analyse

Met barbaren als bondgenoot

©Bloomberg

Private-equityfirma’s, in een niet zo ver verleden beschimpt en gevreesd, hebben zich de voorbije jaren een respectabeler imago aangemeten. Ze zijn een aantrekkelijke bondgenoot voor ambitieuze bedrijven.

Mathias Döpfner, de topman van het Duitse mediaconcern Axel Springer, heeft samen met de grootste aandeelhouder, Friede Springer, aangeklopt bij de Amerikaanse investeringsmaatschappij KKR om het bedrijf van de beurs te halen. Axel Springer geeft het populaire Bild uit, de meest verkochte krant in Duitsland. Het heeft ook de kwaliteitskrant Die Welt in portefeuille, bezit de nieuwswebsites Politico.eu en Business Insider, en runt een hoop advertentiewebsites, waaronder het Belgische Immoweb.

Döpfner hoopt met de steun van KKR een versnelde omslag naar het digitale tijdperk te kunnen maken. De topman van Axel Springer heeft zijn zinnen gezet op de zoekertjesdivisie van de veilingsite eBay, wordt verteld. Daar hangt een prijskaartje van 10 miljard dollar aan. Dat is een ferme brok voor een bedrijf dat zelf maar 6,7 miljard euro waard is. Met de financiële steun van KKR wordt het een realistisch overnamedoelwit.

Kwalijke reputatie

Het Amerikaanse investeringsfonds KKR - voluit Kohlberg Kravis Roberts - werkte zich in de kijker met zijn agressieve bod op de Amerikaanse voedings- en tabaksgigant RJR Nabisco in 1988. Dat bezorgde KKR en de hele private-equitysector (investeerders in niet-beursgenoteerde bedrijven) een kwalijke reputatie. Dat werd nog versterkt door het boek, een bestseller, dat over de overnamestrijd werd geschreven: ‘Barbarians at the Gate’.

Private-equity-investeerders kregen het beeld opgeplakt van koele, nietsontziende geldbeluste lui.

De barbaren, dat was KKR. Private-equity-investeerders kregen het beeld opgeplakt van koele, nietsontziende geldbeluste lui die zich met agressieve financieringstechnieken meester maakten van mooie gevestigde bedrijven en die vervolgens uitpersten, zonder compassie voor het personeel en andere stakeholders, en zonder respect voor de geschiedenis van het bedrijf. Die reputatie kregen de private-equityfirma’s lange tijd moeilijk van zich afgeschud.

Vandaag is de perceptie gekeerd. Private-equityfirma’s, nu meestal ‘investeringsmaatschappijen’ genoemd, zijn respectabel geworden. Omdat ze hun agressieve aanpak grotendeels hebben laten vallen, omdat ze een antwoord hebben op de specifieke financieringsbehoeften van sommige bedrijven, en omdat ze een aardig palmares kunnen voorleggen.

Bye bye beurs

Er zijn ondernemingen die dankzij de inbreng - financiële en andere - van private-equitymaatschappijen een flinke stap vooruit hebben kunnen zetten in hun groei of een succesvol transformatieproces hebben ondergaan. Bpost bijvoorbeeld heeft heel wat baat gehad bij de passage van de investeringsmaatschappij CVC als aandeelhouder. Ook het Gentse webhostingbedrijf Combell steunt voor zijn groei voor een stuk op het partnerschap met een investeringsmaatschappij, eerst het Nederlandse Waterland, nu het Britse/Duitse Hg. Combell is vandaag een eenhoorn, een jong techbedrijf dat op meer dan 1 miljard euro of dollar wordt gewaardeerd.

In het voordeel van de investeringsmaatschappijen speelt dat de voorbije jaren is gebleken dat de beurs als bron van kapitaal voor ondernemingen ongemakken meebrengt. Er zijn de strengere regels voor deugdelijk bestuur en er zijn zware informatie- en transparantieverplichtingen. En er is de terreur van de aandelenkoers. Als die daalt, legt dat een zware druk op het bedrijf en het management.

Een beursgenoteerd bedrijf moet altijd mikken op de volgende kwartaalrapportering.

Een reden om de beurs vaarwel te zwaaien, zegt Döpfner van Axel Springer, is om af te geraken van de constante druk om op korte termijn goede resultaten af te leveren en om te kunnen werken in een langetermijnperspectief. Een beursgenoteerd bedrijf moet altijd mikken op de volgende kwartaalrapportering, een niet-genoteerd bedrijf ontsnapt daaraan en kan werken naar doelstellingen over een paar jaar. Een beursgenoteerd bedrijf voelt elke dag de druk van de financiële markten.

Een private-equityspeler die in een bedrijf stapt, hanteert een termijn van vijf tot zeven jaar. Dan wil hij de meerwaarde verzilveren. Dat biedt het bedrijf meer handelingsruimte. Daar staat tegenover dat de private-equity-investeerder zijn zeg wil hebben. Het is de keuze tussen het ondergaan van het dictaat van de financiële markten of aanvaarden dat de investeringsmaatschappij die aan boord wordt gehaald een stem in het kapittel krijgt.

Return

De twee modellen, beurs en private equity, hebben hun pro’s en contra’s die elk bedrijf tegenover elkaar moet afwegen. Maar de private-equitymaatschappijen kunnen niet meer als ‘barbaren’ worden afgeschilderd. Ze kunnen voor bedrijven bijzonder nuttige bondgenoten zijn.

Of bedrijven zich financieren via de beurs of met private equity, de centen komen uit dezelfde kapitaalpot.

De private-equitymaatschappijen werken met schuldfinanciering én met gelden die ze via fondsen verzamelen bij vooral institutionele beleggers. Met gemak. Een private-equitybelegging is wel minder liquide, maar levert een hogere return op dan een belegging op de beurs. Beursgenoteerde bedrijven en bedrijven die in zee gaan met private-equityfirma’s putten voor een stuk uit dezelfde kapitaalpot: ze krijgen hun centen van dezelfde institutionele beleggers.

In het ene geval leggen die veel kortetermijndruk op de bedrijven, in het andere geval zijn ze bereid een langere tijdshorizon te hanteren. Maar noem die dubbele houding niet bizar, noem het diversificatie van het beleggingsbeleid.

Lees verder

Advertentie
Advertentie