weekboek

Tastend op zoek naar uitweg uit duistere tunnel

Senior writer

Door de coronacrisis is de economie in een onbekende duistere tunnel beland. Waar die heen leidt en of en wanneer licht aan het einde is, weet niemand.

Het is stil op straat. Af en toe passeert een bus van De Lijn, meestal leeg. Enkele wandelaars stappen voorbij. De maatregelen om de verspreiding van het coronavirus af te remmen hebben het verkeer doen stilvallen. Het openbaar leven ook. En de economie. De Belgen blijven thuis. Iedereen ondergaat de gevolgen van de coronamaatregelen.

Het roept herinneringen op aan de autoloze zondagen in 1973-74, opgelegd om het olieverbruik te beperken nadat Arabische landen een olieboycot hadden uitgevaardigd om Israël en zijn bondgenoten in het Westen na de Jom Kippoer-oorlog onder druk te zetten. Benzine, diesel en stookolie werden duur. De energiefactuur van de bedrijven schoot omhoog. Een aanslag ook op het budget van de gezinnen.

Een zorg voor de kostwinners. Voor de jongere die ik toen was, bood het de kans te gaan fietsen op een lege autosnelweg. Om op de verwarmingskosten te besparen, werd de zaterdagse lesvoormiddag in de middelbare scholen geschrapt. En hoewel de oliecrisis ernst was, kon af en toe ook nog worden gelachen. Muziekgroepjes scoorden hits in Nederland en Vlaanderen met nummers als ‘Kiele Kiele Koeweit’ en ‘We mogen op zondag niet meer rijden met het autootje’.

Zes recessies

In juli vorig jaar kwam het bericht dat de VS hun langste periode van economische groei ooit beleefden. Maar omdat mooie liedjes niet blijven duren, waarschuwden economen voor een recessie. De economie groeit niet in een gezapig tempo. Na een opgaande fase volgt altijd een dalende. 

 De voorbije 50 jaar belandde de Belgische economie zes keer in een recessie. Jonge collega’s op de redactie kunnen zich bij een recessie niet veel voorstellen, omdat ze er nog nooit een bewust hebben meegemaakt. Sommigen hebben zelfs van de bankencrisis van 2008 alleen maar vaag gehoord, of ze hebben erover gelezen. Ze denken vlug aan een economische catastrofe. Maar dat is een recessie niet altijd. Ze kan diep zijn of beperkt, kort of lang.

De economische klap die volgde op de bankencrisis van 2008 en de eurocrisis wordt de ‘Grote Recessie’ genoemd. Maar België spartelde er zonder veel blutsen en builen door. In de ondernemingswereld bleef de schade beperkt, de werknemers in ons land werden niet massaal werkloos.

Heel wat Belgen hebben amper iets gevoeld van de ‘Grote Recessie’ veroorzaakt door de bankencrisis van 2008.

Enkele grote banken moesten door de overheid gered worden, de aandeelhouders van Fortis en Dexia zagen hun aandelen grotendeels waardeloos worden en de klanten van Kaupthing Bank vreesden even voor hun spaarcenten. Maar het banksysteem klapte niet in elkaar, een economische catastrofe werd vermeden. Heel wat Belgen hebben die ‘Grote Recessie’ niet aan den lijve gevoeld. Omdat de overheid slim reageerde door soepel technische werkloosheid toe te staan, waardoor bedrijven minder vlug naar collectief ontslag grepen.

Een achttal jaar eerder, rond 2000, was er de dotcomcrisis. Een beurscrisis in de eerste plaats, veroorzaakt door het ineenstorten van de overgewaardeerde aandelenkoersen van internetbedrijven. Beleggers die daar geld op hadden ingezet leden ferme verliezen. In België ging het spraaktechnologiebedrijf Lernout & Hauspie onderuit. Op de dotcomcrisis entte zich een schok die de terroristische aanslag in 2011 op de WTC-torens in New York teweegbracht, en die de luchtvaartsector zwaar raakte. Voor Sabena was dat de klap te veel.

Slachtoffers

Een crisis maakt vooral slachtoffers bij bedrijven die geen stevige financiële fundamenten hebben, die al met problemen kampen of die zich onvoldoende hebben aangepast aan structurele veranderingen in hun sector.

