Kosten romen tot 5 procent van aanvullend pensioen af

©Â© Paul Hardy/CORBIS

Werknemers krijgen nauwelijks of geen zicht op de kosten die verzekeraars aanrekenen voor het beheer van hun groepsverzekering. Afhankelijk van de verzekeraar kunnen de kosten tot 5 procent van uw pensioenspaarpot afromen.

De wet op aanvullende pensioenen (WAP) legt minimum rendementsverplichtingen op voor stortingen in de tweede pensioenpijler. Die bedragen tot nader order 3,25 procent voor werkgeversbijdragen en 3,75 procent voor werknemersbijdragen. Het is de werkgever die die rendementsgarantie moet nakomen.

Voor de werkgeversbijdragen mag volgens de WAP rekening worden gehouden met maximaal 5 procent kosten op de premies. Anders gezegd, als de werkgever 100 euro stort, dan moet die premie één jaar later minstens 98,1 euro bedragen (95 + 3,25% van 95). Voor stortingen van de werknemer mogen geen kosten in rekening worden gebracht. Een storting van 100 euro moet dus één jaar later 103,75 euro bedragen.

Omdat het de werkgever is die de rendementsgarantie moet nakomen, spelen die beheerskosten niet alleen voor de werknemer, maar ook voor hemzelf een belangrijke rol. Een rondvraag bij verzekeraars leert dat een indicatie van de effectieve kosten heel moeilijk te geven is. ‘Om concurrentiële redenen kunnen we geen orde van grootte geven’, luidt het bij marktleider AG Insurance. De verzekeraar geeft ook aan dat de kosten fors kunnen verschillen naargelang de kenmerken van het contract. Ook de verzekeraar Allianz geeft geen cijfers. ‘De werkelijk toegepaste kosten zullen afhangen van onder meer het aantal aangeslotenen, de flexibiliteit van het contract en het beheer’, luidt het bij de verzekeraar. Bij KBC wordt wel een indicatie gegeven. ‘De beheerskosten liggen tussen 0,5 en 1 procent. In complexe uitzonderlijke gevallen kan dat iets meer zijn. Het commissieloon bedraagt gemiddeld tussen 2 en 4 procent’, luidt het bij de groep.

7,7 procent kosten

De Nationale Bank (NBB) houdt statistieken bij van de kosten van groepsverzekeringen, maar op een geaggregeerd niveau. In 2011 werden 35 miljoen euro beheerskosten, 180 miljoen euro netto-administratiekosten en 132 miljoen euro acquisitiekosten en commissielonen geboekt. Ten opzichte van de 4,5 miljard euro premie-stortingen bedragen de kosten dan 7,7 procent. Assuralia, de vereniging van verzekeraars, waarschuwt wel voor een foute interpretatie van die cijfers. ‘Ten eerste zijn het boekhoudkundige cijfers. Bovendien zullen sommige van die kosten verband houden met het innen van de premies, terwijl andere gerelateerd zijn aan het beheer van de reserves. Appelen en peren moeten dus goed onderscheiden worden. Wat in vergelijking met de premies oploopt tot 7 procent, zal in vergelijking met de reserves beneden 1 procent liggen’, zegt woordvoerder Wauthier Robyns.

De toegepaste tarievenstructuur van verzekeraars valt zeker te rechtvaardigen, maar maakt de kosten wel minder doorzichtig. ‘De administratiekosten van de verzekeraar en de vergoeding van de eventuele tussenpersoon worden doorgaans niet apart gefactureerd aan de werkgever’, zegt Pieter Gillemon, pensioenspecialist bij PricewaterhouseCoopers Tax Consultants. ‘Vaak maken ze deel uit van de premie en zijn ze verwerkt als kostentoeslagen in de toepasselijke verzekeringstarieven. Er is in vele gevallen weinig transparantie op dat vlak’, bevestigt Gillemon. Ook Jacques Boulet, algemeen directeur van verzekeringsmakelaar Viaxis, meent dat het kostenaspect soms te complex wordt voor de werkgever. ‘Sommige werkgevers zijn onvoldoende op de hoogte van de technische details van de kostenberekening’, zegt hij.

Bijpassen

Het voorgaande betekent ook dat het zeker voor de werknemer niet altijd duidelijk is hoeveel kosten worden aangerekend. ‘Bij pensioenplannen van het type vaste bijdrage, waarbij de werknemer maandelijks een vastgelegd bedrag stort, resulteren hogere kosten in een lagere pensioenopbouw voor de werknemer’, zegt Gillemon.

Klik op het beeld om te vergroten.

Een eenvoudige berekening kan dit verduidelijken. Een storting van 1.000 euro levert met een gegarandeerde rente van 3,25 procent na 20 jaar 1.896 euro op. Als er enkel 0,5 procent kosten op de premie worden ingehouden, is 995 euro na 20 jaar aangegroeid tot 1.886 euro. Gaan we uit van de maximale kosten van 5 procent op de premie die in de WAP zijn vastgelegd, dan is 950 euro na 20 jaar nog 1.801 euro. Dat is meer dan 4,5 procent minder dan in het scenario met 0,5 procent kosten. In het extreme geval waarin 7 procent kosten op de premie en nog eens 0,1 procent beheerskosten per jaar op de reserves worden aangerekend, komt het bedrag uit op 1.729 euro. Dat is al meer dan 8 procent minder dan in het scenario van 0,5 procent kosten. Let op: de werknemer zal in dat geval wel 1.801 euro opstrijken (het WAP-minimum), maar de werkgever zal het verschil moeten bijpassen. De factuur komt voor hem op 72 euro (1.801 1.729). In dit vereenvoudigd voorbeeld wordt er wel vanuit gegaan dat er geen winstdeelnames zijn. Die kunnen de bedragen de hoogte induwen.

Het voorgaande illustreert het belang van de kosten voor zowel de werknemer als de werkgever. Een goede monitoring is voor de werkgever cruciaal om te vermijden dat hij bij pensioenleeftijd van de werknemer het verschil moet bijpassen. Dat laatste is extra belangrijk nu de Nationale Bank (NBB) heeft voorgesteld om gegarandeerde rentes op groepsverzekeringen terug te brengen tot maximaal 2 procent. Dat voorstel verzwaart de factuur van de werkgever omdat hij 3,25 en 3,75 procent moet nakomen. Ten slotte zijn lagere kosten natuurlijk ook in het belang van de werknemer omdat zijn pensioenspaarpot daardoor groter wordt.

Lees verder

Advertentie
Advertentie