De zoektocht naar campagnegeld

Het Amerikaanse bedrijfsleven is een belangrijke sponsor van de steeds duurdere presidents- en Congresverkiezingen. Bedrijven proberen via een politiek actiecomité zoveel mogelijk geld bij het personeel te ronselen voor bedrijfsvriendelijke politici. De impact is reëel, ondanks de goede bedoelingen om de invloed van geld op de Amerikaanse politiek te verminderen.

(tijd) - Telkens wanneer Norman Hsu gasten ontving in zijn loft in de New Yorkse wijk Soho, pronkte hij met zijn door Bill Clinton gesigneerde saxofoon. De zelfverklaarde kledingmagnaat had de saxofoon ooit tijdens een benefietavond gekocht voor 26.000 dollar. Hsu stond dan ook bekend om zijn vrijgevigheid, vooral richting Democratische politici. In drie jaar tijd schonk deze immigrant uit Hongkong 2 miljoen dollar aan allerhande Democraten. Een groot deel daarvan kwam van zijn eigen bankrekening, maar het meeste geld had hij als zogenaamde ‘bundler’ geronseld bij rijke zakenrelaties, vrienden en familie. Het maakte van Hsu op korte tijd een ster bij de Democratische partij.

Tot het sprookje deze zomer eindigde met zijn arrestatie. De schimmige zakenman bleek al jarenlang voortvluchtig te zijn voor een fraudezaak uit 1992. Intussen zou Hsu voor minstens 60 miljoen dollar investeerders hebben opgelicht, deels dankzij de respectabiliteit die hij met zijn politieke connecties had gekocht. Gegeneerde Democratische politici als Hillary Clinton haastten zich om zich van zijn geld te ontdoen.


Ook Fox News bericht uitgebreid over het verkiezingsschandaal rond Norman Hsu

 

Achterpoortje

Het verhaal van Hsu - dat uitgebreide mediaaandacht kreeg in de VS - is een pijnlijke illustratie van een van de neveneffecten van de McCain- Feingold-wet. Die wet uit 2002 moest de buitensporige invloed van geld op de Amerikaanse politiek inperken. Dat gebeurde door ‘soft money’- bijdragen te verbieden.

Volgens een achterpoortje uit een eerdere financieringswet konden bedrijven, vakbonden en rijke individuen onbeperkte bijdragen storten in de koffers van de politieke partijen. Wat ze ook massaal deden. Voortaan mogen partijen en kandidaten enkel nog gelimiteerde bijdragen ontvangen van individuen en politieke actiecomités (PAC). Die PAC’s worden door bedrijven of vakbonden opgericht om geld bij hun personeel of leden te verzamelen.

Steeds duurder

Ondanks de beperkingen van McCain-Feingold rijzen de kosten van Amerikaanse verkiezingen steeds verder de pan uit. Aan de presidentsen Congresverkiezingen van november 2008 zou naar schatting 6 miljard dollar gespendeerd worden, tegenover 4,8 miljard in 2004. Dankzij nieuwe technieken en achterpoortjes wordt dat geld ook vlot gevonden. Zo zijn bundlers als Hsu belangrijke fondsenwervers geworden voor presidentskandidaten. Omdat bijdragen voortaan beperkt zijn tot 2.300 dollar per persoon (zowel voor de voorverkiezingen als de algemene verkiezing, dus 4.600 dollar in totaal), proberen bundlers zoveel mogelijk cheques te verzamelen voor hun kandidaat.

Politici moedigen dat aan door eretitels uit te delen aan bundlers die bepaalde bedragen hebben opgehaald. Met de screening van bundlers - doorgaans rijke zakenlui - loopt het soms echter fout, zoals Hsu duidelijk maakte. Bovendien zijn politici niet verplicht de identiteit van hun bundlers bekend te maken, met een gebrekkige transparantie tot gevolg.

Bedrijfsleven

Ook bedrijven zijn heel actief in de financiering van campagnes. Ondernemingen mogen geen eigen geld gebruiken, maar kunnen via een PAC wel geld ophalen bij het personeel. Al is er opnieuw een achterpoortje: de nationale conventies van beide partijen - waar ze hun presidentskandidaat officieel aanduiden - worden grotendeels door bedrijven gesponsord. In 2004 bedroeg het kostenplaatje 142 miljoen dollar.

Bedrijven leggen hun eieren niet in één mand maar steunen soms tientallen kandidaten op verschillende niveaus, met een beperking van 5.000 dollar per kandidaat. Ook politici van de partij die niet aan de macht is, mogen nog op steun rekenen, omdat hun stem nodig kan zijn om een meerderheid te halen voor beslissingen die het bedrijf aanbelangen.

Verschillende bedrijven en sectoren geven nu meer financiële steun aan de Democraten dan aan de Republikeinen, terwijl die laatsten toch traditioneel de partij van het bedrijfsleven zijn. Dat geldt onder andere voor de gezondheidssector, die sinds 1994 de Republikeinen bevoordeelde. Nochtans beloven de Democraten nu maatregelen die negatief zijn voor farmabedrijven en ziekteverzekeraars.

De sector beseft echter dat hervormingen onvermijdelijk zijn en hoopt via zijn financiële gulheid een stem in het debat te krijgen. Andere typisch Republikeins gezinde sectoren die nu de meerderheid van hun geld in Democratische koffers storten, zijn defensie en de financiële en verzekeringssector. De tabaksindustrie, de bouw-, transport- en energiesector blijven wel trouw aan de Republikeinse partij, leren cijfers van het Center for Responsive Politics.

Filmindustrie

Ook de Democraten hebben hun eigen sectoren, die nu nog meer dan anders in de Democratische partij investeren. Het gaat onder andere om de advocaten, de muziek- en filmindustrie en de hedge funds. De grootste sponsor van de Democraten zijn echter de vakbonden, die sinds 1990 92 procent van hun bijdragen naar de partij stuurden. Vakbonden zijn machtige financiers. In de top tien van grootste politieke donoren sinds 1989 staan zes vakbonden. De enige twee bedrijven in die top tien zijn telecombedrijf AT&T (ruim 38,4 miljoen dollar, sinds 1996 een Republikeinse voorkeur) en zakenbank Goldman Sachs (27,2 miljoen dollar, Democratisch).

Laatste redmiddel

Het allerlaatste redmiddel voor geldhongerige politieke partijen is de rekrutering van rijke kandidaten die hun eigen campagne kunnen financieren. Vooral de Republikeinen zijn sinds hun terugval in de fondsenwerving wanhopig op zoek naar dergelijke kandidaten. Vaak zijn dat ondernemers met weinig of geen politieke ervaring. De resultaten zijn teleurstellend. In 2006 wonnen slechts twee van de tien kandidaten die het meeste eigen geld in hun campagne hadden gestopt, een zetel in het Huis van Afgevaardigden, onder wie David McSweeny. Blijkbaar is geld dan toch niet alles in de Amerikaanse politiek. Kris van Hamme

Om geld op te halen voor zijn vrouw Hillary, verschijnt Bill Clinton in verschillende spotjes

De Republikeinse kandidaat Rudolph Giuliani voert dan weer op geheel eigen manier campagne

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud