weekboek

Afscheid van de coronapremier

Redacteur Politiek

Haar regering deed het niet slecht. Maar van premier Sophie Wilmès (MR) zelf zullen we ons vooral de powerpoint, het gebrek aan leiderschap en de woordbreuk over haar zes maanden premierschap herinneren.

‘On n’a rien cassé.’ Toen Elio Di Rupo (PS) in 2014 afscheid nam van de Wetstraat 16, kreeg hij op een laatste persontmoeting de vraag hoe hij terugblikte op zijn premierschap, dat de uitlopers van de banken- en de piek van de eurocrisis omspande. We hebben niets kapotgemaakt, luidde het antwoord, met een mengeling van plichtsbesef, trots en opluchting.

De politieke koortsthermometer toen was de rente op de Belgische overheidsobligaties. Die piekte vlak voor de start van de regering-Di Rupo gevaarlijk op bijna 6 procent, het bijna onbetaalbare niveau dat Zuid-Europa en Ierland in een crisis had gestort. Op het einde van Di Rupo’s regeerperiode was dat gevaar geweken.

De regering-Wilmès eindigde met hetzelfde gekrakeel als waarmee ze tot stand kwam.

België is al decennia een land waarin de politieke wereld pas echt beweegt onder externe druk. De vrees dat onze exporteconomie de euro zou missen had tot de besparingen van de jaren 90 geleid. De angst meegesleurd te worden in de eurocrisis had de regering-Di Rupo aan de macht gebracht. En het schrikbeeld stuurloos door de coronastorm te moeten varen heeft zes maanden geleden het pad geëffend voor de regering-Wilmès.

Alleen liep het deze keer anders dan negen jaar geleden. De poging om een breed gedragen volwaardige regering aan te stellen mislukte in maart. In de tv-studio’s van ‘C’est pas tous les jours dimanche’ smoorden de partijvoorzitters Paul Magnette (PS), George-Louis Bouchez (MR) en Jean-Marc Nollet (Ecolo) een pril akkoord over een regering met de PS en de N-VA toen op de valreep in de kiem. De N-VA sprak van een ‘staatsgreep’. Sp.a-voorzitter Conner Rousseau zei op Twitter ‘gedegouteerd’ te zijn.

Dus werd in volle crisis de coronaregering een ongezien Belgisch experiment: een minderheidsregering die slechts over 38 van de 150 zetels in de Kamer beschikt én volmachten kreeg. Dat kon alleen maar omdat zeven andere partijen, die het zetelaantal op 120 brengen, de regering-Wilmès steunden. En die waren maar bereid dat zes maanden te doen.

Zes maanden later, bij het terugblikken op die tijdelijke noodregering, is de relevante vraag degene die Di Rupo zichzelf stelde in 2014: is er iets kapotgemaakt? Op basis van dat criterium kan de regering- Wilmès enkele verdiensten claimen. De Belgische ziekenhuizen zijn niet bezweken onder de immense druk van de pandemie. Ook de economische schok is gedempt waar hij kon. Op de economische steun en de onderhandelingen over de redding van Brussels Airlines kwam terecht nauwelijks kritiek. Ook de beslissingen die met volmachten genomen werden, houden nog altijd steek, op de waanzin van de twaalf gratis treinritten na.

Naakte cijfers

Het belangrijkste tegenargument voor die analyse zijn de naakte cijfers. Wie The Economist openslaat op de pagina met het nieuwsoverzicht van de voorbije week, ziet al maanden België bovenaan staan in het lijstje met het hoogste aantal coronadoden per 100.000 inwoners.

Is dat de schuld van de ploeg-Wilmès? Het feit is dat geen enkele federale regering aan een paar nadelen had kunnen verhelpen. Er was de timing van onze krokus- en skivakanties. Er is het feit dat België een dichtbevolkt land met veel internationaal verkeer is. Het hielp niet dat België een klein land is toen de hele wereld - onder het motto ‘ieder voor zich’ - naar mondmaskers en beschermingsmateriaal zocht. Ook het geweifel van Vlaams minister van Welzijn Wouter Beke (CD&V) bij het beschermen van de woon-zorgcentra tegen de dodelijke pandemie heeft niet geholpen.

Communicatie

Als de federale regering iets te verwijten valt, is het vooral de communicatie. Die is in tijden van crisis geen detail en komt toe aan de regeringsleider. De Duitse bondskanselier Angela Merkel deed dat met wetenschappelijke nuchterheid en doortastende helderheid. Van Wilmès zullen we ons de hopeloze powerpoint herinneren die het gebrek aan focus duidelijk maakte. Datzelfde gebrek aan strakke crisiscommunicatie vanuit de Wetstraat 16 liet een gat openvallen waarin virologen zich op den duur politici konden beginnen te wanen. Dat leidde dan weer tot tegenstrijdige berichten die de centrale boodschap volledig vertroebelden.

De terugblik op deze uitzonderlijke, tijdelijke noodregering leidt daarom tot de conclusie dat vooral de premier te weinig het verschil maakte. Veelzeggend is haar presidentiële videoboodschap van deze week waarin ze de Belgen aanmaande de regels te volgen. Die werd in Vlaanderen 128 keer gedeeld. Ter vergelijking: de aankondiging van strengere coronamaatregelen voor alleen de stad Antwerpen door burgemeester Bart De Wever werd op Facebook 2.500 keer gedeeld.

Woordbreuk

Aan die balans moet sinds deze week nog een woordbreuk worden toegevoegd. In haar beleidsverklaring op 17 maart zei de premier dat ze ‘uiterlijk over zes maanden’ opnieuw het vertrouwen in de Kamer zou vragen. Dat deed ze niet. Ze blijft aan tot eind deze maand. Ze geeft daarvoor redenen die zes maanden geleden nooit vermeld werden. Het einde van haar regering verzonk daardoor deze week in hetzelfde gekrakeel waarin ze tot stand kwam. In de Kamer namen we daarmee donderdag ook afscheid van een tijdelijk vredesbestand. De veldslag is heropend over dat uiterst merkwaardige ding in de Belgische politiek: een doodgewone regering.

Lees verder