De crisis kwam toen heel dichtbij. De Standaard-groep, waar ik werkte, zag zich door teruglopende inkomsten genoodzaakt te snoeien in het personeelsbestand. In eerste instantie werden vijf journalisten ontslagen. Dat leidde in juni 2001 tot een staking op de redactie - de enige keer in mijn loopbaan dat ik heb gestaakt. Een jaar later volgde een grotere sanering, waarbij 80 journalisten moesten afvloeien. Met een genereus sociaal plan wel. Het personeel legde er zich gelaten bij neer.

Daarvoor was er de recessie van 1993, in de nasleep van de eerste Golfoorlog en muntspanningen in Europa. Een faillissementengolf rolde over het land. Voor een economisch journalist was het een boeiende tijd. Bij de slachtoffers waren de Boel-scheepswerf in Temse en de DAF-vrachtwagenfabriek in Westerlo, die later een doorstart maakte. Die pil was vrij vlug doorgeslikt.

De grote schade die de olieschok van 1973 aanrichtte kwam pas met vertraging aan de oppervlakte.

Wie wat ouder is, heeft een langer tijdsperspectief. In mijn ogen was de crisis van de jaren 70, de oliecrisis, zwaarder dan de andere die later kwamen. De onmiddellijke klap was niet enorm, maar de crisis verzwakte de fundamenten van de economie. De schade die dat aanrichtte, kwam pas met vertraging aan de oppervlakte. Als scoutsactiviteit kregen we de opdracht de winkeliers in het dorp te gaan vragen of en hoe ze de crisis voelden. Maar dit was geen spel. De rij werklozen aan het stempellokaal groeide almaar aan.

Het beleid maakte de vergissing de lasten van de crisis vooral naar de bedrijven af te schuiven. Die verloren concurrentiekracht, een aantal ging ten onder, de werkloosheidsgraad verdrievoudigde tussen 1973 en 1978. De economie kwam in een periode van stagflatie - flauwe groei, hoge werkloosheid en hoge inflatie - terecht.

Om een grote kaalslag in de industrie van het land te voorkomen, diende de overheid heel wat bedrijven te ondersteunen. Hele sectoren kregen beschutting van een overheidsparaplu: de steenkoolmijnen, de staalsector, de scheepsbouw en -herstelling, de glasnijverheid en de textielsector. Ze konden voor extra kapitaal of leningen aankloppen bij de Nationale Maatschappij voor de herstructurering van de Nationale Sectoren.

Geef me werk

In 1979 volgde een tweede olieschok als gevolg van de islamitische revolutie in Iran. In 1981 was de werkloosheidsgraad gestegen tot 10,8 procent, de begroting vertoonde een tekort van 16,3 procent van het bruto binnenlands product. Jongeren die afstudeerden, kwamen terecht in nepstatuten zoals Bijzonder Tijdelijk Kader (BTK) of Derde Arbeidscircuit (DAC). Of ze gingen van de schoolbanken en de universiteitsaula’s rechtstreeks naar ‘den dop’. In het voorjaar van 1982 trok een Jongerenmars voor Werk door Brussel. ‘Ik ben jong en het doet pijn nutteloos en leeg te zijn. Geef me werk, werk, werk, ik heb twee handen, voel me sterk’, zongen De Kreuners.

In het begin van de jaren 80 werd het beleid omgegooid en werd eindelijk werk gemaakt van het structureel gezond maken van de economie. Met een schoktherapie. Om het concurrentievermogen van de bedrijven te herstellen, werd de Belgische frank begin 1982 met 8,5 procent gedevalueerd. Een collectieve verarming was de prijs die betaald moest worden.

Het saneringsbeleid werkte. Geleidelijk verbeterde de economische situatie. ‘Het einde van de tunnel is in zicht’, titelde Weekberichten, een economische publicatie van de Kredietbank (nu KBC) in 1985. Een sterke daling van de olieprijzen vanaf 1986 gaf het herstel een bijkomend zetje.

De overheid gooit miljarden in de strijd om een economische catastrofe af te wenden.

En nu is er dus de coronacrisis. Die heeft de economie op een ongeziene manier bruusk tot stilstand gebracht. Iedereen voelt dat op een of andere manier. De (tijdelijke) werkloosheid is omhooggeschoten, de regeringen gooien er miljarden tegenaan om de economische schade zo veel mogelijk te beperken. Hoe ontwrichtend deze crisis is, hangt onder meer af van hoelang ze duurt.

De economische beleidsinstrumenten zijn niet in staat een structurele oplossing te bieden. Die moet komen van de medische wetenschap: het vinden van een vaccin tegen het coronavirus.
We zijn onverwacht in een onbekende donkere tunnel beland. Wanneer we daar weer uitkomen, weet niemand.

Lees verder