weekboek

Als de inflatiegeest uit de fles ontsnapt

Senior writer

Nu de economie moeizaam uit het coronadal klimt, ontstaan hier en daar prijsspanningen op de verstoorde markt. Maakt de inflatie na een jarenlange afwezigheid haar rentree op de bühne?

Is de inflatiedraak na een jarenlange slaap ontwaakt? Mdi, een basisgrondstof voor isolatiemateriaal, is sinds kort zowat 25 procent duurder. De prijzen van polymeerharsen, een grondstof voor plastics, staan op het hoogste peil in zes jaar. Hout en staal kosten flink wat meer. Het tarief om een container te verschepen van Azië naar West-Europa is verdrievoudigd. De prijs voor een vat ruwe olie ligt 50 procent hoger dan zes maanden geleden. Dat veroorzaakt zenuwachtigheid.

De inflatie was morsdood verklaard. Nu signalen van prijsspanningen opduiken, vragen economen zich af of de inflatie door de grote poort terugkeert. Met een vergrootglas wordt ernaar gekeken, de minste stijging uitvergroot. ‘Inflatie in eurozone klimt scherp tot 1,4 procent’, was de alarmerende titel van een communiqué dat de OESO, de denktank van de industrielanden, woensdag uitstuurde. Drie uur later werd het communiqué ingetrokken en volgde een correctie. Het was geen 1,4 procent, maar 0,9 procent. Nou, 0,9 procent. Moet daar zo’n drukte over worden gemaakt?

Er zijn onmiskenbaar krachten aan het werk die bepaalde prijzen omhoogduwen. Voor een stuk gaat het om de terugkeer naar de normale situatie, nu de coronapandemie stilaan is uitgewoed en de economie zich weer op gang trekt. Dat verklaart de hogere olieprijzen. U herinnert zich nog dat de olieprijs in de VS in april vorig jaar even fors negatief werd, omdat de opslagtanks vol zaten door de teruggevallen vraag en er geen plek meer was om nieuw opgepompte olie te stockeren.

Duitsland verlaagde zijn btw-tarieven in juli vorig jaar als steunmaatregel. Dat werd begin dit jaar weer ongedaan gemaakt. En dus gaan de prijzen weer hoger.

De coronacrisis heeft aanvoerketens verstoord, waardoor er spanningen zijn, onder meer in niches van de chemiesector en in de toelevering van halfgeleiders voor de auto-industrie. De verwachting is dat dat opgelost geraakt.

Hoe meer over inflatie gepraat en geschreven wordt, hoe meer dat in de hoofden kruipt en de inflatieverwachtingen omhoogjaagt.

Daarnaast zijn er ook structurele factoren. De coronapandemie heeft de globaliseringstrend, de aandrijver van lagere prijzen, afgeremd. Dat was al eerder begonnen, onder meer door de America First- politiek van president Donald Trump. En het prijsdrukkende effect van China als fabriek van de wereld is stilaan uitgewerkt.

Zombiebedrijven

Indirect brengt de coronacrisis dingen in beweging die tot opwaartse prijsdruk leiden. Als zombiebedrijven door de crisis voor de bijl gaan, vermindert de concurrentie die de prijzen in toom houdt. Er is de verwachting dat als het rijk van de vrijheid wordt bereikt, een golf van uitgestelde consumptie op gang komt, betaald met het door de gezinnen opgepotte spaar- geld.

En er is het effect van de vele miljarden die de centrale banken en regeringen hebben uitgetrokken om de coronaschok voor bedrijven en gezinnen te verzachten en om de economische motor weer aan te zwengelen. Vooral het herstelplan van 1.900 miljard dollar in de VS van de nieuwe president Joe Biden baart de inflatievrezers zorgen. De econoom Lawrence Summers noemt het ‘een stap in het onbekende die de inflatie kan opstuwen naar niveaus die we in een generatie niet meer hebben gezien’.

