: a day of remembrance'. Alle deelnemers verbonden zich ertoe op 11 september 2002 de WTC-ramp centraal te stellen in hun galerijen. Robert Martin, directeur van het Federaal Instituut voor Museum en Bibliotheek Diensten uit Washington dat de Chicago-bijeenkomst organiseerde, legt uit: 'Het idee was niet om een kant-en-klaar, op maat gesneden 'je moet deze richtlijnen volgen'- programma op te stellen. De musea hebben zelf al het werk gedaan en wij hebben op geen enkele manier financiële steun verleend'.

Het resultaat is dat de exposities rond 'America's Freedoms' even verscheiden als verrassend origineel zijn. Zo zal het Charlotte Museum van Geschiedenis in Noord-Carolina op 11 september om het uur de Amerikaanse vrijheidsklok luiden en biedt het Nationaal Museum voor Amerikaanse Geschiedenis in Washington een tentoonstelling aan met artefacten van vliegtuigcrash-sites. In de Santa Barbara Forumgalerij voor Hedendaagse Kust wordt op 11 september dan weer heel de dag voorgelezen uit 'Portraits of Grief', de in-memoriamteksten voor de WTC-slachtoffers die door de New York Times werden gebundeld. In de New Yorkse musea zelf zullen op 11 september vooral fototentoonstellingen te zien zijn met foto's van de aanvallen, maar eveneens van de geschiedenis van het WTC.

Toch kan het ongebreidelde enthousiasme voor het project niet verhelen dat 11 september erg diepe financiële wonden heeft geslagen in de Amerikaanse museumindustrie. Verschillende musea zagen zich de afgelopen twaalf maanden genoodzaakt personeel te ontslaan, bezoekuren in te krimpen, grootschalige, dure exposities uit te stellen en zelfs galerijen tijdelijk te sluiten. Vooral de New Yorkse musea bevinden zich nog altijd in financiële ademnood, te meer nu burgemeester Bloomberg de museumsubsidies met zo'n 5 procent heeft teruggeschroefd.

Misschien dat de New Yorkse galerijen eens moeten aankloppen bij James Glynn, een handelaar in tweedehandse auto's uit Pompano Beach, Florida. Die haalde begin april de wereldpers toen bekend raakte dat hij in het bezit was van de twee huurwagens waarmee Mohammed Atta, een van de vliegtuigkapers, in de laatste week voor de aanvallen rondreed. Glynn is er echter geenszins op uit munt te slaan uit dit fetisj-object. In een interview met de National Post stelde hij: 'Iemand heeft mij een bod gedaan van 100.000 dollar. Hij wou met de wagen door het platteland paraderen en de mensen 50 dollar aanrekenen om de wagen met een hamer toe takelen. Zoiets interesseert me niet. Ik wil dat deze auto's bewaard worden in een museum. Deze wagens moeten worden tentoongesteld zodat binnen honderd jaar onze kinderen kunnen begrijpen hoe onze maatschappij open genoeg was om dit soort mensen binnen te laten, hen een auto te laten huren, hen naar een vliegschool te laten gaan, hen tussen ons te laten wonen en hen dan vervolgens vliegtuigen te laten crashen en duizenden mensen te doden'.

Ook de uitgeverswereld deelt in de klappen van 11 september. Er is opvallend minder geld voor handen om boeken te promoten en uitgeverijen lijken ook minder snel geneigd hun geld te investeren in het werk van debutanten. Een van de weinige genres die het al die tijd wel erg goed is blijven doen, is de stationsroman. De stroperige, zeemzoete romantiek waar dit genre in grossiert, biedt volgens haar beoefenaars een 'helende balsem' voor de harde, meedogenloze buitenwereld waar we sinds 11 september mee geconfronteerd zijn geworden. De Amerikaanse schrijfster Suzanne Brockman combineert in haar stationsromans de spionage-intriges van Tom Clancy met de keukenromantiek van Konsalik en heeft daar sinds 11 september meer dan ooit een erg ruim publiek voor gevonden. Zelf verklaart ze haar succes als volgt: 'Ik bied de mensen een ontsnapping aan, maar de mensen sturen mij evenzeer kaartjes met 'Dank je om boeken te schrijven waarin terroristen hun welverdiende loon krijgen'. Volgens Brockman hebben auteurs van stationsromans zelfs een erg belangrijke rol te vervullen. Tijdens een recente conferentie over het genre stelde ze: 'Onze boeken, die vaak genegeerd worden en geregeld het onderwerp vormen van spot, zorgen voor licht en liefde in een wereld die veel te veel duisternis bevat. Ik denk niet dat er ooit een tijd was waarin ik mij trotser voelde als schrijfster van stationsromans dan het afgelopen jaar.'

Een ander boek dat je nu als een '11-september-bestseller' in wording kan bestempelen, is de onlangs verschenen roman 'Zanzibar' van de Britse auteur Giles Foden. In die thriller figureert een nevenpersonage wiens psyche iedereen wel eens van naderbij zou willen bekijken: Osama bin Laden. Foden bevond zich in 1998 in Zanzibar toen op nog geen twintig minuten vliegen de Amerikaanse ambassade door Al Qaeda-troepen werd opgeblazen. Meteen waren de fundamenten gelegd voor Fodens nieuwste roman. Met 'Zanzibar' heeft de Britse auteur naar eigen zeggen getracht een 'eigentijdse historische roman' te componeren: 'De afstand tussen een historisch gebeuren en zijn verwerking in de literatuur wordt kleiner. Ik denk dat 11 september nu al de status heeft van een historisch gebeuren, eerder dan dat van nieuws'.

