Aangifteplicht roerende inkomsten bijna van kracht

Als er de komende weken niets meer wijzigt, dan moet elke Belg in 2013 zijn spaar- en beleggingsinkomsten aangeven. Over welke inkomsten gaat het?

De invoering van de zogenaamde rijkentaks heeft het fiscale kader voor spaar- en beleggingsproducten grondig hertekend. De rijkentaks is een extra heffing van 4 procent boven op de roerende voorheffing en is specifiek bedoeld voor beleggers die jaarlijks meer dan 20.020 euro (inkomstenjaar 2012) roerende inkomsten opstrijken. Om de rijkentaks te kunnen toepassen, heeft de regering het bevrijdend karakter van de roerende voorheffing geschrapt. Dat betekent dat beleggers voortaan verplicht zijn hun roerende inkomsten aan te geven in hun belastingaangifte. De roerende inkomsten worden ook door de bank gemeld aan een centraal meldpunt, waardoor bepaald kan worden of de drempel van 20.020 euro overschreden is.

78%
Het percentage Belgen dat er geen probleem mee heeft zijn roerende inkomsten kenbaar te maken voor de fiscus

De algemene regel is dus dat spaarders en beleggers alle roerende inkomsten moeten aangeven in hun belastingaangifte. Al zijn er wel enkele uitzonderingen. Zo moeten de intresten op spaarboekjes die lager liggen dan 1.830 euro niet aangegeven worden. Ze worden ook niet meegeteld voor het grensbedrag van 20.020 euro en blijven vrijgesteld van roerende voorheffing. Voorts vallen ook tak21- en tak23-producten uit de boot in de mate dat er geen roerende voorheffing van toepassing is. Die verzekeringsproducten zijn vrijgesteld van roerende voorheffing als ze een langere looptijd hebben dan acht jaar of een overlijdensdekking bieden van 130 procent.

Aan de aangifteplicht ontsnappen ook de roerende inkomsten waarvoor beleggers aan de bron, dus bij uitkering, al 4 procent extra heffing hebben betaald. Die keuze kan elke belegger maken, ook wie minder dan 20.020 euro roerende inkomsten per jaar opstrijkt. In ruil voor de extra heffing krijgt de belegger anonimiteit. De extra heffing kan wel enkel betaald worden op roerende inkomsten die onderworpen zijn aan 21 procent roerende voorheffing. Dat zijn bijvoorbeeld de intresten op zichtrekeningen, kasbons, termijnrekeningen, obligaties en dividenden van aandelen met VVPR-strips.

Roerende inkomsten die niet aan 21 procent roerende voorheffing onderworpen worden en niet tot bovenstaande uitzonderingen behoren, moeten dus altijd aangegeven worden. Voorbeelden zijn de dividenden van aandelen zonder VVPR-strip (25% roerende voorheffing) en dividenden van residentiële vastgoedbevaks (0% roerende voorheffing).

Lees verder

Advertentie
Advertentie