Loopt het zo’n vaart? Enkele motoren van de prijzenopstoot zijn van voorbijgaande aard. Er zijn bovendien krachten die in de tegenovergestelde zin werken. De versnelde digitalisering is er daar een van. En het belangrijkste argument: de coronaklap heeft de economie een uppercut bezorgd. Als gevolg daarvan zullen bedrijven failliet gaan, verliezen mensen hun job en spelen ze een stuk van hun inkomen kwijt. De belastingen zullen stijgen omdat overheden hun begrotingsputten voor een stuk moeten dempen. Ook dat zal vreten aan het beschikbaar inkomen van de gezinnen en wegen op hun bestedingen.

Voor- en nadelen

Valt het dubbeltje naar de ene of naar de andere kant? En moeten we ons zorgen maken over een scheut inflatie? Inflatie smeert de economie, stelt de theorie. Als goederen en diensten gestaag duurder worden, spoort dat de consumenten aan hun aankopen niet uit te stellen en kunnen bedrijven blijven draaien.

Een beetje inflatie krikt het nominale bruto binnenlands product (bbp) op en doet de relatieve last van het begrotingstekort en de staatsschuld - uitgedrukt in procent van het bbp - dalen. Een hogere inflatie biedt de centrale banken meer ruimte om de reële rente - de rente na aftrek van de inflatie - laag te houden, als ze dat instrument inzetten in het kader van hun monetaire beleid.

Inflatie heeft ook nadelen. Ze tast de koopkracht aan. Ze kan de langetermijnrente doen stijgen, waarop de centrale banken minder vat hebben. Dat maakt de financiering van de overheidsschuld duurder. En ze veroorzaakt onrust op de financiële markten. Want een hogere rente is slecht voor de waarde van bestaande obligaties en maakt aandelen minder aantrekkelijk tegenover vastrentende beleggingen.

Jarenlang heeft de ECB, die een inflatiedoel van 2 procent hanteert, geprobeerd de inflatie op te krikken door de geldpersen snel te laten draaien. ‘Als je genoeg geld drukt, krijg je altijd inflatie’, zei ECB-directeur Peter Praet in 2016. Niet dus. Het ECB-beleid leidde alleen tot hogere beurskoersen en duurder vastgoed. De prijzen van consumentenproducten bewogen amper. Nu is het eindelijk zover, dankzij de coronacrisis. Toch stijgt bij de ECB geen juichkreet op.

Het doet vermoeden dat het goedkopegeldbeleid van de ECB helemaal niet bedoeld was om inflatie te creëren, al was dat de officiële uitleg, maar om te garanderen dat de regeringen van de eurolanden zich goedkoop konden financieren. Om de schadelijke neveneffecten daarvan heeft de ECB zich nooit veel bekommerd. Nu er eindelijk inflatie is, overweegt ze wel in te grijpen om een neveneffect, de stijging van de langetermijnrente, te counteren. Om te vermijden, alweer, dat overheden zich duurder moeten financieren? En om te mijden dat de zeepbel op de financiële markten, die de ECB zelf blies, barst?

De inflatie in de eurozone bedroeg in februari 0,9 procent. Onveranderd tegenover januari. In België was het 0,46 procent. De conjunctuurvoorspellers zien niet meteen een drastische versnelling in het verschiet liggen. De Europese Commissie gaat in haar jongste ramingen uit van een inflatie in de eurozone van 1,4 procent dit jaar, en van 1,3 procent in 2022.

Hoe meer over de terugkeer van de inflatie gepraat en geschreven wordt, hoe meer dat in de hoofden kruipt.

Vanwaar dan die opschudding over een mogelijke terugkeer van de inflatie? Het inflatieverloop is moeilijk te voorspellen. Als de geest uit de fles is, kan het snel fout lopen. Vooral als een loon-prijsspiraal op gang komt, en hogere inflatieverwachtingen leiden tot hogere looneisen, die de kosten voor de bedrijven omhoogjagen. En hoe meer over de terugkeer van de inflatie gepraat en geschreven wordt, hoe meer dat in de hoofden kruipt. In de eerste week van november viel het inflatiewoord in de zakenkrant Financial Times 29 keer, in de afgelopen week 72 keer. Van een inflatie gesproken.

Lees verder