In de hogere literaire echelons wordt met meer dan zomaar een beetje afgunst toegekeken op de 11-septemberbedrijvigheid van de zogenaamd lagere literaire genres, die hen qua invalshoeken en verbeeldingskracht ruimschoots de loef afsteekt. Zeker, er is best wel wat deftig proza en poëzie over 11 september geproduceerd. Zo waren er de gedichten van Robert Pinsky en was er de treurzang 'The dead of September' van Toni Morrison, maar aan een echt beklijvend literair 11-septemberbetoog - genre 'J'accuse' - ontbreekt het vooralsnog. Die leemte heeft misschien, net zoals bij de New Yorkse politici, vooral te maken met de angst om gezichtsverlies te lijden. De literatoren die wel op de kansel gingen staan, zoals Salman Rushdie, Susan Sontag en de Franse filosoof Baudrillard, kregen immers stuk voor stuk het deksel op de neus voor hun controversiële stellingnames.

Dan valt er meer literaire moed te bespeuren bij jonge durf-als zoals de Playwrights Horizons Theater School, die op de jongste editie van het Edinburgh theaterfestival hun 'Project 9/11': Portraits in Shock' voorstelden. De zeven New Yorkse theaterstudenten werkten het afgelopen jaar elk aan een monoloog en kneedden die vervolgens tezamen tot een fragmentarisch maar opvallend gelijkgestemd geheel. 'Project 9/11' toont ons veel anekdotiek, gaande van een ruw onderbroken ontbijt tot ontwaken in een nachtmerrie, maar laat evenzeer de wanhopige uitlaatkleppen zien waarmee jonge mensen hun verdriet en ontzetting trachten te overstijgen.

Rockartiesten hebben van bij het begin een erg centrale plaats opgeëist in de nasleep van de WTC-tragedie. Zo was er het 'Concert for New York City' in Madison Square Garden, waar diverse artiesten zoals Paul McCartney, Bon Jovi en David Bowie geld bijeenzongen voor de slachtoffers van de Hudson-stad. Een jaar later vallen ook de eerste creatieve producten te beluisteren waarop artiesten met de WTC-tragedie in het reine trachten te komen. Het meest in het oog springende voorbeeld is verreweg Bruce Springsteens 'The Rising' waarop 11 september een wel erg centrale plaats inneemt. Springsteen begon deze cd naar eigen zeggen nadat hij bij het lezen van de in memoriams van de WTC-slachtoffers steeds weer zijn eigen naam had zien opduiken. Voor vele WTC-slachtoffers was hij klaarblijkelijk een grote bron van inspiratie geweest. Springsteen was hierdoor zo geëmotioneerd dat hij zelfs rechtstreeks contact opnam met een aantal nabestaanden. In de songs op 'The Rising' kruipt the Boss onder meer in de huid van een brandweerweduwe en brengt hij een erg mooie liefdesverklaring aan New York in 'My city of ruins'.

Ook de Ierse groep U2 werkt aan een cd die als titel 'The hands that built America' meekreeg en waarop, aldus frontman Bono, verschillende verwijzingen terug te vinden zijn naar 'een dag waarop onschuld stierf'. 11 september staat eveneens centraal op 'A rush of blood to the head' de jongste cd van de Britse groep Coldplay.

Over het effect van 11 september op de Amerikaanse filmindustrie is zo langzamerhand een hele bibliotheek volgeschreven, gaande van onheilstijdingen als zou de klassieke action-thriller voorgoed zijn afgeschreven, tot de misvatting dat de filmproducenten in Hollywood op zwart zaad zouden zitten sinds 11 september. De waarheid is dat de bioscoopkassa's rinkelen als nooit tevoren. De gemiddelde Amerikaan ervaart de bioscoopzaal sinds 11 september als een oord waar hij in gezelschap troost kan putten uit de intriges op het witte doek. Of die ondertoon van troost ook daadwerkelijk in de film zit besloten, doet er eigenlijk niet toe. Sinds 11 september lijkt zoiets een irrelevante vraag. Mark Lawson, een journalist voor de Britse krant The Guardian, heeft het wat dit betreft over de 'Prozac-rol' die het filmmedium voor veel Amerikanen vervult; die helende functie wordt klaarblijkelijk teruggevonden in de meest diverse films gaande van 'Stuart Little 2' tot de jongste filmhype, 'Signs'. En zo komen we bij de ietwat trieste maar al te ware slotsom van de huidige bedrijvigheid in de film- en muzieksector. Eén jaar na 11 september mag dan een mooie gelegenheid zijn voor bezinning en herdenking van de doden, voor de entertainmentindustrie betekent het eerst en vooral big business. Net zoals platenmaatschappijen of filmproducenten traditiegetrouw begin december de markt beginnen te bestoken met kerstsingles of de ideale familiefilm, zo gebruiken ze nu eenzelfde strategie voor de verjaardag van het WTC-drama. Dat doet uiteraard geen enkele afbreuk aan de artistieke waarde van Springsteen of U2, maar het zegt wel een en ander over de opportunistische ingesteldheid van de Amerikaanse entertainmentindustrie die geen enkele kans onbenut laat om de nationale geestesgesteldheid van ontreddering in harde munten om te zetten.

Birger VANWESENBEECK

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud